IN Februari trok Annette voor den tweeden keer over het IJ naar Francine. Zij vond er in plaats van de bekende bakerfiguur het nieuwtje: een kraamverpleegster. En Annette, met alle bakers onmiddellijk op vertrouwden voet, keek deze jonge verpleegster argwanend, stug uit de hoogte aan - constateerde: een portie verbeelding.
Met gespannen aandacht, anders dan bij haar eerste kleinkind, keek zij naar deze kleindochter. Die een vrouw zou worden als haar moeder en zij waren geweest - als Fransje.... Een vrouw in deze verbijsterend snel veranderende wereld.
Frederik ging gelaten alleen naar zijn geliefd Concertgebouw, waar Mengelberg de plaats van Kes had ingenomen. Vier-en-twintig October had de groote dirigent zijn afscheidsconcert gegeven, en Amsterdam had met leedwezen zien heengaan den man die alle moeielijkheden de spits had afgebeten, het orkest had opgedreven tot den eersten rang. Wantrouwend, ongerust werd gezien naar den nog zeer jongen opvolger....
Toen was op het eerste concert dat de Vijfde van Beethoven, het voorspel van de Meistersinger bracht, onmiddellijk het vertrouwen gevestigd....
Ditmaal bleef Annette niet lang weg - zei ronduit: zij kòn niet tegen uit logeeren zijn. Sophie loste haar af.
Een jonge grootmoeder was zij, minder teeder dan haar moeder eenmaal. Maar zij had ook nog dat eigen jonge kind thuis - Jetje.
Jetje, die gelukkig was als zij naar haar groote zuster mocht en de kleinjes. Van Melgers ook hield zij, vanzelfsprekend en zonder eischen.
Toen iemand haar eens vroeg: ‘Is je zwager Melgers een aardige man?’ zei zij:
‘Natuurlijk! De man van mijn zuster toch?’
Dit bleef in de familie een gevleugeld woord.
‘We gaan vanmiddag naar Francine. We moeten eindelijk de kleine Marietje eens zien,’ zei Louise, en Adolphine knikte.
Zij was moe. Zij was den laatsten tijd ontzettend moe, of iets haar innerlijk uitmergelde. Heimelijk in den morgen sloop ze soms naar boven, naar de mangelkamer: daar stond de afgedankte diepe leunstoel met kapotte veeren, waar haar moeder eenmaal in zat. En daar ging zij zitten, veilig voor Louise en voor Mijntje.
Hoe kwam zij zoo moe altijd? Zonder veel aandacht voor haar lichaam, dacht zij toch vaag aan zekere verschijnselen, waarover zij het niet noodig achtte een dokter te raadplegen.
Dien middag bij Francine zat zij zoo stil en schijnbaar in gedachten, dat Louise haar tweemaal tot vertrekken manen moest.
Een vreemde betoovering omspon Adolphine. In dit jeugdig gezin, het jonge nog wat teere vrouwtje, de jonge man - twee kleine kinderen - het was alles zoo - zoo bloeiend....
Adolphine, de magere oude Adolphine, zonk dieper weg in den veiligen stoel, waarin zij zich geborgen voelde als in een vesting. Heerlijk was het wel visites te maken als er zulke makkelijke stoelen waren, dat je eens lekker lui zitten kon. Zij had haast niets gezegd, haar onrustige donkere oogen van den een naar den ander zwervend.
En Francine behield in haar herinnering dit beeld: bij het afscheid de twee groote zwarte magere vrouwenfiguren langs het raam gaande. En één oogenblik tante Adolphines gezicht naar binnen starend, met een zóó intens gespannen aandacht, dat het Francine in 't hart greep.
‘Gos - 't lijkt wel een spook,’ schrikte de zuster achter in de kamer.
‘Waar kijk je zoo naar Frans?’ vroeg Melgers.
‘Och naar niets....’
Hij vroeg niet verder. Met al zijn bekrompen intelligentie was hij op één punt scherpziend: hij wist dat zij hem nooit haar gevoelens zei.
‘Zij vindt dat ze met mij niet praten kan,’ dacht hij.
Maar Francine in de laatste weken was zeer prikkelbaar. Een intense verveling om de gedwongen opgeslotenheid met de zuster had haar gegrepen in eenzelfde antipathie als haar moeder. Zij was lang zwak gebleven dezen keer - stond laat op, liet zich apathisch boven bedienen. En Annette telde dat de zuster er nu al drie weken was...
Tot op een dag onverwacht Francines gezonde energie zich herstelde. Zij kwam beneden aan tafel, op haar oude plaats. En toèn! bij het tweede middagmaal dat zij gedrieën hadden - de kleine Fred in zijn kinderstoel tusschen hen in - was er iets dat plotseling Francines fellen blik naar den overkant joeg, waar de zuster zat - zeer knap, met donkere smachtende oogen, coquetteerend tegenover Melgers met haar zorg voor het kind, in flatteerende aandoenlijke houdingen en gebaren.
Francine Melgers, zéér wakker op dit punt, keek van haar man naar de zuster. Zag den ganschen dag als een luie poes in haar kussens gedoken toe, hoe deze haar charmanten lach, haar lokkende oogen altijd voor hem klaar had. En hoe Melgers - lobbes, verdwaald in zijn huis waar zijn vrouw geen oog aan hem schonk, hij opeens het jammerlijk gevoel deze weken had gekregen niets voor haar te beteekenen, - oplook, zich koesterde in deze aandacht welke kleine attenties voor hem had, en hem zooveel zorg gaf als nog nooit zijn deel was geweest.
Francine wist zich gewaarschuwd, zat plotseling rechtop. Geen blik, geen beweging, geen gebaar, geen intentie van de aanvallende partij was haar ontgaan - voor den tamelijk lijdelijken derde had ze slechts een minachtend lachje. Maar die zuster!
Fransje Melgers had zichzelf immer een vrijheid voorbehouden in haar huwelijk, die tamelijk ver ging; ook tegenover haar man was ze tolerant. Maar haar natuur met zijn behoefte aan excessen was in de gedwongen afzondering van den laatsten tijd tot groote prikkelbaarheid geraakt; en de zuster, met haar air van meerderheid, die Francine poogde te behandelen als een zenuwzieke, had deze stemming voortdurend gevoed.
Den derden dag verliep de maaltijd in een zonderlinge gedwongenheid. De zuster, lief met den kleinen Fred bezig, bediende tevens moederlijk zorgvol Melgers, had soms een belangstellend vraagje naar Francine, die daar zat vorstelijk rechtop, heel bleek in haar frêle gratie, haar groote blauwe oogen over en door de zuster heen starend.
‘Voel je je goed schat?’ vroeg Melgers ongerust. En zij zei met een sarcasme dat hem schrik aanjoeg:
‘Zóó goed schat, dat ik me tot véél in staat voel.’
‘Mevrouw kan werkelijk veel meer dan zij denkt,’ zei de zuster ernstig. Ze keek van Francine naar Melgers; in haar mooie oogen het medelijden met den armen man van zoo'n vrouw, stikvol kuren. Maar Jan Melgers keek benauwd op zijn bord, geslingerd tusschen gestreeldheid om deze teederheid en zijn onrust om Francines houding.
Het dessert kwam. Een rijstschoteltje.
Op eenmaal wist Francine dat zij rijst haatte, het plakkerige kleverige goed! Ze gaf het schoteltje door, zonder een blik.
‘Houdt u niet van rijst, mevrouw?’
‘Deed Francine 't expres, hoorde ze werkelijk niet, dat ze geen antwoord gaf?’ dacht Melgers. En Francine zelf had het niet kunnen zeggen. Ze werd plotseling door een stormvlaag voortgeblazen. Ergens diep in haar klonk een lach.
En toen ging alles vlugger dan een seconde: zij zag, hoe de zuster van onderuit haar lange wimpers, Melgers een knipoogje gaf, en haast tegelijk was Francine opgeveerd. Even wrikte de lepel in den schotel, en een groote plakkaat rijst kletste de zuster midden op haar voorhoofd. Een gil.
‘Frans, wat doè je!’ riep Melgers.
Als antwoord vloog een tweede lepel vol. ‘Ik zal je leeren, ik zàl je leeren te knipoogen over mij, aan mijn tafel!’ riep Francine. Ze stond er lijkwit, zich opwindend aan haar eigen drift. In haar kleine hand dreigde een nieuwe lepel.
De zuster was opgesprongen, haar gezicht drogend en vegend in haar servet. Uit haar haren, over haar oogen droop de melkerige rijst. En machteloos krijschte haar ontzette stem:
‘Meneer! Mevrouw is niet goed. Wil u dàdelijk - mevrouw wil u dadelijk....’
De volle lepel flapte de tafel over, kwam neer tusschen Melgers en de zuster. In zijn stoel begon het jongetje verheugd te kraaien, sloeg met twee handjes in de pap.
‘Francine, in 's hemelsnaam - schei uit, hou op met dat smerige goed!’ riep Melgers. ‘Francine denk om het behang!’
Hij vluchtte achter zijn stoel in afschuw voor de rijst op zijn jas. Hij zàg al de kleverige brij de heele kamer bekladden....
‘Meneer!’ De zuster vastberaden, stelde zich te weer. ‘We moeten mevrouw naar bed brengen - mevrouw is niet toerekenbaar.’
‘Zóó toerekenbaar dat ik jou het huis uitreken!’ brulde Francine. ‘Eruit! Metéén! 't Huis uit!’
‘Frans?’ riep Melgers, woedend en angstig, ‘denk om het dorp - de menschen....’
‘Het dorp!’ lachte ze honend. ‘Haal je dorp hier - allemaal! Ik zal ze wat laten zien!’ Ze keerde zich naar de zuster.
‘Ik gooi je goed boven het raam uit, de straat op, als je niet dadelijk je koffer pakt!’
Ze wilde naar de deur, maar met een kreet was de zuster haar voor, duwde haar achteruit en holde de trap op.
‘Ik zal me beklagen!’ gilde ze snikkend - ‘ik zal mijn beklag indienen.’
In de open keukendeur stond het boerenmeisje met open mond. Grinnikte.
Binnen viel een stilte. Francine was op de sofa gaan zitten, plotseling kalm. Om haar mond was de zweem van een lach. De tafel stond daar ontoonbaar bemorst - de lepel halfvol neergevallen.
Melgers staarde verwezen dan naar de tafel, dan naar Francine. Bekwam plotseling van haar oogen, die rustig spottend hem bezagen. Boven hun hoofd werden laden opengerukt, een zwaar voorwerp gesleept - schoenen vielen....
‘Frans.... moe-moeten we haar zóó laten gaan?’ smeekte hij hulpeloos, zijn hart van gentleman in opstand.
Voetstappen kwamen de trap af....
Ze lachte even.
‘Welneen! breng haar galant naar de boot! En je moet haar nog betalen.’
Hij staarde verwezen. Zij verwikte niet. Toen ging hij plotseling in een vaart.
Toen hij terug kwam was de tafel opgeruimd; ordelijk met het fluweelen tafelkleed. Het kind was naar bed, en op de sofa zat Francine nog.
Hij was warm. Angstig om Francine, kribbig om het geval. De zuster had onderweg aan één stuk door huilend, woedend, hem verweten dat hij laf haar had laten beleedigen, waarvoor geen enkele aanleiding was geweest. Hij had excuses gestameld - goedig, onbeholpen, haar een geweldige douceur gegeven. Zonder groet, innerlijk opgewonden om het interessant avontuur, was ze met opgericht hoofd van hem weggegaan.
Nu ineens - met zijn beiden - de kamer ordelijk, Francine zoo kalm of er niets was gebeurd, viel over hem de behagelijkheid van het gewone leven weer.
‘Die Frans! Dat ze zóó doen kon - hij dacht dat ze razend werd - omdat een andere vrouw tegen hem....’
Hij werd warm onder zijn oogen, hij was er van in de war, hij had niet gedàcht dat zij zoo om hem gaf! Ineens zat hij op de sofa, trok haar op zijn schoot in een wilde liefkoozing.
‘Frans - schat die je bent! Ik wist niet dat je zóó.... je bent een dot om zóó te vechten.... dacht je hè? kleine kat - dacht je nou heusch dat ik....’
Ze liet zich tenger en soepel knauwen in zijn harde armen. Ze had
alleen haar lachje, terwijl ze hem aankeek, met onschuldige blauwe oogen. Zij dacht:
‘Jaloersch als hij meende.... Kòn zij maar jaloersch zijn! Niets dan pure kwaadaardigheid tegenover zoo'n schepsel, dat zich allures wou geven in haàr huis....’
Ze lachte opeens.
‘De rijst was warm hè? En zoo kleverig in je haren!’
Hij schaterde het uit - plotseling met het tafereel voor oogen.
‘Als ik denk, jij met die lepel als een Nemesis, ik had onder de tafel willen vliegen van angst....’
Zij glimlachte.
‘'t Kleintje boven - in de wieg....’ dacht ze.
Wie het uitbracht wist niemand ooit, maar op de Groote Club hoorde oom Pieter het vertellen in kleuren en geuren: hoe die mooie dochter van Craets haar verpleegster getracteerd had, die met haar man wou flirten. Ze lachten er uitbundig over, de beursheeren, ieder kende het opzichtige vrouwtje van aanzien - het was me d'r een! Alleen Frederik hoorde het blijkbaar niet en oom Pieter zweeg. Hij keerde het gelach, de glossen een verbolgen rug toe, en kwam rood en warm met het verhaal bij Sophie in Bussum.
Tante Sophie huilde haast. Van kwaadheid op Melgers, op de zuster, van medelijden met Fransje, maar ook van verontwaardiging, en geschokt om het geval dat een praatje was in Amsterdam. Terwijl tòch al zoo gebabbeld werd over Fransje!
Zonder de Keizersgracht aan te doen, reisde ze den volgenden dag over het IJ en stapte het huis der Melgersen binnen.
Ze had verwacht een ongelukkig vrouwtje, een tragischen aanblik. Ze stond verbluft voor een gelukkig vroolijk gezin. Gelach kwam haar tegemoet - Francine vloog op haar toe, omhelsde tante Sophie in al haar zwarte zij en bont, trok haar de kamer in waar Melgers trotsch zat met een kind op zijn knie en een in zijn arm. En samen vertelden ze over de kinderen, tante moest het kleintje zien: was het geen dot?
Tante Sophie zat verbluft te luisteren.
Later alleen met Francine, zei ze:
‘Fransje, wat is dat nu voor een verhaal van die pleegzuster?’
‘Dat is geen verhaal tantetje, dat is werkelijkheid.’
‘Ja maar lieve hemel kind....’
‘Tante, kletsen ze over me in Amsterdam? Kwam u daàrvoor? Och, lief bent u hoor! Maar 't kan me geen zier schelen. Ze kunnen
me niets anders verwijten tante, dan dat ik de zaken in mijn huis kort en krachtig weet te regelen.’
Tante Sophie lachte ondanks zichzelf. ‘Die wist zich in elk geval te helpen!’ Ze apprecieerde vrouwelijk. Luisterde naar Francines gebabbel, komisch en schilderachtig over de kinderen en dacht:
‘Wat een lief schepsel is Frans altijd. Als 't maar niet waar was van die andere mannen....’
Maar bij het weggaan zei Francine ineens, terwijl ze tantes breede brides strikte onder haar kin:
‘Tante - vader en moeder moeten het maar niet weten.. Ik...e... zou niet graag hebben dat moeder 't hoorde.’
En tante Sophie dacht ontroerd: ‘Daar hebben we 't kleine Francientje nog.’
Frederik kwam het niet te weten. Wat wonderlijk was en vrijwel onbegrijpelijk. Maar hij had nu eenmaal het talent de minder gelukkige zijden van zijn kinderen te negeeren, en zijn mantel der liefde bleef zijn bemind kleedingstuk. En als de moeilijkheid al te dicht bij kwam zocht hij troost bij zijn jongste - zijn kleine Jet, 't blonde zonnetje, dat aan zijn arm huppelde.
Tegen Annette zei hij:
‘Wat 'n geluk dat we nog dat kleine kind in huis hebben!’
Samen trokken ze overal heen.
‘Jetje! We gaan de Lombokgroep zien in het Panopticum.’
‘O ja - o ja.’
Jetje verloor zich meteen in verrukkelijke visioenen. Het panopticum! De prachtige dame in blauwe zij, die lag te slapen en je zag haar borst heusch op en neer gaan. En dan het verschrikkelijke: dat mooie meisje op een plank vastgebonden en dobberend op groene golven.... en nog zooveel, zooveel....
Er waren weer allemaal heerlijke dingen. Op de tentoonstelling, in de rutschbaan zitten met vader. Zalig. In een vaart vloog je, waar je bleef wist je niet, de wind hard om je heen....
‘Vadertje toe - gaan we nog eens....?!’
‘Nou schat....’
‘U vindt het toch wel prettig?’ Ze weifelde; als vader het niet zeker éven prettig vond als zij, was 't niets ineens.
‘Wel prettig ja - maar mijn maag doet een beetje raar zie je.’
‘O wat een malle vader toch!’ Ze sprong naar hem op, gafhem een zoen. ‘Vadertje, naar de draaiende spiegels dan?’
‘O kind - dat is ook alweer zoo draaierig! Als je eens alleen ging?’
‘Dan is er niets aan - 't is zoo leuk om naar uw gezicht te kijken...’
‘Vooruit dan. Maar ik doe mijn oogen dicht....’
Gelukkig waren er ook meer verfrisschende vermaken. Oud-Holland. Daar gingen ze zitten bij een tonnetje, en Jetje kreeg er een Wiener mélange - ‘hemelsch’ zei Jetje - na alle gerutsch en draaiende spiegels gleed dit zonder bezwaar in haar kleine stevige maag. Maar ze was niet te houden toen ze hoorde van het bloemencorso met versierde rijwielen, waarvoor Jan Melgers in de jury zat.
‘Mijn zwager is jurylid,’ zei Jetje, trotsch op het groote-menschenwoord, tegen haar schoolvriendinnen.
Toen de tentoonstelling weg was, gingen ze weer samen, vader en Jetje, de andere vermakelijkheden van de stad af. Vooral het Panorama in zijn begoochelende echtheid, boeide Jetje. Ze stond verslonden te staren naar het Beleg van Haarlem, in den ijzigen sneeuwwinter...
‘Is oorlog zóó?’
‘In dien tijd tenminste ja.’
‘Maar er komt nu geen oorlog meer, hè?’
‘Neen dàt komt niet meer.’
Soms ook gingen ze samen varen met het bootje den Amstel langs naar Schollenbrug, Dan was 't zomer. Of ze wandelden door de Slatuintjes naar Sloterdijk. Dit tochtje deed Annette graag mee. Zij ging, in droomen verloren, de smalle weggetjes langs met de wilgen aan den slootkant, en zag zich loopen, zelf een kind nog, met haar moeder hier.
Er was één ding in het leven waar Jetje een schrik voor had: een hardlooper. Als zij gerinkel van belletjes hoorde op de stille gracht, een snellen regelmatigen zachten roffel van voeten op de steenen, de in kleurig tricot gekleede gestalte zag, dan vluchtte ze, in een haar zelf onbegrepen angst.
‘Waar ben je toch bang voor, Jettekind?’ lachte Frederik.
‘O vader, dat hij over mijn hoofd zal springen!’
‘Maar wat dan nog?!’
Dat kon Jetje niet zeggen; ze kroop bij de gedachte in elkaar van afschuw. Dikwijls ook hadden vader en Jetje ernstige gesprekken. Ze had eens op school een versje geleerd van een ouden vader, die slecht door zijn kinderen werd behandeld.
‘Ik vind dat een akelig leelijk versje!’ zei Jetje en schudde haar blond hoofd. ‘Ik word er zoo bedroefd van.’
Ze zweeg een poos, pakte dan opeens vaster zijn arm:
‘U en moeder hoeven nooit bang te zijn. Als ik groot ben, zorg ik voor jullie.’
‘Ja mijn schat.’ Hij glimlachte, dacht: ‘Dan ben je ook getrouwd en weg.’
‘Dan ga ik werken en verdien voor jullie.’
‘De hemel bewaar me,’ dacht hij. Zijn dochters werden goddank normale getrouwde vrouwen. Den laatsten tijd drongen waarachtig in alle vakken de vrouwen binnen. Bij de post en telegrafie notabene! En die malle Truida Leedebour had zitten betoogen onlangs dat vrouwen stenografie moesten leeren - dat daar een groote vraag naar was.
Op zijn kantoor nooit! dàt ontbrak er maar aan.