TEGEN Kerstmis werd het huis der Craetsen plotseling weer vol. Philip kwam thuis, begin December, bruin, forsch en gelukkig.
‘Waar is Klein? Waàr is Klein - och lieve Klein, daar is ze - daar heb ik haar.’ En Annette klemde zich aan den grooten jongen, haar gezicht overstroomd van tranen. Al haar angsten, haar bange droomen, haar verlangen, het prentje in haar naaidoos - het week alles terug in een nevel van onwezenlijkheid. Philip was thuis. Alles ineens zonnig en blij.
Maar ook Frits kwam naar huis. Stond er plotseling midden in de kamer met zijn koffertje in zijn hand in zijn bruin pak - niemand had Frits Craets ooit anders gezien dan in 't bruin - zijn kleine donkere oogen alleen wat verradend van zijn diep gevoel. Frits, die onmiddellijk op zijn eigen plek naast de kachel zat met Sjukke die oud werd en Bengalen die knorrig een beetje plaats maakte; zonder een woord over Hamburg, Aschendahl.... slechts met zijn eigen dwaze opmerkingen over de gebeurtenissen in huis.
En Annette lachte. Zij lachte plotseling zooals zij in lang niet gelachen had. Philip verwende haar, maar met niemand dan met Frits kon zij zoo lachen. Want de laatste weken was zij meegesleurd door Sophie in de geweldige bedrijvigheid om haar aanstaand huwelijk, haar huis, haar uitzet. En zoo heel anders dan bij Fransje ging dit weer. Sophie wist alles zoo goed, beter dan zijzelf eigenlijk, die daarbij soms afgetrokken werd in eigen gedachten. Sophie, die zich in haar bruidstijd zoo overweldigend practisch ontwikkelde.
Bij Francine had haar verontrust de oppervlakkigheid, de weinige belangstelling voor het nieuwe home. Bij Sophie was alle werkelijke belangstelling voor haar eigen oude thuis verslonden door hettoekom-
stige. En wat Annette bij Fransje eenmaal een tekort had geschenen, dat voelde zij nù plotseling als warmte en gehechtheid. Ze dacht er niet aan Sophie mee te nemen naar het oude bovenhuis op de Weteringschans, dat zelfs Jetje zoo goed kende. Zij behoefde ook met Sophie niet te praten; want in Sophie was geen twijfel. Goddank. Sophie had haar niet meer noodig, zóó was de man haar de eerste, de eenige. En niet als haar zuster droomde Sophie in haàr huis over ‘thuis’. Maar in een hoogen heiligen ernst keek zij alleen nog maar naar haar eigen weg met Hartonius.
‘En niet moeielijk ook viel haàr het scheiden,’ dacht Annette. Tot het laatst toe echter bleef Sophie in 't ouderlijk huis bezig; bezorgd, overtuigd dat veel in 't honderd loopen zou als zij eenmaal weg was.
Voor Frederik verliep deze bruidstijd zonder de vreezen die hij bij Fransje gekend had. Vroolijk en gelukkig was het kind, en Jacques een beste kerel, wien hij zijn mooie Sophietje in volkomen gerustheid gaf.
In deze dagen joeg nog een andere, een gansch nieuwe emotie door de familie: Frits' verzen die gunstig door de critiek ontvangen waren. Er werd gesproken van een zeer jeugdig dichter, die met een bizondere visie en kleur deze verzen gewijd aan een vrouw had geschreven. Een Roos van Saäron deed in spanning uitzien naar volgend werk.
Er werd ook gewezen op het verschijnsel, dat deze plotseling een der meest beteekenende jongeren, zich afwendde van de Nieuwe Gidsers, die het op den top gedreven individualisme huldigden - in hun gezochte woordkunst slechts beoogden eigen gevoel op eigen manier weer te geven en zich in grandiose verachting om het lezend publiek niet bekommerden.
Deze tijd nu ebde weg. De jongeren keerden zich weer tot de gemeenschap - gaven zich rekenschap dat zij schreven voor anderen, en wenschten begrepen te worden. En deze jonge dichter sprak een vrouwenziel uit in absoluut begrijpelijke zuivere taal, in een schijnbaren eenvoud, maar waarin een diep innerlijk doorproeven van de geheimste roerselen besloten lag. Een enkele vond hem daarom geen dichter, meer een psycholoog - vond dat hij te weinig aan woordschoonheid gaf; wees naar Hélène Swarth, Kloos, Gorters Mei.
Maar Een Roos van Saäron bleef staan in het middenpunt der litteraire aandacht, en werd vooral in de kringen der jongeren gretig gelezen.
In de familie bracht het een lichte opschudding. Niemand had zich tevoren gerealiseerd dat deze uitgave iets wereldkundigs zou worden. Francine stuurde trotsch recensie op recensie naar de Keizersgracht.
Zij las de verzen met haar vriendinnen en vrienden, vol glorie om den dichter-broer. Maar als Francines vriendinnen, dwepend om het interessante geval een dichter te kennen, met hem over zijn verzen wilden praten, gaf Frits geen antwoord; zat hij met zijn dof bol-bleek gezicht, zijn korte gezette figuur te zwijgen, zonder evenwel weg te gaan uit een sfeer die hem om de een of andere reden behagelijk was.
De mooie kritieken ook waren hem geen echte vreugde. Waarom hij de verzen eigenlijk had willen uitgeven, begreep hij al niet meer. De droom was hem ontgleden, en wat dat kleine, witte, koude boekje nu nog inhield, leek hem vreemd geworden en onverschillig.
De tantes heetten gechoqueerd door de verzen, maar eigenlijk was het alleen Louise die ze niet fatsoenlijk vond: ‘Er stonden dingen in die je niet noemde.’ En 't was wèl heel erg dat hij dat alles onder zijn eigen naam had uitgegeven. Zùlke verzen. Vroeger waren er andere verzen: De Schepping van Ten Kate - de verzen van Immerzeel.
‘Vrouw Magdalis brak nu haar laatste stuk brood.’ Dat was een heerlijk, aandoenlijk gedicht. Edel van gedachte. Maar die tegenwoordige zedelooze lectuur - die romans. En dat hùn naam daarin gemengd werd....’
Ze was bij Frederik gekomen in het late middaguur, en had na wat aarzelen de vraag geuit die haar hoog lag:
‘Wat moet dat nu met jullie Frits, Frederik?’
‘Ik weet het niet, Louise.’
Zij zweeg even, want zij zag plotseling de diepe zorg, die het blijmoedige in zijn gezicht een oogenblik wegvaagde.
‘Wéét je het niet?’
‘Neen. Ik weet het niet?’
‘Want als hij dien.... artistieken kant uit wil - zooiets is immers nog nooit voorgekomen in onze familie!....’
‘Neen.’
Hij zweeg. Ondanks zijn eigen muzikaliteit, zijn liefde voor litteratuur - die vreemde loot op zijn eigenlijke Hollandsch bekrompen zakenmans-natuur - deed het hem goed zijn diepste opinie te hooren verkondigen in Louises afkeurend oordeel. Hij had misschien nooit ten volle beseft hoè ver Annettes gevoels- en gedachteleven van het zijne stond. Zijn groote liefde voor haar had het eenvoudig nooit erkend of aanvaard. En op het moment dat hij het besefte vocht onmiddellijk zijn verweer er tegen in:
‘Je kunt een menschelijk wezen nu eenmaal niet dwingen. Mijn zaak is voor Pieter, de anderen willen niet. Maar ja, wat het dan wèl met Frits moet weet ik ook niet.’
Zij zwegen te samen; zij statig, zwart en oud al in den leunstoel, hij nog jeugdig blond tegenover haar.
Eindelijk vroeg Louise:
‘En bij Fransje gaat het goed?’
Hij wachtte. Toen zei hij:
‘Louise - ik wou dat Fransje een anderen man had.’
Het was meer dan hij ooit zelfs tegen Annette erkend had. Het was hem een verlichting zich te uiten tegen zijn zuster, de eenige die van kindaf met hem verbonden was geweest. Hij ook alleen zag Louise anders dan alle anderen. Niet als de oude tante, die hoogmoedig op haar standsvooroordeelen vegeteerde - niet als de femelaarster met alle deftige vriendinnen en dominees - niet als de heerschzuchtige bekrompen meesteres in huis. Hij alleen was blijven zien wat nòg diep in haar leefde - niet te vermoorden, maar misvormd, verbogen en verkleurd; de mooie zuster, die als een teedere moeder eenmaal voor hem had gezorgd, die hem nog liefhad met de oude vurige liefde.
Het was donker geworden toen zij eindelijk opstond.
‘Nu adieu Frederik. Je weet, dat ze erover praten om onze Beurs te sloopen en een nieuwe te zetten?’
‘Ja, dat heb ik tot mijn ergernis gehoord.’
Hij liet haar uit, en keek haar even na over de leege stille gracht. Een hooge zwarte gestalte, gaande met ongelijke groote stappen, het hoofd op een eigenaardige manier gebogen als tegen een fellen wind.