terug  begin  verder
[p. 493]

XXVIII

SOPHIE en Hartonius hadden hun eigen huis betrokken. En al dadelijk merkten Annette en Frederik het groote onderscheid: lang niet zoo dikwijls, zoo gretig en verlangend als Fransje zocht Sophie den weg naar haar ouderlijk huis. Stralend van voldoening ging zij geheel in eigen leven op, in een spanning alles in haàr huis volmaakt te doen zijn. Niet als bij Francine, waar haar critische oogen iedere leemte, ieder verzuim hadden onthouden, zou haar interieur zijn. Zij wilde haar huis voor haar man maken tot iets volkomens; en hongerig bijna wachtte zij daarvoor in alle kleinigheden zijn waardeering, zijn lof. Met allen eerbied ook voor zijn werk stelde zij haar eigen leefregel vast: in huiselijke dingen wilde zij hem in alles ter wille zijn, dat hij zich geheel aan zijn praktijk kon wijden. Maar daarvoor zou zij hem dan ook in zijn vrijen tijd onbegrensd bezitten.

De jaloersche liefde, die haar altijd had bezeten, stak eerst fel op sinds zij Hartonius' vrouw was. Een liefde zich uitend in voort durend gespannen aandacht voor zijn belangen, maar daarvoor tegelijk terugeischend zijn volle toewijding aan haar persoon. Annette met scherpen blik, bedacht dikwijls als zij Sophie zag, volkomen verzonken in haar ontelbare kleine zorgen, dat zij nooit als jonge vrouw zooveel gepeinsd had over Frederiks belangen, en er toch een inniger band tusschen hen geweest was. Want dit merkte de moeder snel en juist op:

Hartonius' werk had hem heel spoedig na zijn huwelijk heroverd. Zijn vrouw kwam in de tweede plaats. Hij was zacht en vriendelijk tegen haar, en nog wel verliefd als hij haar in haar gracieuse donkere schoonheid tegenover zich zag, of haar speelsche ondeugende bijdehandheid hem bekoorde met de oude charme. Maar ten slotte was dezen man, met de vreemde diepe melancholie zijner in den grond

[p. 494]

onoverwinnelijke ziel, werk de groote levensbehoefte. Na de eerste maanden wist hij datgene wat hem tot een laat huwelijk toch nog gedreven had - een korte passie - gedoofd. Was in hem slechts over de dankbaarheid om een ordelijk gezellig thuis, een geduldige teederheid voor haar jeugd en haar liefde. Wat hij hoopte en verlangde: een gezin, kinderen - deed hem zijn leven met haar leven in die zachtgestemde aanvaarding, welke zich voor zijn werk in de maatschappij geen enkel beletsel in den weg liet leggen.

En al heel gauw ondervond Sophie dat hij nooit een van zijn gewoonten onderbrak voor haar. Dat hij boven op zijn kamer onverstoord bleef doorwerken als hij haar beneden wist wachten met de thee. Dat hij ook daarna haar koele gegriefdheid niet eens opmerkte, kalm zijn gang ging zonder eenige belangstelling voor haar stemming.

Sophies gevoelige trots kreeg in die eerste maanden van haar huwelijk een knak - het geluk om haar liefde werd getemperd. Er kwam een lichte scherpte in haar bleek gezichtje. Maar zij klaagde niet. De intimiteit die korten tijd bestaan had tusschen Francine en haar was al lang weer verflauwd, en het scheen dat alleen de oudste zuster het als een gemis ondervond. Sophie achtte het nauwelijks en Francines spijt drong niet tot haar door. Alleen dat Hartonius duidelijk Francine graag lijden mocht, merkte zij met de jaloezie, die haar al wat hèm na stond met vijandige achterdocht deed beschouwen.

Annette zag de beide jonge gezinnen, en beide gaven haar zorg. Op Fransje was zij nooit gerust. Eens op een middag onverwacht komende, ontmoette zij bij Francine een neef van Hartonius, die getuige was geweest bij Sophies huwelijk - en zij vond tusschen die beiden een vrijen toon en intimiteit die haar choqueerde. Toen hij weggegaan was, door Annette uiterst koel en uit de hoogte gegroet, vroeg zij Fransje ronduit ernaar.

‘Frans, ontvang jij heeren als je man uit is?’

‘Kijk! Moeder komt op voor Jans belangen!’

Fransje stak haar kleinen fijngeschoeiden voet uit - en zei toen, innerlijk verlegen want zij kon niet tegen dien toon van moeder en haar manier van kijken:

‘Och - 't is een geschikte jongen. Waarom zou hij niet hier komen? We praten samen over litteratuur, hij leest me voor. Ik zit hier toch ook maar op een dorp.’

Ja - Fransje verveelde zich, dat was het. Soms kwam zij 's morgens al met het jongetje in den wagen binnen bij Sophie, liet hem in den keurigen netten tuin spelen. Dan gluurde zij door de glazen deuren

[p. 495]

in Jacques' kantoor, tikte speelsch tegen de ruiten - tot hij opkeek, lachend groette en naar buiten kwam om een oogenblik met den kleinen Frederik te stoeien. Praatte dan gekscherend met zijn blonde schoonzusje dat hij heel lief vond - en ging na een poos weer naar binnen.

Fransje fleurde ervan op; ze lééfde op mannenhulde. De voorkomendheid van een bewonderenden tramconducteur kon haar dag goed maken - een scheldwoord van een straatjongen bedierf haar plezier. En zij babbelde vroolijk tegen Sophie, die niet veel terugzei, de donkere oogen klein genepen over den zonnigen stillen tuin - en bedacht hoe Jacques voor Francine uit zijn werk was gekomen....

Dàn ging Fransje naar de Keizersgracht en bracht er 't heele huis vol zon. Vader omringde ze met haar liefkoozende innigheid die hem zoo gelukkig maakte, Pieter en Jetje deed ze lachen om haar verhalen over het dorp - met moeder haalde ze in den middag herinneringen op.

‘Weet u nog hoe u Philip en mij bij Oma bracht?’

Annette knikte. Frans had alles zoo goed onthouden. Zij zag, terwijl haar eigen kleinkind bij haar speelde, zichzelf de stoep opkomen van het kleine huis en haar moeders vroolijk gezicht met den blauwen bril voor het venster knikken. En zij hoorde de hooge verheugde stem: ‘Dàg mekind!’

 

Toen was er plotseling voor Francine een afleiding die haar verveling tijdelijk verjoeg: Melgers had een automobiel gekocht en met zijn Daimler deed hij, Fransje naast zich, zijn eerste tochten.

Frederik was er woedend om geweest. Hij had Annette en Jetje beslist verboden te gaan in dat ontplofbaar ding - je kon evengoed op een vat benzine gaan zitten - hij wenschte niet zijn familie uitgeroeid te zien door de dwaasheden van een schoonzoon. Maar 't kwaadste werd hij, toen Melgers, niet tevreden met de opschudding die hij veroorzaakte over 't IJ met zijn ‘helsche machien’, waar zijn eigen boeren hem afvielen omdat hun beesten ervan op hol sloegen, en de andere dorpen hem vijandig beschimpten - door Amsterdam kwam rijden.

Het werd een heele optocht; de hoofd-inspecteur van 't vervoer reed mee, voor en achter een politieagent. Zoo reed Jan Melgers door de nauwe Kalverstraat, den Heiligen Weg langs, de Heerengracht op. Straatjongens, belust op 't nieuwtje, draafden er achter aan - gedrang ontstond in nauwe straten, op de grachten....

Frederik Craets, met oom Pieter van de Beurs gekomen, stond op zijn stoep toen de victoria, met Melgers lachend en rood aan 't stuur, in zicht kwam.

[p. 496]

Frederik bleef stom van kwaadheid. Zijn schoonzoon die met zijn krankzinnige liefhebberijen volksoploopen veroorzaakte! Hij stak zijn stok op bij wijze van waarschuwing dat hij stoppen zou - maar Melgers groette gemoedelijk, joviaal, van geen kwaad bewust - en puffend, toeterend reed het nieuwe vehikel de oude deftige gracht af, die de toe-sleedjes gekend had en niet gedroomd ooit van een andere beweegkracht dan het vanouds beproefde paard.

Annette voor 't raam, opgeschrikt door het gejoel, kreeg het gevoel dat zij droomde.

‘Waar - waar is het paard?’ stamelde zij dwaas.

En Frederik binnenkomend zei barsch:

‘Er is geen paard. Er is alleen maar een ezel.’

Zijn tijd, zijn geld, zijn prestige verprutsen, dàt alleen kon deze schoonzoon, Fransjes man - en waarschijnlijk in stukken en brokken thuis gebracht worden binnenkort.

Maar Francine, haar familie trotseerend, reed al gauw mee op grooter tochten. Ze had den pioniersarbeid verricht op de fiets, wat al de Noord-Hollanders een onzedelijk vertoon vonden - ze tartte nu moedig de scheldwoorden, de steenen, de razernij van de boerenbevolking. Zonder vrees zat het ranke figuurtje van de jonge burgemeestersvrouw hoog op het helsche ding.

‘'t Is zonde en schande - een getrouwde vrouw, een moeder van twee kinderen!’

‘Ah!’ Fransje genoot van het opzien dat zij wekten, als zij in een café of restaurant aankwamen, alles uitliep. Vijf-en-twintig kilometer op zijn hoogst liep hun auto, en als het hard woei, op vlakke wegen, moest je bukken anders ging het tegen den wind niet op. En zij vertelde niet op de Keizersgracht hoe zij soms onderweg bleven steken, smadelijk door een groot boerenpaard naar huis getrokken werden.

Toch - in hun eigen gemeente en ondanks hun buitensporigheden - ondanks hun gemis aan ernst - waren de jonge burgemeester en zijn vrouw niet onbemind. Want Francines guitige vroolijkheid, haar hartelijkheid weerstond geen stuursche boerin; en vrij goed zeilde Melgers met zijn gemeenteraad door de niet zeer veel van zijn intellect maar meer van zijn natuurlijken tact eischende functie. Nog het minst verdroegen zijn boeren den schimp van de andere dorpen uit de streek.

‘Is die gek, die met zoo'n duivelsch ding rijdt, die wagen zonder paard - is dàt jullie burgemeester? Een mooie burgemeester! Ze mosten 'm ophangen. Bij òns komt hij niet dóór. Ik zet mijn wagen dwars over den weg.’

terug  begin  verder