MET Paschen - een late zomersche Paasch - had tante Sophie de heele familie in Bussum gevraagd op Mon Désir. Zij warmde zich in dat familiebezoek, al wist zij heel goed dat niet allen het onverdeeld genoten. Zij zag Frederik altijd een beetje ongelukkig langs de paadjes van den tuin dwalen en drentelen - en Louise en Adolphine legden ook in de waranda hoed en mantilles niet af. Maar Annette liep gelukkig en vrij met Jetje naar de hei en samen zaten ze er op het bankje uit te kijken. 't Duurde niet lang of Frits lag in hun buurt.
‘Wij ook zoo'n huis hè moeder?’ zei Jetje.
‘Ja kind - maar vader vindt buiten zoo naar.’
‘Wat 'n zonde,’ verzuchtte Jetje, ‘verbeèl je!’
Maar 's middags was het in de groote kamer met openslaande deuren naar het zonnige terras van een stadsche gezelligheid. Oom Pieter zat er met Frederik en zijn zoons, bepraatte de nieuwtjes van Amsterdam. Daar hield oom Pieter van. Dat was zijn staf, dat was alles wat bij hem hoorde, jonge kerels....En hij weidde uit over Tivoli in de Nes dat afgebroken werd - wat een aardige avonden hadden zij er lange jaren gehad! En tante Sophie met het vrouwelijk deel der familie maakte voorraad voor de komende weer stille dagen van al wat er gesproken werd.
Annette keek naar Francine, zoo vroolijk en jong en lief; maar zoo voyant gekleed. En zij had zich gepoederd - er was ook iets met haar oogen. Geverfd? Goeie hemel, dat dééd toch geen fatsoenlijke vrouw. En wat was het nog altijd met dien Brouwer Frank, dien onuitstaanbaren kerel dien zij eens de deur had uitgekeken.
Annette zuchtte - zij had al tweemaal opgemerkt, dat ook de tantes, dat oude tante Sophie bevreemd naar Francine keken. En dan, als een oase, zag zij Sophie, zoo onberispelijk keurig, zoo ingetogen
en met iets heel zachts, ook tegen Hartonius, tegen wien zij wel eens heel bijdehand kon wezen - zij meende Sophies geheim al te begrijpen. Maar Francine.... Francine was vroolijk. Zij zag hardnekkig aan haar moeders oplettenden blik voorbij. En Melgers zag zij heelemaal niet. In de zes jaren van haar huwelijk wist zij nu, dat Jan naar geest en ziel haar niets vermocht te geven, dat alleen zijn sterke passie haar eigene nog vermocht mee te sleepen soms; maar dat diep innerlijk de honger bleef, die na de eerste wilde bevrediging zich in verlammende begrijpende teleurstelling had doen voelen.
‘Ergens in de wereld moest het toch zijn - ook voor haàr,’ peinsde Francine, ‘de eene die je alles gaf, die alles in je stilde.... die al de surrogaten, de korte flirtations en de spoedige verveling daarna, ophief - waarbij je geen verlangen meer kende dan het eene: rustig thuis te zijn en te denken en te wachten tot hij weer kwam. En niets anders.’
Na Sophies huwelijk was de jonge Brouwer Frank aan huis blijven komen. Een artistieke fijnproever, die haar geest wist te boeien. Hij las haar voor de verzen van Beaudelaire, deed haar de jongere Franschen kennen. Francine Melgers greep dien geest met den haren vast. Hij was een dertiger, die het uitzonderlijke zocht - ongetrouwd, rijk. Het frivole vrouwtje, dat soms plotseling zoo duidelijk toonde de verveling waaraan ze leed, met haar lobbes van een man en haar twee kinderen in dat IJdorp - die Fransje Craets, zoo hopeloos uit den band springend van in-fatsoenlijke samenleving - dat heel mooie vrouwtje prikkelde hem tot een avontuur.
Francine, in de uren dat zij samen zaten, voelde helder zijn dwingenden wil - het was haar een lichte wellust dien op zich te laten inwerken, hem zich te verbeelden sterk, bij machte haar te nemen in een zwijmel van bezit. Bij machte.... maar zij was er ook nog. Zoo makkelijk gaf zij zich niet gewonnen. Daarvoor was 't spel ook te vermakelijk.
Frederik zocht zijn oudste dochter op voor een wandeling. En onderweg zei hij:
‘Frans, wat is dat voor een kerel met die lion-oogen, waar ik je laatst mee zag.’
‘Vader - mijn vriend Brouwer Frank meent u?’
‘Wat moet jij nu met zoo'n vriend, schaapje?’
‘Ja, dat vind ik óók erg, dat ik er een vriend bij moet hebben....’
Hij moest even lachen ondanks zijn bezorgdheid, om haar ondeugend pruilende oogen.
‘En mekind, wat heb je op je gezicht? Meel? Je geeft toch niet af als je me zoent?’
Nu lachte ze niet meer. Ze liep los aan zijn arm als een bestraft kind naar den grond te kijken.
‘Ik vind je niet lief tegen je ouwe Frans,’ zei ze eindelijk, en er stonden tranen in haar oogen. ‘Je hebt eenmaal beloofd me nooit af te vallen.’
‘De hemel bewaar me dat ik dàt doen zou....’
‘Nu dan! Laat me dan mijn beetje plezier....’
‘Maar lieve schat - wat een macabre plezier! Doe voor mijn part een reis naar Egypte - of klim in een luchtballon....’
‘Je ging van puren angst onderaan hangen....’ lachte ze, zijn arm knuffelend.
‘Maar zoek 't niet in flirten met zoo'n onsmakelijken gelen vent, met gouden hoektanden en een adamsappel.’
Ze zweeg een poos. Dan:
‘Je bent tòch lief hoor. Nu zal ik u een mooi verhaal doen van uw oudste kleindochter. Dat kind....’
Hij luisterde naar een verhaal - ‘een verhaal als duizenden doodfatsoenlijke, brave, trouwe moeders van hun kinderen weten te vertellen,’ dacht hij. En hij liep al langzamer en de zorg luchtte op...
't Kon zóó erg niet wezen....
Het had iedereen getroffen, zoo vermagerd Adolphine was. Kleiner geworden scheen ze, in elkaar gekrompen, en ivorig gespannen de huid. En op een oogenblik, laat op den dag, vond Annette haar alleen in den koepel, starend voor zich heen over de groote laan - voorovergebogen in peinzende afgetrokken aandacht.
‘Zit je hier zoo alleen Phine?’
‘Ja.’
‘Scheelt er wat aan?’
‘Neen. Ik zit hier maar.... Je ziet hier zoo in de verte.... alles voorbijgaan....’
‘Ja....?’
Adolphine zag haar aan met een eigenaardigen blik. Annette wachtte tot zij verder spreken zou, maar zij zweeg weer. Stond dan op, even zich vastgrijpend aan Annettes arm. En Annette voelde de kou van die vingers door haar mouw heen.
‘Louise,’ zei Annette 's avonds in den trein, met haar schoonzuster in een andere coupé, ‘tante Sophie en ik gelooven dat Adolphine niet goed is.’
‘Phine? Hoe kom je daar bij? We zijn altijd gezonde menschen geweest.’
‘Maar zij ziet er heel slecht uit.’
‘Dat zie ik niet. Zij eet en drinkt toch gewoon.’
Louise keek het raampje uit in den donkeren avond. Voor haar geest rees op, wat zij niet wilde zien al sinds weken: soms Adolphine tegenover haar, ingezonken over haar handwerk, de oogen gebluscht. Adolphine, vreemd langzaam de trap oploopend....
Hardnekkig sloot zij de oogen. Leunde het groote donkere hoofd terug tegen het rood fluweel - haar heele houding van een ongenaakbaren afweer.
In de volgende weken ging Annette meer naar de Hartoniussen. Zij vond er in de tuinkamer Sophie die haar vroolijk begroette, en onder wier vlijtige handen de nette stapeltjes groeiden. Zij wees het alles haar moeder, maar zij vroeg nooit iets. Zij wist alles, was van alles op de hoogte: wàt baby's droegen, wàt precies noodig was....
Als Hartonius binnenkwam, gingen Sophies donkere oogen naar hem met die plaagzucht, waarachter ze haar groote liefde voor hem, uit een ingeboren schroom, altijd verstoken hield. Hij glimlachte, ging in op haar gewikst vroolijk praten - liefkoosde haar even - alles met iets vermoeids dacht Annette. En haar oogen gleden snel van Sophie weg, vreezend datzelfde begrip bij haar te ontmoeten.
Ook Francine kwam, vol belangstelling, in een warme hartelijkheid bij haar zusje. In dezen tijd was opnieuw een vertrouwelijkheid tusschen hen gegroeid; Sophie gaf zich lichter dan aan haar moeder, over aan Francines ervaring op dit punt. En Hartonius, als hij laat binnenkwam soms, vond er nog den vroolijken lach van Francine, en Sophies opgewekt druk gebabbel.
Den laatsten keer was Francine wat afgetrokken geweest. Zonder de stralende vroolijkheid die haar de laatste maanden had opgehouden gedurende gesprekken met Jan, autotochten - huishoudelijke beslommeringen - zorg voor de kinderen.... Alsof alles een feest was. Op eenmaal, onnaspeurlijk, was het getaand - had zij bij een laatsten fietstocht met Brouwer Frank op eenmaal over zich voelen vallen de matheid, welke zij zelf wist de onontkoombare voorbode te zijn van het eind. En nòg iets. De plotselinge zekerheid dat zij weer zwanger was.
Was het dit, dat haar plotseling terugjoeg in de oude baan.... dat haar die onoverwinnelijke verveling, afkeer gaf van deze maandenlange verhouding van verzen lezen, flirten, tochtjes.... een kus soms.... Iets van verfrissching, van natuurlijk leven, scheen haar te grijpen en weldadig terug te voeren naar datgene, wat slechts haar schaarsche aandacht had kunnen trekken de laatste maanden.
----------------
Melgers was voor een automobielwedstrijd naar Nice - en Brouwer Frank fietste den weg op naar het burgemeestershuis.
Het boerenmeisje liet hem binnen in den altijd wat rommeligen salon. Er was niemand.
Hij liep rond in de zoo bekend geworden omgeving - keek in Francines openstaand slordig naaimandje - een boek dat opgeslagen op de sofa lag - staarde ongedurig den tuin in, keerde zich weer om.
Van den wand zag het frissche schoone gelaat van een vrouw in zijden japon - Francines grootmoeder - met Francines groote blauwe oogen en spottenden mond op hem neer.
Eindelijk kwam Francine binnen.
‘Goedenmiddag,’ groette ze kort bij de deur.
Ze was dus uit haar humeur. Dat gebeurde nogal eens tegenwoordig. Per slot was dat Fransje Craets een duivelsch lastig meubel. De laatste weken had ze hem behandeld.... Hij moèst zich eens met haar uitspreken, zóó ging dat niet. Hij was gek op haar, maar als ze hem zóó ontving kon ze hem razend maken.
‘Waarom ben je Donderdag niet in 't Concertgebouw gekomen, zooals we afspraken?’ vroeg hij. ‘Ik heb op je gewacht.’
Ze keek hem aan, met den zweem van hoon om haar mond, dien hij had leeren vreezen.
‘Ik bèn er geweest.’
‘Wat? En ik heb je overal gezocht....’
‘Ik heb met mijn vader en mijn zuster boven gezeten.’
Zijn oogen dreigden.
‘Als je één ding maar weet, beste kind, dat ik me zoo niet laat behandelen! Ik ben Melgers niet!’
Het bliksemde in haar oogen. Bij al waarvoor ze Jan zelf niet hoog aansloeg, minachtte zelfs, duldde ze niet dat een ander - in zijn huis - hem bespotte. Haar ingeboren instinct van trouw werd wakker.
‘Pas op,’ zei ze. ‘Laat mijn man er buiten.’
Hij lachte.
‘Ach ja, 't is waar, je hebt nog een man ook. Dat zou iemand, die je kent, vergeten. Nu kindlief - je hebt het zelf te ver gedreven, dan dat ik me die flauwiteiten zou aantrekken.’
Hij vergiste zich, zooals allen die meenden haar te kennen, zich in Fransje Craets vergisten. Hij had alleen gezien haar brutalen flirt, haar schijnbaar zich om niets bekommerende vrijheid met mannen. En hij vermoedde niet, dat zij in hem iets gezocht had al dien tijd, hardnekkig gezocht, en dat plotseling haar hol en leeg had gelaten zijn intellect. Dat daar nu aan 't eind weer stond de kinderlijke
goede kerel, waarnaar zij telkens terug keerde. En deze hier - was een bezwaar geworden en totaal onverschillig.
Zij wierp haar ranke blanke armen op of zij iets afschudde. En toen lachte ze spottend, kroop even in een rilling van lust over haar rug de bewustheid, dat zij sterker was dan deze man, dat hij met geen bedreiging, geen liefde vat op haar had. Wàt kon hij doen? Haar bekladden, belasteren? Daar lachte zij om. Zij wàs niet te dwingen - door niemand. Nooit.
Voor hem rezen op reeksen middagen, dat hij popelend hier gekomen was, en dat gezichtje naar hem had zien luisteren, geboeid, als hij voorlas, sprak.... en wist haar gevangen te houden met zijn geest. Hij voelde plotseling, dat hij op de een of andere wijze haar verloren had en wist niet hoè.
‘Frans....’ brieschte hij.
Honderden malen had hij haar zoo genoemd. Maar nù hoorde zij erin haar naam van thuis. Zij fronsde gekwetst - en toen hij haar hand greep, sloeg haar andere hem af.
‘Wèg.’
‘Francine!’ hijgde hij, ‘je weet als ik wegga zie je me nooit terug! Ik ben niet zoo een die met zich laat sollen - die met hangende pootjes terugkomt....’
Ze keek hem aan - ijzig als soms haar vader.
‘Gà,’ zei ze. ‘Adieu Jules.’
Hij stond verstomd. Zij ging in den canapéhoek zitten en lachte.
Ze lachte nòg, toen de kamerdeur sloeg.
----------------
Twee dagen later aan tafel keek Melgers, thuisgekomen uit Nice, rood en verbrand, vol van wedstrijd en automobielen, onder de lamp door naar Francine. Zij zat naar hem te luisteren, geanimeerd, als hij haar anders alleen maar zag met anderen. En mooi was ze - hemel wat mooi was zijn Frans toch.
‘Heb je veel bezoek gehad?’ tastte hij.
‘Jetje was er vanmiddag. Ik heb haar een beetje fietsen geleerd.’
Hij zweeg - hij dacht, in zijn liefde voor haar helder, dat het dàt niet was. Hij vertrouwde haar uit zijn eigen aard van fatsoenlijk man, uit zijn achting die geen minderwaardige handeling bij haar kon veronderstellen; maar hij wist bij intuïtie dat in den geest zij nooit bij hem was, dat verlangen naar iets anders haar altijd wegtrok - en het had de laatste jaren de melancholieke troebeling gebracht in zijn vroolijke oogen, die niemand bemerkte. Het was de diepe eenzaamheid, die hem luidruchtig zijn deed om zijn beetje weer langzaam wegzinkende zekerheid in het leven te redden.
Ze had de kleine Mies op schoot genomen, voerde het happende mondje. En plotseling keek ze over het kind hem aan.
‘Ze is alweer een pond aangekomen.’
‘Mijn schattig boerinnetje,’ zei hij, zijn oogen verteederd toegeknepen.
Hij leunde voorover op tafel - naast hem tralade Fred in zijn kinderstoel. De intense huiselijkheid van het tafreel spon hem in, maakte hem gelukkig. Zij dacht, het soepele kleine kinderlijf tegen zich aan:
‘De goède tijden in haar leven als de wieg er stond. De tijden van rust in haar ziel. De oase van rust die zoo'n klein diertje bracht gedurende de maanden, dat zij het herbergde en niets anders verlangde.’