PHILIP CRAETS liep door de volle Amsterdamsche straten. Hij hield van den winter, hij hield van de stadsdrukte - hij was blij weer in Holland te zijn, en wat een bof in Amsterdam. Och eigenlijk was alles best in 't leven hoor! Zijn borst zette zich uit - zijn oogen snel, levendig zochten in de menigte de mooie meisjes, en hij groette telkens, voelde genegenheid, warmte in de naar hem opgeslagen vrouwenoogen.
‘Allemaal lieve kinderen - wel ja, maar hij liet zich nog niet vangen. Die Lucie Melgers was een snoesje, maar een beetje grof toch wel - eigenlijk niet zijn genre. Een vrouw moest fijn zijn; het verfijnde wat zijn moeder had, - dat was toch de grootste charme in een vrouw.’
Op den Dam raakte hij tusschen de Beursheeren. Hij zag zijn vader de trappen van de Beurs afkomen, druk pratend. Pieter een eind erachter. En hij dacht:
‘Dat hij daàr aan ontsnapt was! En nu Pieter daar zóó op zijn plaats scheen, was alles voor vader ook in 't gereede. Want Fritsje...’ Hij fronsde....
‘Met Mootje was 't niks gedaan. Die zat in café's avond aan avond te droomen, of bij Frans - en uitvoeren deed hij geen spat. En Pieter, zoo prikkelbaar en sikkeneurig, was dat een voortdurende ergernis.’
Plots in den overgang uit het zonlicht op den Dam naar den donkeren Nieuwendijk botste hij tegen iemand op. Zei: ‘Pardon’ - wilde uitwijken, toen een goedmoedige wat platte stem zei:
‘Kijk eres aan - hebben we daar niet Philippus Craets?’
Hij stond even beduusd voor een gezicht dat hij niet kende, een mooien grijzen kop; dat volledige Philippus zette hem op eenmaal
terug in oma's huis op de Achtergracht. En verward zocht zijn nooit vlug werkend brein naar den naam van den kleinen man, die heftig aan zijn arm gerukt werd door een jong donker meisje.
‘Toè vader!’
‘Wàt toe vader?! Weet je wel eens wie dat is met je toe vader? Dat is een neef van je! Je kent me niet meer hè? Ik ben Klaas Dorman. Jouw grootmoeder en mijn grootmoeder waren eigen nichten.’
Oma's wereld - oma's meestal vergeten wereld en entourage - viel open. Opeens zag Philip deze figuur uit zijn kinderjaren, misnoegd nagestaard door zijn vader, de trap opklimmen naar oma's kamers. Hij zag hem bij oma's dood: ‘Nou zal ik hier wel niet meer komen - maar vergeten zal ik jullie niet.’
Vergeten neef Klaas. Wie had er nog ooit om hem of om zijn gezin gedacht! Vroeger woonde hij toch ook niet in Amsterdam....
Philip, wat verlegen met het geval, glimlachte maar zijn innemenden zonnigen lach tegen het meisje, dat nog altijd aan den halsstarrigen vaderarm trok.
‘Wat 'n beeldig gezichtje,’ dacht hij, ‘en goeie hemel wàt 'n oogen!’
De vader zag den blik.
‘Zij is onze hulp en troost, want we hebben wat afgetobd in ons leven. Ik heb een attaque gehad, en toen kon ik mijn betrekking niet meer waarnemen. We zijn maar naar Amsterdam gekomen en verhuren kamers. 't Huis vol. Mijn vrouw en Betsy hier doen alles. Ik heb er nog een paar boekhouderijtjes bij - zoo scharrelen we rond en blijven er vroolijk bij. Weljà....’
‘Woont u hier dichtbij?’ vroeg Philip, geheel verzonken in de meisjesoogen - hij moest dat snoetje nog wat vasthouden.
‘Op 't Damrak, 't Water zooals 't in je grootmoeders tijd heette.’ Hij stokte, want een kleine jongen kwam met een vaart op hem toegerend. ‘Pa!’ zweeg toen bot en bleef versteld en vernageld den prachtigen zee-officier aangapen.
‘Ho, dat is onze jongste. Wat is er jong? Dat is een neef, wat zeg je daàr van?’
Philip lachte nu voluit. ‘Dat neefschap uitgebazuind, en de verrukking van het jog, de nu bepaald kribbige verlegenheid van het mooie meisje - hij kreeg er schik in.
‘Ga u mee na huis?’ babbelde de jongen trouwhartig.
Philip werd rood onder den plots gespannen blik van het nog steeds zwijgende dochtertje. ‘Waàr ter wereld hadt je ooit zulke prachtige grijsblauwe heldere oogen gezien onder die zwarte wimpers. Zijn grootmoeders oogen waren zoo groot geweest, maar blauwer.’
‘Kom ja, doe dàt eens! Laten we je eens welkom maggen heeten op den vaderlandschen bodem!’ lachte neef Klaas gul.
Philip boog. ‘Nu heel graag.’
Goden, waar was hij in verzeild! Daar liep hij nu met zijn nieuwe familieleden. Het meisje hield de oogen neergeslagen of haar iets hinderde.
Ze gingen de Zoutsteeg door het Damrak op - waar neef de deur van een smal bovenhuis opensloot. En even later stommelde Philip een donkere steile trap op, stond in een nauw portaal, waar een heesche vrouwenstem om den hoek van een deur verwonderd zacht vroeg:
‘Wie hebben we daàr nou?’
‘'t Komt van de zee, maar 't is géén nieuwe haring - dat hadt je niet gedroomd moeder, dat we je een neef zouen thuis brengen!’ riep Dorman luidruchtig. ‘Zoo'n mooie jas zie je niet alle dagen hè? Dàt is nou Philippus Craets.’
Philip, humoristisch de situatie inlevend, schudde handen met nicht, die hem vriendelijk dwingend loodste naar een andere kamer; inderhaast achter Philips rug haar groot schort afrukte en achter de canapé mikte, wat het heele goedlachsche gezelschap haast zijn fatsoen deed verliezen. En vroeg hem plaats te nemen.
Het meisje leek op haar, maar de moeder was vroeg oud en afgetobd. In het fijne waswitte gelaat, met het krullige grauw-grijze haar keken de oplettende oogen guitig jong hem aan.
‘'t Is moeielijk om een begin te vinden,’ zei ze. ‘Je kunt wel zeggen: zoo zoo, is u in 't land, maar dat zien we wel. En als we u vragen hoe 't op zee was, vervelen we u. Dus hoe vinden we nu een nieuwtje?’
‘Ik vind u allemaal een nieuwtje,’ lachte Philip, en nu lachten ze allemaal plots in een genegenheid naar dien knappen jongen met zijn goed innemend gezicht.
Jopie was hem opzij gekomen.
‘Kan je met die sabel daar, steken?’
‘Nou stellig.’
‘Hèb u d'r wel mee gestoken? Een nikker! Wastie toen dood?’
Philip trok hem tusschen zijn knieën, maakte grappen, tot de jongen als een hondje niet meer van hem af te slaan was. En hij vertelde dat hij zelf nog een zusje van dertien jaar thuis had.
Nicht zuchtte verteederd: ‘Och een nakomertje,’ en dan luisterden ze wat hij verder vertelde op hun vragen, van zijn broers en getrouwde zusters.
Betsy had in dien tijd een karaf met madera en glaasjes neergezet, vroeg met een blosje, wàt hij gebruiken wilde. En toen zaten ze
alle vier met een glaasje madera voor zich op de gladde mahoniehouten tafel.
Het meisje keek met haar groote oogen Philip aan, terwijl hij zat te vertellen. En toen sprak neef Klaas van tante Goldeweijn, van Monnikendam en nichtje Annette, toen die een meisje was.
Er zonk een wonderlijk loome tevredenheid in Philip - een wat vage wazige stemming, die hem maar deed blijven zitten daar in die burgerlijke kleine en toch gezellige kamer, met de goedige menschen en dat prachtige gezichtje in den hoek bij het raam. Of hij zoo maar uren zou kunnen blijven zitten en in die oogen kijken....
Toen hij eindelijk opstond was het al schemer. Hij moest beloven nog eens terug te komen. Maar het meisje zei niets, reikte hem slechts vluchtig haar kleine hand. Die hij voelde in de zijne: stevig, warm, lenig.
Thuis vertelde hij terloops van zijn ontmoeting. Maar toen hij later met zijn moeder alleen was, begon hij er opnieuw over, moest hij vertellen in een onweerstaanbaren drang.
‘Ik heb de menschen heelemaal uit het oog verloren,’ zei Annette. ‘Die neef Klaas - een goede man....’
Philip stond naar buiten te kijken op de gracht. Hij ondervond het als een belemmering en tegelijk als een vreemde bekoring, dat hij zijn gedachten maar niet los kon maken van dat kleine avontuur. Niet laten kon ook om aan een mogelijke herhaling te denken.
Het jaar liep ten einde. Adolphine lag nu in bed. Plotseling was haar toestand zoo verergerd dat Louise Bergema had laten komen.
Hij had het broodmagere lichaam onderzocht - had gesproken van een consult met een gynaecoloog - maar de angstige onrustig knippende oogen hadden hem niet losgelaten - en het paarsig verhit gelaat had schuddend hem beduid: ‘Niet. Niet.’
Beneden had Bergema ernstig betoogd dat hij Adolphines toestand niet gunstig inzag. Louise, kaarsrecht op haar stoel aan de tafel, haar bleeke hand op het roodfluweelen tafelkleed, vroeg:
‘Als zij 's morgens nu wat blijft liggen, kan zij daarna toch wel hier beneden komen op de canapé?’
‘Neen juffrouw Craets, dat is geen patient om nog uit bed te halen. En ik zou u raden een verpleegster te nemen.’
In de groote zwarte oogen schemerde vrees, verzet.
‘Neen, neen,’ zei ze haastig, ‘ik kan haar heel goed verplegen. We hoeven geen vreemden in huis te hebben.’
Zij ging naar boven, keek staande neer op Adolphine, die klein
weggezakt in bed lag. Wondelijk ingekrompen leek Adolphine zoo, die toch gisteren zich nog aangekleed had.... En nòg iets was er veranderd aan haar: langs de slapen vielen twee nog zware donkere vlechten neer tot op haar borst. Adolphines eenige schoonheid, overdag tot een onoogelijk kapsel glad weggeknoedeld.
Louise moest plotseling gaan zitten, haar krakende zijden rokken ritselden naast het bed.
‘Phine -’ haar stem beefde.
De zieke keek moeizaam op.
‘Phine - zoo'n dokter zegt die dingen wel.... maar jij denkt zelf toch ook dat je 's middags wel beneden kunt komen hè?’
Het plotseling zoo vreemd geworden gezicht bewoog langzaam heen en weer in 't kussen.
‘Neen....’
Louise staarde. De kou van eenzaamheid greep haar opnieuw; doordringender.
Tegen Annette zei zij:
‘Caroline moet thuis komen. Een vreemde verpleegster hebben we niet noodig.’
Maar toen ze met Annette alleen was, omklemde Adolphines magere gloeiende hand Annettes vingers.
‘Annette, ik wou zoo graag dat er een pleegzuster kwam. Iemand die begreep hoe ziek ik ben.’
‘Ach arme Phine; ja zeker, ik zal 't Frederik zeggen.’
Het gezicht in het kussen lag stil. Toen braken moeielijk de droge lippen open:
‘Ik heb altijd zoo graag willen sterven. Ik durfde wel. Maar inééns. Ik heb nooit geweten dat het op deze manier zoo zwaar was. Het is.... zoo làng.... en het is zooveel pijn....’
Louises vriendinnen en dominees kwamen en zaten beneden in de voorkamer, praatten troostwoorden tegen Louise. Het dramatische van 't geval droeg haar; deed haar de eerste dagen in een soort verzaligde smart over de pijn heenleven.
De kinderen Craets kwamen nu naar boven, stonden er, de een na den ander voor het wegstervend geel getrokken gezicht, het gezicht van een stokoude vrouw plotseling - stil en bevangen in hun bloeiende jeugd. Tot de zuster een wenk gaf. Een oudere hartelijke vrouw, die aan tante Sophie deed denken; onder pressie van Frederik had Louise toegegeven.
Allen brachten ze een eigen stuk van de wereld daarbuiten mee: Philip in zijn uniform de zee, de verre reizen. Francine en Sophie, jong getrouwde vrouwen, het eigen jong gezin. Bedaarde vriendelijke
Pieter, sombere Frits - mannen, mànnen.... En Jetje het kind.
Naar Frits keek het gezicht in 't kussen lang, peinzend, aandachtig. En een vreemde teederheid begon erin te gloren, iets dat het nooit bezeten had: moederlijkheid. In haar laatste levensdagen roerde zich, wat het verstikt gelegen had op den bodem van haar verdord hart - klom langzaam naar boven, en eischte.
Eischte voor Frits, een eenzame als zijzelf geweest was, die niet paste tusschen de anderen; leelijk was hij ook, leek hij niet op haar....?
Met den notaris had zij haar beschikking gemaakt: Frits kreeg een buitengewoon groot legaat, dat hem in staat zou stellen te leven naar zijn aard en aanleg, onafhankelijk van anderen. Dat hem de mogelijkheid zou verschaffen zijn leven te maken tot iets bevredigends.
Langzaam gleden de dagen naar het einde van het jaar. IJs en sneeuw, die een vreemd wit licht brachten in de ziekenkamer, waar het stille gezicht al kleiner in 't kussen lag. Alleen de donkere oogen monsterden oplettend iedere nieuwe figuur die bij de deur verscheen.
Zoovele - telkens een andere.
Alleen de eene nooit, die niet uit haar gedachten weg was - die naast haar ging in honderd doorleefde momenten. Caroline.
Maar op een oogenblik in de ijlte van lange vervagende uren een stem. Een stem die er wàs - géén droom.
En voor haar bed, op den stoel waar zij haar zoo lang had gezocht, een vreemde Caroline, gezet, rasperig rood in 't gezicht, slecht gekleed in een dikken bruinen mantel en slordigen zwarten rok.
Het gezicht in 't kussen zocht langzaam de vreemde figuur af tot zij weer aanlandde bij de oogen. De oogen, schuchter, blauw, dwalend, waren die van de kleine Carolinetje.
‘Annette zei, dat je me wou zien, Phine.’
Het gezicht keek haar aan.
‘Ik heb zoo naar je verlangd. Ik moest je wat vragen. Caro, ben je gelukkig nu?’
‘Mijn beesten heb ik....’
‘Caro -’ het gezicht hief zich moeielijk iets op, ‘wat zijn we arm hè? En alleen.’
‘......?’
‘En toch was jij niet zoo arm als ik. Jij was niet leelijk. En ik heb ook altijd gedacht dat jij niet die verschrikkelijke verlangens hadtals ik. Geloof je.... ik kan er met geen mensch over spreken, zelfs niet met tante Sophie - gelóóf jij Caro dat het zoo slecht was....’
‘Ik - e.... weet niet....’
‘Neen, we weten niet. Ze zeiden het, ze vervloekten je erom tot je het ook geloofde.... Maar waarom is het mooi en lief en goed als je getrouwd bent, en slecht en gemeen als je.... zoo arm bent. Ik geloof dat alles niet meer nu ik hier lig.’
Zij zweeg een poos. Haar hand lag onder Carolines hand. Een ruwe hand, die de hare streelde.
‘Caro,’ haar stem was heesch, ‘toen jij weg bent gegaan, toen begreep ik dat jij net zoo wanhopig was als ik....’
Carolines hoofd bewoog nerveus onbeheerscht. Het was allemaal zoo weg geweest, - het was zoo onverschillig geworden.... het scheen of het niets meer met haar te maken had. En nu opeens hier Phine die lag te sterven, die dingen zei waarom ze schreien moest, plotseling diep uit haar hart.
‘Caro?’
‘Ja?’
‘Kom nog eens naast me op het kussen, en zeg dan “nacht Phien”, net als toen je nog een kind was en bij me in bed lag.’
‘Nacht.... Phien - lieve Phien....’
‘Ja dat is het eenige goede. Kinderen zijn met mekaar. Nacht Caro, nu ga ik slapen.’
‘Zal ik weggaan?’
Er kwam geen antwoord; en Caroline Craets keek naar het gezicht in 't kussen, geel en bloedeloos als van een doode. Zij zat er nog, onbewegelijk starend in haar dikken bruinen mantel toen Louise kwam.
‘Kleed je uit Caroline,’ fluisterde zij, ‘dan gaan we eten. Phine slaapt.’
Caroline stond op.
‘Ik moet naar huis, daar is niemand die zorgt....’
Louise antwoordde niet. Voor Caroline liep zij de trap af. Maar bij de eetkamer greep zij haar plotseling bij den arm, trok haar de deur in.
‘Hier is je thuis,’ zei ze krachtig en streng. ‘Hier wordt voor je gezorgd. Daàr is je plaats,’ en ze wees bevelend naar de ronde tafel, waar voor twee personen was gedekt.
Maar Caroline deed een stap terug.
‘Ik ben bij Phine gekomen omdat ze sterven gaat. Maar niet om hier....’
‘Phine gaat niet sterven.’
Een ontzetting brak uit in Carolines blauwe schichtige oogen. Die starre onverzettelijkheid tegenover den dood zelfs, deed haar nog eenmaal hier in huis haar bezinning verliezen. Ze werd bleek, haar mond vertrok.
‘Phine sterft! Phine sterft! Phine sterft!’ schreeuwde ze. ‘Je zult zitten aan je tafel met niets dan dooden!!’
De galm van haar stem joeg door het stille huis - Mijntje vloog de keuken uit - boven bij de trap sloop de zuster ontsteld haastig aan. Maar Caroline duwde forsch Louise opzij, snelde de gang in. De deur sloeg dicht.
Louise stond in de kamer en luisterde. Haar knieën knikten toen zij eindelijk zich omwendde, en langzaam zich aan tafel zette.
‘Juffrouw Caroline blijft niet eten,’ zei zij vlak.
Zwijgend, geschrokken, ruimde Mijntje het couvert weg.