DE Kerstdagen waren gekomen, die altijd het huis zoo fleurig maakten met den geur van hulst en dennegroen. Maar ditmaal bleef de stemming getemperd.
Frederik sprak niet over het feit dat geen zijner zusters mee aanzitten zou aan het Kerstmaal, maar zijn gevoelige zachte ziel leefde deze dagen in een eenzame bedruktheid. Hij wist, dat Annette nooit veel van ‘de meisjes’ gehouden had, alleen Carolientje had ze wel graag mogen lijden - en hij viel haar niet lastig met zijn verdriet. Maar hij liep veel alleen de grachten langs in deze sombere stille laat-Decemberdagen en dacht aan hun jeugd - aan zijn zusters, het ouderlijk huis. Hij had altijd wat mannelijk ongeduldig gestaan tegenover hun oude-jufferbezwaren, maar voor 't eerst viel in deze dagen een beklemming over hem om de onvruchtbaarheid dezer drie levens. De kleine zusjes van zijn kindsheid, waarvan de eerste sterven ging. De heele tragedie van haar jeugd stond nog eens voor hem op. Hij dacht aan Caroline ook, en vaagjes beroerde het in een pijndoende onrust hem, of hij niet meer had kunnen doen dan de twee jongsten aan Louises nauwgezette maar kortzichtige zorg over te laten.
Hij ging tweemaal per dag naar de Heerengracht - zat er bij Adolphine, jeugdig en gezond met zijn zes-en-vijftig jaren, en legde voorzichtig een vrucht, een paar bloemen bij haar; of dikwijls ook alleen maar zijn eigen goede blauwgeaderde hand in de hare.
Zij zeide zelden iets. Ze keek naar hem, den broer wiens leven zoo vol, zoo gelukkig was geweest; die naast hùn arme meisjesbestaan zoo onbekommerd zijn fleurig gezinsleven had geleefd. Zij had hèm niets te zeggen. Alleen praatte zij in gedachten met Caroline, haar zuster.
Het woord zuster herhaalde zij in zichzelf soms tijden lang - zuster - zuster.... alsof het een wonderlijk nieuwe beteekenis voor haar gekregen had. Zij wist nauwelijks dat Caroline er zelf niet was - ze leefde heele dagen met haar, als kinderen in 't oude huis in Utrecht.
Kerstdag ging Frederik naar Mon Désir, waar tante Sophie, zwaar verkouden, huisarrest had. In een wollen sjaal gewikkeld, zat ze hoestend met haar doosje drop-uit-den-blikken-trommel voor zich.
‘Het komt alleen van die gure Bussumsche lucht - in Amsterdam was ik nooit verkouden,’ en ze keek verlangend en ongerust den weg op waar oom Pieter rondreed door het Spiegel op zijn driewieler. Hij wou ook met alle geweld dat zij samen op een tandem zouden gaan rijden. Tante Sophie stond, sinds oom Pieter op dit eene punt zoo modern was geworden, doodsangsten uit. Hij botste op zijn driewieler die altijd breeder was dan hij dacht, tegen hekken en karren op, nam bochten te kort, en kreeg het buiten met alle boeren aan den stok, die van den bok vlogen en voor hun paarden moesten gaan staan als er weer zoo'n heidensch ding op den weg aankwam - leverde slag met veldwachters en kreeg een rijken oogst van processen-verbaal. Maar niets deed afbreuk aan zijn enthousiasme. En slechts keek hij benijdend naar een enkelen jongen, die op zoo'n hooge fiets aan kwam stuiven.
‘Ze zeggen, het begint veld te winnen, dat ook meisjes velocipède rijden,’ zei tante Sophie.
‘Natuurlijk. Op lage fietsen dan. Als jouw zusters dat in hun jeugd hadden kunnen doen, Frederik, waren ze frisch en vroolijk gebleven.’
‘Ik vind nu eenmaal niet dat zelfs mijn eigen Fransje een elegante aanblik is op de fiets, met haar opwaaiende rokken en trappende beenen. En oom, het verkeer? Het verkeer??’
Maar oom Pieter zei dat het buiten met het verkeer zoo'n vaart niet loopen zou - en voor de tweede maal in haar leven had tante Sophie het gevoel dat zij en haar man verschillende wegen gingen.
In den trein dacht Frederik aan oom Pieters woorden. Op de een of andere wijze hadden ze hem diep geraakt en lieten hem niet los.
Hij zag er betrokken uit toen hij de kamer inkwam. Annette stond op en ging naar hem toe. Zij begreep wat hem hinderde en waarom hij er tegenover haar niet over sprak. Dat gaf haar een schuldig gevoel. Ze nam zijn hoofd tusschen haar handen en kuste hem.
‘Schat - dit wordt voor jou een droevig Kerstmaal....’
Zijn oogen troebelden. Zelden kwam zij uit zichzelf tot zoo'n liefde-betoon.
‘Wij zijn goddank nog allemaal bij mekaar,’ zei hij zacht.
Zij dacht: ‘Hij kan er niet over praten tegen mij.’
Maar later op den middag zei hij plotseling: ‘Dat Caroline niet meer naar Phine komt! Dat zij niet meer bij ons wil komen....’
‘Het bewijst hoe diep zij moet geleden hebben onder dat familieleven.’
Hij keek naar de kale boomen met de pijnlijke verwondering die 's levens harde dingen in hem wekten.
‘Het moet wel zoo wezen. We zijn toch allemaal goed voor haar geweest naar onze gedachte....’
‘Naar ònze gedachte. Maar met alle goede bedoeling kan je iemand rampzalig maken. En met wat voor jou het afschuwelijkste zou zijn kan een ander ten hemel varen.’
Hij peinsde fronsend.
‘Dàt kan geen mensch dan weten. Het eenige wat je doen kunt is handelen naar je beste weten.’
‘To some good angel leave the rest,’ vulde zij in stilte aan. En och, misschien was wel zijn argelooze overgave het eenig veilig compas in dit soms zoo verwarrende leven.
Maar aan tafel dien middag zat Frederik tusschen zijn beide getrouwde dochters, en de glans om dat geluk liet zich door die andere droefheid niet dooven. En hij was tevreden dat Annette althans op de zaal niet het nieuwtje had ingevoerd van gloeikousjes, die zoo'n ellendig groen licht gaven, waarin ieder ziekelijk bleek werd.
Francine zag er kalm gelukkig uit, - aan den overkant praatte Jan tusschen zijn schoonmoeder en Jetje honderd uit over den storm, die de overkapping van de Amsterdamsche Wielerbaan geheel had weggerukt - over de scheuring die wel komen zou als de A.N.W.B. zich van het ren-wezen ging losmaken - dat Jaap Eden vast van plan was te gaan trainen op de schaats - hoe Gordang zoo feestelijk in Rotterdam was ontvangen door zijn club - dat in Engeland de beroemde trainer Chappy Warburton was gestorven....
Niemand luisterde, behalve Jetje. Francine streed op tegen Sophie over Couperus. In den boekwinkel van De Roos kreeg ze alle nieuwe boeken - zij had Majesteit en Wereldvrede verslonden. Sophie trok de fijne schouders op.
‘Ik heb nu Eline Vere ook gelezen. Een zenuwpatiënt. Hoe iemand over zoo'n mensch een boek kan schrijven! Wat een onderwerp. Dat noem ik toch geen hoogstaande vrouw, die Eline?’
Zij wendde zich half tot haar man die verveeld glimlachte; met het spottende, dat haar prikkelde.
‘Neen, zoo iemand is geen hoogstaande vrouw!’ herhaalde ze met haar schelle nadrukkelijke stem. ‘Is dat soms niet waar?’
Annette spitste de ooren bij dien toon. Ze keek Hartonius niet aan.
‘Dàt wil ik nog niet eens tegenspreken. Maar dat doet niets ter zake.’
‘Niets ter zake?’
‘Neen, dat doet niets af aan de waarde van het kunstwerk.’
‘Hà!’ Francine klapte in de handen.
‘Niet?! Jij vindt dus dat hoogstaand of minderwaardig er niets toe doen in een boek?’
‘We hebben alleen te maken ermee, of dat hoogstaande of minderwaardige zooals jij dat uitdrukt - wat ook altijd maar zeer relatief is - in het boek tot schoonheid geworden is.’
‘Dus jij vindt bijvoorbeeld dat gemeenheid schoonheid kan worden in een boek?’
‘O ja.’
‘Jij - een advocaat! Iemand die het recht dient....’
Haar hooge bijdehande stem irriteerde hem. Verveelde hem vooral zoo. Ze kon hem vreeselijk vervelen met haar slecht onderscheiden, het verdraaien der begrippen in haar domheid. En zij had een spitsvondigheid die zij zelf voor geest en intelligentie aanzag. In die anderhalf jaar was op verbijsterende wijze uit het vroolijke en tegelijk verstandige kind dat hij eenmaal toch in haar had meenen te zien, gegroeid een heerschzuchtige vrouw, die over alles een hoog woord wilde voeren. En hij begreep ook thans niet hoe Sophie in haar vereering en liefde niet verdragen kon, dat hij in haar oogen van zijn hoog standpunt afdaalde door zulke enormiteiten te beweren. Haar aanval was niets anders dan de poging hem weer tot de gewenschte hoogte op te stooten.
Hij zat stil, zag haar ook stil geworden en bleek - en dacht op eens: hoe jong was ze nog. En hoe trouw en goed zorgde ze - dikwijls kon ze op een kinderlijke manier in een élan van liefde verlangen bij hem kruipen, en om zijn liefkoozingen bedelen.
En dan had hij toch van haar den jongen, dien had zij hem toch gegeven; als zij meer kinderen kregen - meisjes hoopte hij - zou zij ook makkelijker worden. Dan was ze niet meer zoo veel alleen, had ze vanzelf bezigheid en gezelligheid, en eischte minder van hem.
Toen ze hem eindelijk weer aankeek, zàg zij de zachtheid in zijn gezicht, en haar hart met al de warme toegewijdheid die het bezat sprong hem tegemoet.... Zij lachte en werd vroolijk en kon grappen maken met Melgers die daar graag op inging....
Jetje, aan den anderen kant van Hartonius genoot. Zij was dol op dezen zwager al trachtte ze pijnlijk eerlijk haar eerste liefde, Jan, niet
te kort te doen. Maar Jacques volgde zij als een hondje. En hij betrapte er zich op, dat hij soms om vier uur even voor 't raam van zijn kantoor kwam staan als zij uit school voorbijging, en wuifde, en blozend lachte en nog eens naar hem omkeek.
‘Zalig hè moeder, al de jongens thuis!’ riep ze en knikte tegen Philip: ‘ik heb je toch zoo gemist zeg.’
Hij lachte, plaagde haar een beetje, zijn kleine zus, waar hij trotsch op was. En tegelijk dacht hij weer aan zijn bezoek bij de Dormannen, en aan Betsy's oogen toen hij van Jetje vertelde.
‘Ja - dat Betsje - dat Betsje.... een schat gewoon.’
Hij tuurde, zijn oogen wat troebel, de tafel langs - de keurige tafel op de zaal zooals zijn moeder die zoolang hij zich herinnerde had aangericht. Zijn blikken gleden over de geschilderde zeegezichten in de wandvakken - de Italiaansche landschappen aan den overkant. En zag de rommelige huiskamer waar hij even in 't voorbijgaan een indruk van gekregen had, en het ijzig nette burgersalonnetje waar zij gezeten hadden. Waarom kon hij zich daar niet van losmaken.... Drommels, hij moest oppassen, hij was verliefd - daar moest hij weer af!
Hij schoot met geweld op uit zijn droomerijen, merkte dat zijn moeder naar hem zat te kijken, hief stilletjes - een apartje - zijn glas naar haar op: ‘Klein?’ Luisterde dan naar Pieter die pas in Parijs was geweest en betoogde dat daar automobielen hoe langer hoe meer veld wonnen. ‘Hier steenigen de boeren je nu nog - vraag 't Jan en Frans - maar dat zal hier ook niet lang meer duren.’
Zijn oogen stonden groot, geanimeerd. Hij wilde een auto. Daar zou hij niet benauwd van worden; daarmee zou hij, vlug en handig sturend, bij niemand achterstaan. Misschien de eerste in Amsterdam. Hij zei het vader niet, die kon de dingen niet uitstaan. Maar hij wilde Eugénie de Montfard ervan vertellen.
Hij zag, terwijl hij schijnbaar luisterde naar eeen gesprek van Sophie en zijn moeder, een lang bleek tenger meisje - te teer en te tenger misschien, met groote grauwe schoone oogen, een fijnen smallen mond. De laatste spruit uit een zeer oud geslacht. Arm - en logeerende van den eenen naar den anderen bloedverwant. Maar hij had geld - en zij had de gratie, de onnavolgbare distinctie die hij zocht. Zij zou een vrouw zijn die ontvangen kon, die aan zijn huis haar gedistingeerdheid zou geven.
Sterk was in Pieter zijn passie-leven bij alle onderdrukking door zijn vaak ziek lichaam. Anders dan Philip wist hij zich, Philip die licht en makkelijk gecharmeerd was - maar snel bekoeld, zonder dieper verlangen, en solide beheerscht leefde. Pieter, gesloten ook in dit,
ging zijn eigen weg. Zijn vader had met hem gesproken, zakelijk cru de dingen bij den naam noemend, zooals hij gesproken had met Philip, toen die van huis ging - met Frits bij zijn vertrek naar Hamburg. Er was in al de drie jongens Craets na een dergelijk onderhoud iets geweest dat hen daarna voor 't eerst met iets bevangens bij hun moeder en zusters deed zitten. Bij moeder vooral met haar onschuldige heldere meisjesoogen.
Eugénie de Montfard, wist Pieter, was niet zijn type vrouw. Kleine donkere zware vrouwen hadden zijn passie gehad. Maar met Eugénie alleen was de vrouw hem verschenen, die volkomen paste in het leven zooals hij zich dat sinds zijn jongensjaren rancuneus en hongerig naar vreugd had opgebouwd in zijn geest.
Hij zat ook te denken dat hij op kantoor telefoon wilde hebben. Vader wou er niet aan, zei dat alle rust uit zijn leven dan weg zou zijn. Nu ja - dat was dan maar zoo - je moest met je tijd meegaan.
En tusschen hen allen zat Frits. Frits in zijn bruin pak, klein, gezet, grauw, zwaarmoedig. Zijn scherpe intuïtie volgde, ontleedde achter al de bekende gezichten aan tafel de gedachten, de gevoelens....
‘Allemaal hebben ze iets,’ dacht hij, ‘wat hun de moeite waard is om voor te werken, voor te vechten, voor te hopen, voor te vreezen. Ik heb niets dat ik de moeite waard vind.... niets, dan hier maar zoo te zitten - en naar hen allemaal te kijken, en te denken zoo'n beetje....’
Frederik was opgestaan - een familie-diner was bij hem niet af zonder toast. En hij deed het graag, zelfs onder den druk van de afwezigheid zijner zusters - in de naïeve overtuigdheid ook van een invloed ten goede. Hij bedankte zijn vrouw voor al wat zij dit jaar weer voor hem en de kinderen geweest was - hij sprak tot zijn dochters en hun echtgenooten over de nieuwe kleine gezichten, die den kring weer voller zouden maken. Hij sprak tot zijn zoons Philip en Pieter die hun weg gevonden hadden, en tot Frits over de hoop dat ook voor hèm het besef van zijn bestemming spoedig klaren zou. Hij herdacht de tantes en zijn hand beefde licht toen hij zijn glas ophief om met zijn vrouw en de anderen te klinken.
Hij dacht hoe Louise placht naar hem toe te komen om met hem te klinken, haar zwarte oogen ernstig dwepend in de zijne:
‘Frederik, broer....’
Hij kuchte - ging zitten.
Fransjes arm was in den zijnen. Ze gaf hem stil een zoen.
‘Schat van een vader....’