terug  begin  verder
[p. 532]

XXXIV

JANUARI schoof de eerste weken in. Stille witte mistige dagen met sneeuw en ijs. Als Jetje naar school ging, keek ze allereerst in bij de Hartoniussen, waar dikwijls Sophie den kleinen Willem voor het raam hield - gleed dan in voortdurende glijbaantjes de kleine steentjes af. Tot ze opeens niet meer gleed, de lage stoep bij de tantes kalm en stil opliep, en zacht belde.

Niemand had haar dit ooit gezegd. Ze ging op haar teenen de trap op, gluurde om de deur van de ziekenkamer; en bracht er een vleug van verschgevallen sneeuw en morgenlucht, verjoeg de donkere verschrikking van den langen doorwaakten nacht. Naar het bed sloop zij, en welig blond, geur van een jong frisch kind, viel één oogenblik om het uitgeleefde perkamenten gezicht op het kussen in den wonderlijk zwaren tooi der donkere haren.

‘Arme tante Phien, die zóó ziek was....’

Uit den nacht, den duisteren langen, wist Adolphine aan Jetje de morgen, de nieuwe dag gekomen. Aan enkele punten hield zich haar denken vast, want niet helder meer wist zij de dingen; en onnaspeurlijk vergleden de uren, licht in donker, eenzaamheid in stemmen, waken in slaap. Vaag bezon ze: dat kwam van de spuitjes.

Naar één wachtte ze nu nog slechts, naar één keek ze uit, die met wonderlijk behendige zachte handen haar hielp. Bergema. Zijn aanraking herkende ze blindelings, onderscheidde ze onfeilbaar van die der zuster. Ze kende den wat sloffenden stap van een zwaar geworden man, zijn hoorbaar hijgenden adem bij de deur waar hij even stilstond. Hij, dat wist ze, was de eenige die begreep, die kende wat zij leed. Soms keken haar gekwelde oogen lang en diep in de zijne, lieten dan in een vaag geluk af. Een veiligheid, een beschermd gevoel voor het

[p. 533]

eerst bij een man - een die niet minachtte, niet voorbijzag - die ernstig zorgvuldig erop bedacht was haar te helpen, die de pijn meester wist te blijven. En naar mate de dagen vergingen, wist ze àl zekerder, al duidelijker, en met een zalig overgegeven vertrouwen: hèm hoefde zij niets te zeggen. Hij wist alles. Hij worstelde met haar samen naar het eind. Als hij er niet was - dan was er de matelooze eenzaamheid. De jonge nachtzuster praatte wat op een aangeleerd lief toontje. De goedige oude dagzuster met opgewekte stem en begrip in haar oogen, bemoedigde, sprak van den zomer.... 't Deed er alles niet toe. Alleen: de oogenblikken die kwamen, onfeilbaar kwamen: zijn hand op de hare - zijn zitten op den stoel aan haar bed - en het weten alles te kunnen zeggen.

Louise zat er lange tijden en staarde naar het gezicht in het kussen dat haar niet scheen op te merken.

‘'t Zou toch niet.... Zóó ziek was Phine toch niet geweest dat ze nu.... dat het nu ineens zoo heel erg leek?’

Ze nam het iemand kwalijk als hij een toespeling maakte. Het donker bewustzijn, dat àls zij toegaf, een afgrond gaapte dien zij niet kon overbruggen. De zuster, den dokter vroeg zij nooit naar iets, maar haar stereotype vraag aan Frederik als hij kwam was:

‘Frederik, jij vindt ook wel hè, dat het niet erger is?’

Hij gaf al dagen geen antwoord meer, drukte zwijgend haar hand. Dan gleed een huiver over haar strakke trekken, en ze liet hem uit met een uitdrukking van gevangen angstig dier in haar groote zwarte oogen.

Zij dacht niet bewust aan de ongemakkelijke canapé en het harde prikkerige kussen - niet aan de rechte stoelen, waarop de zieke gehangen had. Maar een donkere verborgen dwang deed haar een middag toen de zuster uit was haar stijven rug naar Adolphine neerbuigen.

‘Phine,’ fluisterde ze dringend, ‘Phien?’

Langzaam, geroepen door den angst in die stem, gingen de oogen met tegenzin op.

Louise zag om zich heen als zocht zij hulp.

‘Phine - zeg - hòu je van me?’

De oogen hechtten zich, als zogen zij zich vast aan het woord.

‘Ja.... Lou.’

‘Ben ik - ik ben toch goed voor je geweest?’

Het gezicht staarde. Toen brachten de paarse vochtige lippen uit:

‘Je zult.... zoo alleen.... zijn....’

Langzaam gingen de oogleden neer.

Louise zat onbewegelijk. Haar mond was opengevallen als voor

[p. 534]

een kreet, haar handen klemden zich stijf ineen - haar hoofd hing voorover als een te zware last. En ze had het gevoel of, als een doem, achter de gesloten oogleden Phines oogen haar steeds nog met dien-zelfden blik bezagen.

Het was donker toen de zuster binnenkwam - zij er nog zat.

‘O juffrouw Craets! de kachel is uit - het is hier koud....’

Louise gaf geen antwoord. Moeielijk rees zij op en ging naar haar slaapkamer. En drukte, stram haar knieën buigend, haar voorhoofd in de harde gebreide sprei.

Zooveel hadden haar dominees, haar vrome vriendinnen haar gezegd deze weken, spreuken, toepasselijk en stichtend, maar ze kon er zich geen enkele meer van te binnen brengen. Ze trachtte een gebed te vinden: ‘Heer laat Phine niet sterven. Heer, Gij kunt alles, red haar....’ Maar de woorden verwaasden zonder zin, zonder beteekenis, zonder mogelijkheid of werkelijkheid tegenover de zwakke stem, die slechts in mededoogen een antwoord gevonden had op twijfel en zelfverwijt.

 

----------------

 

Tot een morgen kwam, na een langen nacht, dat het vale licht een uitgestreden gezicht ontmoette in den sluiken val der zwarte haren; een lichaam dat zich recht gelegd had op den rug voor eindelijke rust - handen als in open overgave langs de zijden. In de donkere zijkamer zat later op dien dag Louise, den fijnen wit linnen zakdoek in de hand, en ontving er de drommen condoleancebezoeken, die als plechtige ceremonie haar tot een troost waren; ernstig, gelaten kalm, een vorstelijk idool in haar zwarte kleeren, statig recht in haar stoel. En slechts hadden haar lippen gebeefd toen Jetje de armen om haar hals sloeg en in haar kus fluisterde:

‘Arme tante Lou, - ik zal véél bij u komen.’

Niemand van al deze bezoekers had Adolphine eigenlijk gekend. Zij hadden haar gezien: de schaduw van haar zuster. En de woorden in de dompe nauwe suite spraken alle van berusting, kracht tot dragen, aanvaarding, van Louises liefde gedurende zóó langen ziektetijd. Maar de doode zelf, wier verzwegen gevoel luid, lang en wanhopig tegen de wanden geroepen had, leek iets te zijn van even weinig belang als bij haar leven.

Verschrompeld, licht als een kind, was de Adolphine die gekist werd. Mannenhanden beroerden haar het laatst. Bergema die stil nog kwam zien, ernstig neerzag op het uitgeleden lichaam - de timmerman die de maat nam, onverschillig met zijn duimstok even haar wang raakte - de begrafenisondernemer die

[p. 535]

eindelijk het zeer stille gezicht als van een heel oude vrouw van de wereld wegsloot - het deksel schroefde....

 

Caroline was gekomen voor de begrafenis. Zij zat er in haar zwarte japon, door Annette voor haar gekocht - zenuwachtig, onrustig, tusschen de familie, de vreemden, die zij nauwelijks wits te onderscheiden.

‘Phine was dood. - Phine haar zuster - weg. Maar ze moest oppassen dat Louise haar niet houden wou - haar dieren konden geen nacht alleen zijn.’

Tante Sophie zat er bleek en diep bedroefd, en klaagde zichzelf aan. En oom Pieter snoof door zijn krommen grooten neus. ‘Allemachtig beroerd voor Louise - zoo alleen te blijven.... ze moest maar gauw komen logeeren.’ En hij fluisterde met Frederik, die nerveus, mager haast, Louise kuste eer hij den laatsten tocht met Adolphine begon.... Zijn oogen zochten Annette, die trouw zijn blik opving - zoo vol van bloeiend jong leven waren al zijn kinderen die hier de kamers vulden.... Ze gaven hem een ongekend gevoel dichter bij de doode te staan dan bij hen.

Laat in den avond nam Louise kalm afscheid van Annette en Frederik - het aanbod dat een van allen zou blijven slapen had zij afgewezen.

Rechtop ging ze de trap op, na Mijntje goeden nacht gezegd te hebben - langzaam, statig als alle avonden te voren. Tot ze kwam aan de deur waarachter Phine gelegen had - waar zij haar geweten had, zoo verbijsterend veranderd; Phine die, even onbegrijpelijk, van haar was weggegaan.

Nadat ook Caroline was heengegaan....

Ze leunde tegen den muur, starend over de verlaten gang.

‘Phine,’ fluisterde ze onbewust, ‘Phine.... Phine....’

In doodelijke stilte stond de nacht om haar heen. Maar de vrouw in haar zwarte kleeren luisterde verloren naar een verre stem:

‘Je zult zoo alleen zijn....’

terug  begin  verder