terug  begin  verder
[p. 536]

XXXV

HOE snel verdrong het leven de dooden. Kort na Adolphines sterven was er de gebeurtenis in het gezin Craets, die snel aller aandacht vroeg:

Pieter had zich verloofd.

Frederik en Annette waren verrast maar niet ontevreden. Wat fortuin zou Frederik lief geweest zijn in de zaak, maar het meisje met den oud adellijken naam was hem welkom. En Annette dacht in deze dagen nog eenmaal hoe weinig zij van Pieter geweten had. Niet in de ziekelijkheid van zijn kinderjaren - niet in zijn felle eerzucht van grooten schooljongen - niet in zijn plotseling mondain gezelschapsleven van jongen man - niet ook in deze verloving.

Toen zij het meisje zag begreep zij. Deze uiterst verfijnde bleeke spruit van een uitgeleefd geslacht, die met een lieftallige gratie haar begroette, en Frederiks hart onmiddellijk stal door haar distinctie, haar licht amusante conversatie - dit was de vrouw die Pieter gezocht had.

‘Ik geloof dat zij bij elkaar passen,’ zei Frederik. ‘En toch verwonder ik mij.... gelóóf jij dat Pieter verliefd is?’

‘Ik weet niet.... maar één zelfde wensch heeft hen te samen gebracht. Hij wil een mondain leven, en persé een vrouw die daarin past. Zij wilde een man die haar dat geven kon.’

Zij keken elkaar aan.

‘Annètje, je oogen zijn zoo meedoogenloos helder - het is makkelijker om zoo'n stoffel te zijn als ik.’

Over nog iets anders waren Annettes oogen helder: zij zag scherp een innerlijke koelheid in Eugénie; deze innemende lieftalligheid aangeleerd, meer goede manieren dan natuur.

Onbewust van haar schoonmoeders opinie deed Eugénie haar intrede in de familie, tevreden, gelukkig.

[p. 537]

‘Oh, dat eeuwig logeeren, van een tante naar een nicht - van het eene groote buiten naar het andere - altijd het wel lieve meisje dat dankbaar had te zijn, voor wie een huwelijk met hevig verlangen werd tegemoet gezien. Eugénies groote grauwe oogen in het schoon besneden, ziekelijk bleeke gezicht hadden doorzien met verholen spot de vrees van de familie met haar te blijven zitten. Zij kwam, iederen morgen weer, aan een ontbijttafel die de hare niet was, als de gracieuse pop, waarvoor haar oudste oom op den Barnenborg het kleedgeld betaalde. Alleen de juweelen van haar moeder waren haar eigendom.

Eugénie wist: zij moest trouwen, zoo gauw mogelijk. Maar de adelijke families zochten voor hun zonen meisjes met geld - en drie jaar was zij uitgegaan zonder zich te verloven. Nu had zij dezen winter, in Amsterdam bij een nicht logeerende, op een soirée Pieter Craets ontmoet.

Eugénies oogen hadden peilend geblikt in die klare scherpe blauwe, welke verrast haar heele gestalte omvatten alsof zij plorseling een visioen ontmoetten. En op verschillende diners had zij hem weer ontmoet, dezen rijken jongen uit de eerste kringen wel, maar toch slechts uit den Amsterdamschen geldhandel. Alleen zij wist, zijn grootmoeder Craets droeg een ouden naam....

Eugénie zag haar weg. Haar tijd van uitgaan was voorbij - zij kòn niet langer het leven leiden van vriendelijk nichtje uit logeeren. Zij kon óók niets uitvoeren: de gansche beweging der vrouwen die streed voor haàr lotgenooten, ging spottend bezien als iets minderwaardigs aan haar voorbij. Er wàs niet anders dan een huwelijk met dezen Craets, dien, zij in de maanden dat zij elkaar ontmoetten, met haar koelen aard zeer mocht lijden. En toen hij haar vroeg, zei zij onmiddellijk ja.

Een harde onverzettelijke Eugénie vonden de ooms, de tantes, de nichten, plotseling tegenover zich. Die Craets, niet uit hun kringen, - zij hadden van dat meisje nooit veel meer dan displezier beleefd - nu leverde zij hun dit....

Maar Eugénie, koel, klaar, verwikte niet, wilde alleen zoo mogelijk géén volkomen breuk om de toekomst. Wees op den naam dien de grootmoeder gedragen had, op de zeer geëerde positie der Craetsen in de Amsterdamsche handelswereld. En tenslotte zag zij hen zwichten, begreep smalend de beweegreden die zwaar woog: zij wilden wel van haar verlost zijn.

Zoo kwam Eugénie in den kring der Craetsen - een nieuw element dat zich bewegelijk licht wist aan te passen, en achter altijd hetzelfde uiterlijk een eigen leven leefde, waarin niemand binnenkwam.

[p. 538]

Het tweede wat de gemoederen bezig hield was: Frits had zijn erfdeel van tante Adolphine gekregen. Iedereen verwonderde zich. Hield tante Aldolphine zóó van Frits? Hij was niet hartelijker geweest dan een der anderen, en aan hem scheen zij speciaal gedacht te hebben. Niemand, ook Frits niet, raadde wat de belangstelling der zieke vrouw in haar laatsten levenstijd had doen keeren naar den jongen, een eenzame als zijzelf.

In huis lachten Pieter en Philip goedig. ‘Kapitalist, rentenier!’ scholden ze hem goedgezind, en hij lachte mee zijn zeldzaam lachje.

Annette kon niet laten plannen te maken voor Frits - zij bouwde opnieuw. Als Frits nu geregeld aan een tijdschrift meewerkte - redacteur misschien werd - dan zou hij met Adolphines kapitaaltje genoeg hebben voor een bescheiden bestaan. Hij zou dan 't werk van zijn hart toch kunnen doen - misschien wel eens een roman schrijven....

Maar hij verwierp het smadelijk.

‘Schrijven met de verplichting te moeten schrijven was hem onmogelijk. Misschien ook maakte hij wel nooit meer een goed vers. En een redactie was heelemáál niets voor hem; hij zou altijd alles vergeten en verliezen. 't Idee, de duizend prullen te moeten lezen die alle menschen met wel eens een verhaaltje in hun hoofd, een redacteur geliefden toe te sturen. Merci! Een roman?? Beware mij. Zoo iets lijvigs, van langen adem.... Zoo iets had eigenlijk geen recht van bestaan. Alleen 't moment grijpen - dàt was het. Zoodra een emotie uitgesponnen en uitgerekt werd, was het zijn geur, zijn gloed immers làng kwijt!’

Annette schudde driftig het hoofd.

‘Je kunt toch moeielijk beweren Frits, dat al die mooie romans van de groote schrijvers zonder waarde zijn.... Denk eens aan Dickens - aan....’

‘Ik voel er niets voor. 't Kan best zijn. 't Is maar mijn opinie. In alle geval ik kan 't niet.’

‘Maar je zult toch iets moeten in die lijn.’

‘Och dat zie ik heelemaal niet in.’

‘Maar alle andere werk wil je ook niet! Hier op kantoor hang je ook rond.’

‘Ik kan nu eenmaal niet helpen dat ik anders ben dan jullie - dat ik verafschuw wat iedereen zalig schijnt te vinden: werken. 't Is zeker wel abnormaal, maar ik kan het niet. Zoo min litterair werk als iets anders. Ik kan alleen schrijven als ik niet hoef.’

‘Maar wat wil je dàn’

‘Ja.... ik wou dat jullie niet zoo schrokken als ik het zeg....

[p. 539]

ik wou nu maar van tante Phines geld ergens heel goedkoop buiten gaan leven, in een schuur of zoo, op de hei. Dàt zou ik willen. En niets doen. Alleen maar zitten denken. 's Winters voor een vuur, en 's zomers in de zon. En dan kom ik wel eens thuis.... Ik wil alleen een kat bij me hebben met zijn schoteltje melk ergens op den vloer. Zou ik Sjukke niet mee kunnen krijgen? En verder boeken.’

‘Maar....’ Annette haperde. Een diepe ongekende angst sprong haar naar de keel, een angst dien ze nooit vermoed had: om een leven uit haar voortgekomen dat abnormaal zich ging verliezen op vreemde onbegrepen paden, waar zij niet volgen kon. Op dit moment wist zij dat de angst om Philip geleden, om zijn zwalken op die verradelijke zee niets was vergeleken bij den angst om de reizen die deze dwalende ziel veel verder van haar verwijderd ondernam. Dat hier ook niet zou zijn de verademing van een terugkeer; zij altijd ver zou blijven staan en de armen vergeefs strekken zooals in haar booze droomen. En slechts ernaar zou kunnen gissen aan wat vreemde stranden hij landde - in wat voor stormen hij als wrakhout zou worden gekneusd en opzij gegooid.

Want nù zag zij, alle leed dat ging om normaal gebeuren, was het heel erge niet. Maar dit. Een kind van hen, dat in onbegrepen afkeeren en kwellingen zijn jeugd had doorworsteld temidden van een gelukkig gezin. Dat niet deelen kon in hun vreugden en wiens schamele vreugden niet werden gedeeld door hèn. Een jongen, die zich niet geroepen voelde door het normale menschenleven, het mannenleven zooals zij dat gezien had van haar grootvader en vader - van Frederik en Philip en Pieter. Een ziel die alleen maar leven kon in droomerijen, geen liefde en enthousiasme had voor het heden, en naar geen toekomst uitkeek.

‘Maar,’ - het vocht zich los van haar strakke lippen - ‘dat is toch geen leven voor een màn!’

‘Wat noemt u het leven van een man? Ik voel er niets voor om huisvader te zijn met een troep kinderen - het lastdier van 't gezin, waarvoor je dag en nacht in touw moet zijn en geld opbrengen. Met altijd en eeuwig eenzelfde vrouw naast je - zoo'n gezicht waar je mee opstaat en naar bed gaat, dat iederen morgen weer als je tweede ik in den dagelijkschen tredmolen aan 't ontbijt je al zit op te wachten; waarvan je elken trek, elke intonatie, elk gebaar van buiten kent, en vooruit weet wat er komen zal.’

‘Dànk je wel,’ zei zijn moeder.

Hij schrok op. ‘Nu jà - ik dacht niet aan u natuurlijk. Ik praat voor mezelf. In het algemeen.’

[p. 540]

Ze zat stil met een sterk vermoeiden trek in haar klein gezicht. Plotseling stond zij op.

‘Waar gaat u ineens heen?’

Hij keek beteuterd haar na, toen ze vlug, haar wijde rok heen en weer deinend, de kamer uitging. Zij liep in diezelfde vlugheid de trap op, en kwam op haar slaapkamer. Hier ging zij zitten. Zij was diep bezeerd. Haar gezin, haar man en jongens vooral, het was geweest haar klein rijk, waarin ze bevredigd en gelukkig zich koningin gevoeld had. Haar onschuldige heerschzucht werd erin bevredigd, haar bescheiden ijdelheid voldaan. Critiek had zij van geen van allen vermoed zelfs. En dat nu haar jongste, haar Fritsje, dien ze in gevoel zich de naaste had gedacht in huis, zich een vrouw niet anders kon voorstellen dan als iets geweldig vervelends, van een volmaakt oninteressante eentonigheid, dat beleedigde in haar wat ze onaantastbaar gemeend had: de waardigheid van vrouw en moeder.

‘Dus dàt was de indruk die een kind na twee-en-twintig jaar zorg en liefde, van je meenam.’

Mevrouw Annette zat stil voor haar toilet en keek in den spiegel. En in haar eigen heldere oogen zocht ze: Waàr had de jongen het vandaan?

Op eenmaal zag zij Caroline Craets zitten met haar rood gevlekt gelaat, en hoorde haar zeggen: ‘Kinderen kan ik niet aan - maar er is geen beest dat zich niet altijd alles door me heeft laten doen....’ De onmacht tot het leven, en den sprong naar het eenig bereikbare.... ook daar. En plotseling ook dacht zij aan haar moeder: hoe hadden de oude vrouw en het jongetje elkaar begrepen... hoe was die liefde in zijn hart levend gebleven - hoe zag hij het aardige van een beest - misschien was dat ook bij hèm de eenige zorg die hij aankon nog....’

Haar eigenliefde sprak al lang niet meer mee. Zij vocht alléén om hem te begrijpen - niet vreemd aan hem te staan.

Toen zij eindelijk naar beneden ging, kwam zij hem op de trap tegen. Hij zag er moedeloos, verschrompeld uit.

‘Wees niet zoo boos,’ fluisterde hij naar haar opziend.

‘Fritsje,’ zei ze zacht. Ze nam zijn hoofd tusschen haar handen, boog haar wang erop. ‘Fritsje, Fritsje.... Zeg alleen die dingen niet tegen je vader zooals je ze tegen mij gezegd hebt....’

 

Frederik dacht: zou hij nooit uit dat gepieker om Frits raken. Hij zag zelf wel, op kantoor werd het niets, en het meest irriteerde hem daar nog Frits' houding van lijdelijk verzet - irriteerde hem

[p. 541]

bovenal, dat hij zich niet wilde inwerken in een baantje, een redactie of iets dergelijks, puur en alleen omdat hij geen dwang verdroeg.

‘Denk je, dat niet ieder mensch gedwongen wordt elk uur van zijn leven in een andere richting dan hij zou willen. Stel je voor dat iedereen het er dan maar bij neergooide! Er bestaat zoo iets als plicht.’

Maar Frits zei:

‘Vader, u kènt mijn gevoel niet. Het is niet dat ik niet wil, het is dat ik niet kan. Het maakt me ziek, het maakt een idioot van me. Zoodra ik iets moet, valt er een klep voor mijn benul en ik kan niets.’

‘Als je meerderjarig bent,’ knorde Frederik, ‘moet je doen wat je niet laten kunt - maar tot zóó lang geef ik mijn toestemming niet.’

Pieter, die bleek, prikkelbaar, benauwd, in die dagen hard werkte, zei kribbig:

‘Allemaal prachtig gezegd. Maar laat u hem alsjeblieft trekken! Hij is me erger dan tot last. Geef me een kwieken bediende voor hem in de plaats. Dit hou ik niet uit.’

Een paar avonden later vroeg Frederik's avonds zijn jongsten zoon op zijn kantoor te komen. En Frits slofte binnen. Frits die nooit zijn voeten optilde, in zijn eeuwig bruin pak.

‘Ga zitten,’ zei Frederik kort. Het licht scheen vol op zijn gezicht, en de jongen stond verloren te kijken in een pijnlijke zachtheid, hoe grijs zijn vader begon te worden.

‘Je hebt telkens kwestie met Pieter - ik begrijp Piet is prikkelbaar, hij heeft erg last van zijn asthma deze dagen, maar jij geeft reden te over....’

‘Ja, ik kan niet tegen Pieter met zijn geweldige energie den heelen dag.’

Frederik Craets leunde achterover.

‘Ga zitten,’ herhaalde hij ongeduldig. ‘Blijf daar niet zoo hangen. Ik wil met je praten. Nu dan - zóó gaat het niet langer Frits. Je presteert minder dan mijn minste bediende. Dat.... verdraagt mijn vadergevoel niet....’ hij spotlachte even, maar 't was wrang.

‘Ik voel me er belachelijk,’ mompelde Frits.

‘Ja dat zal wel. En Pieter zegt, hij kan het niet uithouden.’

Frits keek op.

‘Vader - toen Philip bij de marine wou, toen hebt u dat gerespecteerd - hij paste evenmin op een kantoor als ik. Ik ben zoo slap geweest me nog een poos te laten drijven in uw richting - ach nu ja - ik vind dat zelf ook allemaal beroerd genoeg. Ik wou dat jullie me lieten gaan zonder dat zoo ijselijk te vinden, met het geld van tante Adolphine. Dan ga ik buiten wonen en schrijf als ik zin heb. En voor de rest leef ik mijn eigen leven.’

[p. 542]

‘Ik vrees: een lui leven.’ merkte Frederik schamper op.

‘Och, wat is lui leven - dat is ook maar een begrip,’ zei Frits Craets. ‘Je leven uitleven in harmonie met je aanleg, daàr komt het toch op neer.’

‘Ik vind dat een grootsche betiteling, als je aanleg.... niets doen is.’

‘Dan is 't nog misschien het allermoeielijkst om die harmonie te vinden,’ mompelde de zoon.

 

Oom Pieter snoof en blies, tante Sophie zat hoofdschuddend in haar hoek, tante Louise zei: ‘Dàt zal je toch niet toestaan Frederik?’

En hij antwoordde: ‘Ik ben tot de wonderlijke ervaring gekomen met mijn jongsten zoon, dat ik niets heb te verbieden of toe te staan.’

Annette schreide in stilte, door Philip getroost: ‘Laàt hem moeder, hij komt er gauw genoeg van terug, geloof me.’ Maar innerlijk speet het hem. Mootje was een teere plek in zijn hart en hij was graag trotsch op hem geweest. Behalve Francine en Jetje geneerde iedereen zich voor 't geval; maar Frits in een plotselinge energie leefde met een schaduw van opgewektheid naar zijn nieuwe toekomst heen.

Op de hei tusschen Laren en Bussum had hij voor een prikje een houten huisje gekocht, vroeger door een van zijn kennissen, een schilder, gebouwd; maakte het met behulp van Annette en Jetje tot een bewoonbaar verblijf. Hij zou er zijn eigen potje koken, maar tante Sophie die onrustig kwam aandribbelen met haar zwarten stadschen mantel, haar capotehoed en parasol over de hei, nam zich in stilte voor te zorgen dat hij behoorlijk gevoed werd tenminste. Het meubilair bestond uit massa's boeken op planken langs de wanden, een tafel, twee stoelen, een bed, een bank, een fornuis en drie pannen. Tante Sophie zuchtte: ‘Vreemd idee.’

Den avond, nadat Frits voorgoed was vertrokken, zaten Frederik en Annette tezamen. Zij zaten stil en vermoeid en spraken niet. Hoe anders waren hun andere kinderen het huis uitgegaan, Francine en Sophie met feestelijkheid en fleur - Philip vol illusie. Dit weggaan van Frits, zwoegend onder een onoogelijken bundel laatste benoodigd-heden - uit zijn eenen zak puilend de juist uitgekomen roman van Robbers, Bernard Band, uit den anderen Schetsen van Falkland, zijn bruin deukhoedje diep in zijn oogen onder een gudsenden stortregen, was zóó iets rampzaligs voor hun gevoel - zoo zonder hoop, zonder toekomst of blijheid, dat zij alle woord ontweken voor elkaar met dàt beeld voor oogen.

terug  begin  verder