DE ontmoeting met de Dormannen was bij Philip op den achtergrond geraakt, hoewel nooit geheel vergeten. Maar op een dag, flaneerende over het Leidsche Plein stond hij bij de bocht naar de Stadhouderskade plotseling voor Betsy Dorman.
Ze waren beiden een oogenblik verlegen, toen verheugd - en ongevraagd begon Philip mee te loopen met het meisje, dat naar den Amstelveenschen weg moest.
Het was een vroege voorjaarsdag; ze droeg een wat kaal fluweel manteltje dat allerliefst stond tegen haar blozend gezichtje. ‘Zeldzaam blank voor zulk donker haar,’ dacht Philip. ‘Klein had dat ook.’ Hij vond zijn lossen lichten toon terug: ‘Ik màg toch wel mee? Ik ben immers een neef!’ lachte hij met zijn zonnigen winnenden lach.
Langzaam wandelden ze op.
Het meisje vertelde, ze kwam niet veel uit, er was thuis altijd zooveel te doen en moeder zoo zwak - vond hij dat moeder er erg slecht uitzag? Alleen moest zij soms naar den Amstelveenschen weg naaiwerk wegbrengen, dat moeder en zij 's avonds nog gereedmaakten voor een winkel.
Philips hart werd verteederd. Hoe lief en zorgzaam praatte dat kind over haar familie - het wat platte accent hoorde hij niet eens meer - zijn grootmoeder had dat ook gehad, wist hij nog - het was eigenlijk wel aardig, zoo natuurlijk, 't hoorde bij haar; maar vooral schattig dat gezichtje met de prachtige oogen, die hem zoo onverholen verrukt aankeken.
Hij kende dit type meisje niet. 't Was zoo iets totaal anders dan de babbelende, flirtende, zorgelooze uitgaansmeisjes die hij altijd overal ontmoette. Jammer - dóódjammer! Och neè, onzin, wat deed het
ertoe - waarom zou je niet eens een genoegelijk wandelingetje hebben met een lief kind zonder dadelijk verder te denken.
Zij vroeg hem naar zijn dienst, ze wou hem weer aan 't vertellen hebben, merkte hij. En hij sprak over Indië.... dat hij daar heelemaal niet van hield - maar de reis, de zee, altijd heerlijk vond.
Nu oplevend, dan verdoffend, schijnbaar afdwalend soms bij iets dat haar pijnlijk scheen te raken, dan weer volkomen opgaand in zijn verhalen - zoo liep ze naast hem voort op haar vlugge kleine voeten, in leelijke grove schoentjes, zag hij.
En samen gingen ze nu door de eenzame lanen van het Vondelpark, keken er vermaakt samen naar een zwaan die langzaam uit den vijver klom en den weg overwaggelde.
‘Wat is 't hier heerlijk, zoo'n rust!’ zei 't meisje, diep ademhalend.
En Philip zei: ‘Ja heerlijk.’
Bij het huis, waar Betsy Dorman haar werk moest afgeven, namen zij afscheid. Philip wandelde vroolijk gestemd terug.
Het meisje keek hem na - ging toen langzaam na eenigen tijd denzelfden weg terug dien ze met Philip Craets gegaan was.
Een storm had haar eenvoudig leven geschud met de verschijning van den knappen zee-officier. Gewerkt had zij altijd en niet veel tijd tot droomen gehad - haar heele vroolijke, bezige, nuchtere, practische aard ook neigde er niet toe - maar met Philip was een ongekende wereld voor haar opengevallen; door zijn verhalen van thuis had zij ademloos geboeid gekeken in een totaal ander soort leven dan zij tot nu toe kende, en eens ook had zij hem zien loopen, terwijl zij veilig wegschool achter een paar drentelende boeren, met een oudere dame en een nog jonge dame - zijn moeder en zuster begreep zij.
Op een middag, gebogen over een stalenboek bij Sinkel, had zij plotseling die mevrouw - nicht Annette zooals vader zei - met de blonde en nog een donkere jonge dame binnen zien komen. Zij had over het stalenboek heengegluurd naar de drie vrouwen, die haar plotseling in alles belangwekkend geworden waren. Zij hoorde hen beraadslagen over een japon voor Francine - dat was de blonde dus - mooi vond ze haar en heel chic - voor die andere donkere zou ze nog verlegener zijn, die leek zoo bijdehand en zoo trotsch. Nicht.... was heel beeldig in dien fluweelen mantel met zoo'n fijnen hoed - een echte groote dame. Zoo kalm en grappig praatte ze, heel lief ook tegen de juffrouwen, die vlogen voor d'r. 't Ging over een avondjapon - ze luisterde verbijsterd - ongekend vrouwenleven ging voor haar open - en ze kreeg een balsturig verwoed gevoel om haar eigen verlegenheid, haar plots zich stumperig voelen
- sloeg het stalenboek dicht, zei haar keus niet te kunnen doen.
Maar kwijt was ze het nooit meer. Over haar naaiwerk, bij het bedienen der commensalen, bij het huiselijk werk, op straat, nooit meer liet die andere wereld, Philip Craets' wereld haar los. Ze haatte dat alles en het trok haar tegelijk. Ze haatte het, omdat ze wist er niet toe te behooren, en het trok haar omdat het van hèm was. En langs het groote huis op de Keizersgracht was ze eens gehold - maar toch hadden haar schuwe oogen goed alles opgenomen.
Haar vader vroeg ze omzichtig uit naar oude nicht - maar die verhalen uit een vroeger tijd bleken weinig bevredigend. Van het tegenwoordig leven in dat huis kwam ze niets te weten. Bij haar moeder wekten haar vragen het half spottend, half meewarig toe-geefelijk glimlachje dat zij had leeren vreezen, omdat het haar eigen diepst gevoel spiegelde.
Tot er opnieuw een groote schok kwam: op een middag nicht Annette, die daar plotseling had aangebeld en op visite gezeten voor de mahonie tafel, op de plaats van Philip. Vader en nicht hadden alles van den ouden tijd opgehaald; maar onderwijl hadden Annettes oogen, geleid door een instinctief wantrouwen, telkens peilend het mooie meisjesgelaat gezocht.
‘Een beetje onbeschaafd, dat kind....’
Thuis sprak zij er niet veel van - vertelde alleen dat zij graag eens over oma en den ouden tijd had willen praten - en ook Philip bleef stil.
Maar hij was er achter gekomen dat Betsy meestal op Donderdag haar pakjes ging afleveren op den Amstelveenschen weg - en dikwijls lukte het hem haar te vangen.
In de lanen, die nu langzaam groen werden, in de zoele voorjaars-lucht, terwijl Betsy haar donker fluweel manteltje had verwisseld voor een grijs pelerientje en een strooien matelootje - gingen zij samen door de wekelijksche wandelingen den zomer in.
‘Waar is je fluweeltje?’ had hij teleurgesteld gevraagd, toen hij haar voor 't eerst zag in haar goedkoop pakje, dat haar onaanzienlijk maakte door den slechten snit. En zij, dadelijk voelend dat hem iets mishaagde - diep teleurgesteld om haar nieuwe pelerientje - wat mankeerde er dan aan, ze had 't zoo lief gevonden - was stil geworden. Ze had gauw iets mokkends om haar kleinen rooden mond, dien hij niet het aantrekkelijkst vond van haar gezichtje. Soms ook mislukte zijn plan, of had hij dienst - dan gingen vaak veertien dagen, drie weken voorbij dat ze elkaar niet zagen.
Den eersten keer dat hij onverrichterzake de stad weer introk,
voelde hij plotseling aan de eigen teleurstelling hoe diep hij verlangd had. Toen - over zijn ontwrichting heen - werd hij koel. Waarom eigenlijk wilde hij zoo obstinaat telkens weer dat Betsje ontmoeten! Ze had een mooi snoetje en prachtige oogen. De eerlijke eenvoudige onverholen overgave in die oogen, tegelijk met een dwang hem tot zich te trekken. Maar neen, hij wou nu eenmaal iets anders, een vrouw met geld - dat maakte het leven makkelijker, ruimer.... hij had ook geen lust in deze familie.... beste menschen maar niet je schoonfamilie, hij zou er bij zijn vader ook niet mee moeten aankomen. Daàrom: beter die wandelingetjes op te schorten. Hij mocht haar ook niet in opspraak brengen door openlijk met haar te wandelen waar hij niets ernstigs bedoelde.
Het was een soort verlichting toen hij dit eenmaal uitgemaakt had met zichzelf. Zijn verlangen ontgleed hem - hij voelde zich bevrijd. Het was goed dat het zoo vanzelf uitbloedde - hij zou haar toch ook wel vandaag of morgen ontmoeten triomfantelijk aan den arm van een burgerheer. Ach ja - zonde - maar niets aan te doen.
Hij kreeg zijn onbezorgdheid terug, verloor zijn peinzende houding die hem niet stond. Hij had een paar vrienden, jong getrouwde zeeofficieren, waar hij veel aan huis kwam, jonge meisjes ontmoette, die den knappen charmanten Craets ondubbelzinnig lieten blijken dat ze hem lijden mochten. Hij keek in al die donkere en lichte oogen - half lachend - 't zou zoo goed zijn als hij nu eens echt verliefd kon worden op een gefortuneerd meisje. Maar hij kòn nu eenmaal geen vrouw nemen om 't geld. Niet zoozeer uit braafheid, dan wel omdat hij zóó exclusief was in zijn diepste genegenheid - en niet licht verliefd.
Op zijn moeders verjaardag, waar Annette paradeerde als hoofd-persoon, vol kleine onschuldige ijdelheden - gevierd door haar man, baar zoons - was Philip de vroolijkste van allemaal. Zat met den kleinen Fred op zijn knie, babbelde genoegelijk met Fransje, met Eugénie zijn aanstaand, allemachtig aardig schoonzusje, die voor 't eerst in den familiekring een echt huiselijk feest meevierde. Hij bracht 's avonds tante Louise naar huis, die ernstig, statig, had meeaangezeten - Louise om wie, zonder haar schaduw Adolphine, een vereenzaming scheen gevallen.
‘Gaat 't een beetje tante, zoo alleen?’ vroeg Philip goedig.
En zij zei: ‘Ja Philip - 't is de wil van den Vader,’ en ze boog het hoofd, even in zalige vervoering om een strenge hand die striemde.
Want wèl was de pijn groot en diep om de leege kamers, waar zij zat - altijd alleen.
‘Ja ja - ja -’ zei Philip wat onthutst. Hij schrok altijd een beetje van godsdienstigheid, vond dat met de gêne van zijn côterie licht belachelijk. ‘Maar 't was waar, tante Louise was vroom....’
Hij floot toen hij terugliep in den avond.
‘It is the man who broke the bank of Monte Carlo.’
‘'t Leven was bèst....’
Maar in een der volgende weken was hij Betsy Dorman onverwacht tegengekomen op het Rokin, waar zij over kwam gestoken van de stille zij in het pontje. Het was een warme dag in Mei en zij droeg een rose katoenen japonnetje, waaruit haar ronde blanke hals vrij opstak.
Philip Craets, al zijn bevrijde zekerheid der laatste weken verloren, bleef een oogenblik verrast en verward. Zóó iets van bloedjonge geurige frischheid ademde het heele figuurtje, dat al zijn zelfbedrog, zijn redeneering, zijn tevredenheid wegspoelde op den fel door-brekenden stroom van een groote blijdschap haar te zien.
Het meisje was ook blij. Zij praatte veel en druk, over thuis, en hij dacht warm hoe kranig en flink zich dat hard-werkende kind door 't leven sloeg. Hoe heel anders was dit leven dan dat van die leegloopende onnutte schapen. Dan - als vanzelf hadden zij de oude wandeling hervat - een lànge wandeling ditmaal - de nauwe donkere Vijzelstraat door en de Vijzelgracht langs de Weteringschans - eindelijk de rust der bekende laantjes van het nu zomersche park.
Hier werden ze stiller - en bij een troepje spelende kinderen stonden zij vermaakt samen te kijken. Ze lachte naar hem op, onbevangen en warm:
‘Ik ben dol op kinderen - ik kan er uren naar kijken.’
Hij had onbewust haar arm genomen, losjes in een heel onwillekeurige behoefte aan aanraking. Ze keek niet meer op, maar een warm getinte vrucht was haar neergebogen donzige wang.
Ze spraken niet veel meer; toen ze elkaar aanzagen bij het afscheid nemen, was er iets in hun oogen dat hen beiden verlegen maakte.
Zijn moeder sprak hij er niet van, maar 's avonds kon Philip bij Pieter binnenloopen, die op kantoor nog zat en werkte. Als hij binnenkwam hief Pieter het bleeke, altijd wat lijdende gezicht met de scherpe groote oogen op en keek hem vermoeid aan.
En Philip ging zitten. Zat er groot, wat zwaar zelfs voor zijn jaren - een toonbeeld van kracht en gezondheid. Hij had behoefte in die dagen met een man van zijn eigen leeftijd te praten. Pieter en hij waren
altijd goed samen geweest. Hij had den jongeren broer, die hem geestelijk verre de baas was, op school beschermd, later een beetje geleid, gewaarschuwd dat hij niet al te veel dwaasheden uithaalde. En hij had Pieters engagement begrijpend aangezien. Dat was niet de Pieter die achter de meisjes aanging, de sterke zware burgermeisjes die zijn bloed onrustig maakten. Dit was de andere Pieter, die toch blijkbaar en gelukkig de sterkste was. Die alles zette op een vooraanstaande positie, zooals zijn eerzucht hem al in de schooljaren had voortgejaagd. Dat hij dit arme meisje uit de aristocratie had willen hebben was hetzelfde, als wanneer hij op een schoolfeest een speluitkoos dat niemand aantrekkelijk leek, maar dat hij met een oogopslag had erkend als iets waarmee hij wat presteeren kon. En hij zag verbaasd toe, hoe vol fijne attenties Pieter was voor zijn meisje. Wat zij allen in Eugénie mochten waardeeren, voor Pieters aard moèst er veel aan haar ontbreken.
En Philip, op zijn goedmoedige omslachtige manier, die zich in de jaren nog versterkt had, praatte over Betsy Dorman - met een langzaam opgloeien in zijn gezicht dat hemzelf verlegen maakte. Hij moèst erover praten - waarom wist hij zelf niet - maar hij moèst....
Pieter luisterde. In hem joeg, wat geen moment naar buiten brak. Met fijne gevoelszenuwen taxeerde hij Philips neiging voor het meisje dat hij ééns gezien had. Hij peilde Philips gevoel onder de aangeleerde levenspose, die hij zich sinds zijn ontwakende jongensjaren had eigen gemaakt. Hij peilde den gloed eerder dan Philip zelf - Philip die zich per slot de weelde zou kunnen veroorloven dien uit te leven. Philip kòn dit meisje trouwen, zij was familie van hun grootmoeder Goldeweijn - hij kòn zijn diepsten zin volgen. En terwijl hij zat, licht hijgend in de dompe kantoor-atmosfeer die zijn asthma verergerde, leefde hij Philips aandoening in - met een smartelijk felle belangstelling. Dien sloomen gemakzuchtigen zachten kerel kon een geluk in handen vallen, dat voor hèm niet was weggelegd. Die gedachte besprong hem, en hij verdrong haar onmiddellijk, stond haar niet toe te groeien. Maar tegenover zijn broer, die, onbewust van dien strijd zijn liefdesidylle soezig over zijn sigaar uitmijmerde, vocht en ontbeerde Pieter zóó hevig, dat een hoestbui zijn geteisterde borst schokte.
Als Philip eindelijk opstond, zijn groot lichaam rekkend - zijn oogen troebel, goedenavond zei - steigerde in Pieter, terwijl hij lang nog zat, zijn handen onder zijn hoofd waarop zweetdruppels parelden van benauwdheid, met vernieuwde kracht zijn felle ambitie.
Op een avond kwam hij binnen waar Annette met ‘het
boterhammetje’ wachtte. Jetje was naar bed, Frederik naar het Concertgebouw.
Zij zag zóó als hij zitten ging, hij had het te kwaad. Zijn piepende adem, die haar toen hij nog een kind was, wakker deed liggen luisteren, zaagde door de stilte.
‘Was Philip bij je?’
‘Ja.’ Hij nam een boterham. ‘Ik heb bedacht: ik wil dit najaar trouwen - ik zal Eugénie vragen een datum vast te stellen.’ Hij wachtte even, hijgde:
‘Ik wil getrouwd zijn.’
Zij knikte.
‘Weg ook deze jongen, de laatste. Die altijd nog 's avonds met haar aanzat. Nu zou ze met Jetje alleen blijven.... Ze was zoo trotsch op haar zoons - hoorde zoo graag hen gaan door 't huis - die groote mannen....’
‘Ik zal je missen, maar je hebt gelijk....’
‘Ik blijf toch in huis,’ zei hij even glimlachend.
Maar terwijl hij daar zat aan de oud vertrouwde tafel, gedekt met het servies dat hij kende sinds zijn kinderjaren - joeg in hem de haast om het eigen leven, zijn droom, te verwezenlijken. Een sfeer, die Eugénie voor hem bouwen zou - boven die van zijn ouderlijk huis uit. Hij zou met zijn gehate beroerde zwakke corpus het geld verdienen voor een home, dat zou zijn een oud-Amsterdamsch koopmanshuis, maar met een weelde, een verfijning ook naar den geest. En hij wou een groot bloeiend gezin. Eugénie zag teer, maar zij was gezond - zij was nooit ziek geweest.