terug  begin  verder
[p. 550]

XXXVII

DIEN zomer betrokken de Craetsen een villa op den weg naar Laren; Annette wilde een poos dicht bij Frits zijn. En van de vele logé's weg - Eugénie met haar frêle gratie, haar beminnelijke onverschilligheid - Fransje met haar drukke kinderen - wandelde zij iederen dag over de hei naar Frits. Vond hem soms aan zijn schrijftafel, maar meestal liggend op de bank.

‘Wat is 't hier donker Frits, waarom lig je niet buiten in de zon?’

En Frits zei: ‘Heete zon op mijn kop maakt me misselijk. Ik hou alleen van binnenhuis-atmosfeer.’

‘Eet je wel iederen dag warm eten?’ informeerde Annette ongerust - en ze keek naar een klein pannetje dat bij het fornuis op den grond stond.

‘Och jawel - ik krijg eten genoeg.’

‘Frits, ben je nu tevreden?’ vroeg ze een andermaal.

En hij zei: ‘Och jawel. Het is hier wel goed.’

Maar als hij weer alleen was, kneep hij zijn oogen dicht.

‘Tevreden.... je hoorde toch zoo dikwijls van menschen die gelukkig zijn. Waarom ben ik dat nooit? Ik ben nooit een kind geweest als Jetje.’

Hij zag Jetje aan komen hollen als Cloese in zijn dogcart de plaats opreed. Hij nam haar mee op zalige lange tochten. En ook uit Amsterdam reed hij met haar naast zich naar zijn buitenhuis aan den Amstel, vond een bizonder genoegen in het gezelschap van het zonnige geestige kind.

Het was een groote vriendschap. ‘Ik houd van meneer Cloese het aldermeest,’ zei Jetje.

Maar ook Jacob Leedebour kwam dien zomer menigen dag het

[p. 551]

hek inslenteren, praatte aan tafel met zijn neuzige langzame stem zijn ergernis uit, dat mevrouw Roland Holst en Gorter toegetreden waren tot de S.D.A.P. Troelstra had hen beiden in de Sociaal-Democraat warm begroet. Gorter keerde zich nu tegen zijn oude medestrijders in de Nieuwe Gids, verwierp dat alles als burgerlijke kunst, verwachtte slechts schoonheid van een, geboren uit het proletariaat.

‘Ik vrees, dat dit het begin van het einde is van hun kunst. En als vrouwen zich in de politiek begeven....!’

‘Wie weet....’ wierp Cloese tegen. ‘Iemand heeft gezegd: Eine leidenschaftlichte Frau wird etwas Grosses verrichten - entweder wegen einer groszen Idee, oder um Jemanden zu gefallen.’

Leedebour bromde wat. ‘Vrouwen - groote idee.... Truida was alweer dagen lang op hol geslagen, hij moest zijn fortuin maar zoeken. Zij zat elken dag op de tentoonstelling voor Vrouwenarbeid in Scheveningen.’ En voor zijn geest verrees een bovenhuisje waar hij jaren lang uit zijn eenzaamheid heengetrokken was, altijd zeker een blijde vrouwenstem te vinden, warmte, huiselijkheid.

Hij bleef zitten, zijn hand om zijn glas - en merkte niet dat hij niets meer zei.

 

Het was een klein centrum daar in Scheveningen, dat nieuwsgierigheid, spot, waardeering, belangstelling van het gansche land tot zich trok. En er werd daar één stem gehoord, die van de gynaecoloog Catharina van Tussenbroek, welke de harten der luisterenden van dezen tijd schokte, als eenmaal de stem van Mina Kruseman de ouderen had geschokt:

‘De dochter des huizes is niet meer de onmisbare arbeidskracht van vroeger, en het heilige moeten van voorheen vindt in het plichten zoeken van tegenwoordig een slecht surrogaat. Dan komt de stoornis in het psychisch evenwicht, de schommeling tusschen slecht humeur en zelfverwijt, die eerst den levenslust, straks de gezondheid kneust. De naar gemoed en intellect rijkstbedeelde lijdt het meest. Het gaat bergaf, maar niet zonder strijd. Want met een juist instinct gevoelende waar de schoen wringt, zoekt zij naar nuttig werk. Liefdadigheids-bazaars en kinderbonden en ziekenzorg en brailleschrift voor blinden, en bloemen-en-boeken-dame in het gasthuis en allerlei vormen van Toynbee-werk - er komt vaak nog wat muzikaal en litterair geknutsel bij dat zoo best is om te zetten in philantropisch werk - en zoo lukt het tijdelijk den zielehonger, die verveling heet, te stillen niet, maar te bedriegen. Doch lapwerk blijft het en het gaat ieder jaar meer bergaf.

[p. 552]

.... het geneesmiddel slechts kan gezocht worden in ééne richting namelijk in die der vakopleiding, waardoor de vrouw in staat wordt gesteld te leven van zelf verdiend brood.... Het door zeden en conventie geijkte type vrouw zal daarbij ten onder gaan en een nieuw type zal voor den dag treden. Hoe dit eruit zal zien durf ik niet voorspellen, maar van één ding ben ik zeker: wij vrouwen zijn de draagsters van het ideale, onverschillig of wij den bezem hanteeren, de naald, het ontleedmes of het roer van staat.

.... de dag, dat een vrij en krachtig vrouwengeslacht weer metvolle toewijding kan werken aan de taak waarin wij geen mededingers hebben: onze eigene gezegende vrouwentaak; het heden wel door mannen en vrouwen beiden met het woord verheerlijkte, maar met de daad gesmade moederschap.’

Deze woorden waren het - en andere - die voor de dichte schare luisteraarsters hamerden op één aambeeld:

Werk voor de vrouw. Wèrk voor de vrouw. Werk voor het meisje.

Het werd een klank eindelijk, die zich vastzette in de hersenen, de harten van heel jong vrouwelijk Holland; die den angst, opgezweept in de licht te ontwrichten vrouwenzielen dezer dagen door het boek Hilda van Suylenburgh, dat tendentieus propageerde, romantiseerde suggestief - onverwacht weer een anderen kant uitjoeg. Dat je door ledigheid, levensonvoldaanheid zenuwziek werdt had ontstellend gewerkt plotseling, als een epidemie op duizenden tot dusver tevreden en gezond levende meisjes. Men sprak over gevallen van overspanning, melancholie, uitgebroken na de schokkende lectuur van dit boek. Plotseling waren alle uitgaande meisjes bezield met het hevig verlangen kleine verwaarloosde kinderen te redden uit de handen van ontaarde verzorgsters - rechten of medicijnen te gaan studeeren.

En nu was er deze stem, die beweerde dat dàt alles maar lapwerk was - dat werken voor geld het eenig geneesmiddel zijn zou....

Verbijsterd hielden de op hol geslagen, met hevig altruïstische gevoelens bezielde, door een harde hand in de teugels gegrepen vrouwen stil, en zagen schichtig om... Een groot deel redde zich in het oude vertrouwde veilig milieu: als het tòch niet hielp.... en werken voor geld, dat deedt je toch niet als het niet noodig was....

‘Wàt wil dat mensch?’ zei Annette Craets verachtelijk tegen Truida die de rede op een middag ter sprake bracht toen ze in den tuin zaten. ‘Waarom is alléén maar mannenwerk het reddende voor een vrouw? Dat wil er bij mij niet in.’

‘Omdat het meeste mannenwerk hersenwerk is, dat bewaart voor

[p. 553]

tobben en melancholie. En omdat economische onafhankelijkheid de vrouw achting voor zich zelf zal geven.’

Annette schudde het hoofd.

‘Nooit zal hersenwerk de leegte vullen in een onvoldaan hart.’

‘Het is ook niet alleen voor ongetrouwde vrouwen dat de strijd gaat. Er zijn waarachtig genoeg onbevredigde getrouwde vrouwen. Waarom zal ook de getrouwde vrouw niet haar deel nemen in 't maatschappelijk leven,’ zei Truida.

‘Omdat ze dan in huis haar plicht niet vervullen kan. Wie maakt de boterhammen, wie stopt de kousen....’

‘Daàr kan ze beter betaalde hulp voor nemen - vrouwen die anders niets kunnen.’

‘Neen,’ zei Annette en dezelfde kalme verachting was in haar blik, haar stem: ‘Een vrouw die anders niets kàn...? Dacht je dat die wèl hersenen had om een zwak of moeielijk kind te begrijpen? Bobbels zal ze stoppen in zijn kousen, waar hij niet op loopen kan, en van al zijn eigenaardigheden niets snappen. Wij ouderwetsche vrouwen hebben van onze moeders geleerd een gezin te besturen. Wij willen niet heerschen daarbuiten, we willen heerschen in ons huis door het van dag tot dag, van uur tot uur te dienen. Met ons lichaam, met ons denken, met ons humeur, met onzen moed. Maar jullie vrouwen van dezen tijd, jullie ontkennen alle eenvoudigste waarheden van ons leven.’

‘Je bedoelt: jullie ongetrouwde stakkers,’ dacht Truida.

Francine had niet meegesproken. Zij zat behagelijk bij haar moeder, zij was zoo graag thuis. Toen zij Truida naar de tram bracht zei deze:

‘Fransje kom eens bij me kijken naar de nieuwe modellen voor vrouwenkleeding. We hebben juist zulke figuurtjes als van jou en Sophie noodig om die te propageeren.’

Francine lachte.

‘Ik voel er niets voor, tante Truida!’

 

Binnen was Frederik losgekomen. ‘Draagsters van het ideaal zijn zij!’ smaalde hij, ‘en goeie hemel, het roer van Staat willen ze hanteeren?! Zulke vrouwkerels. En een nieuw type vrouw moet er verrijzen? De verwatenheid, de aanmatiging van die wijven. Zeker geschapen naar hùn beeld! Met bretels over hun schouders!’

‘Vadertje niet profaan zijn.’

‘Neen, ik vraag je! Truida Leedebour en consorten - profeten die een nieuw type vrouw voorzien!’

‘Windt je niet zoo op - ik verander niet.’

[p. 554]

‘Pas op je dochters Frans! Laàt de nieuwe geest niet vaardig over ze worden!’

Ze lachte, maar haar oogen waren niet helder. En toen ze later door de laantjes drentelde van den tuin, stond de leegte in haar leven als een dreiging; haar man, haar drie kinderen, haar huishouden vermochten die niet te vullen. Als een pijn joeg in haar de nooit aflatende honger naar een, die naar lichaam en geest zou vermogen haar te beheerschen. Elke teleurstelling wreekte ze in woede en hoon op dengene die haar opnieuw de ontgoocheling bracht. En tegelijk met die onrust, greep haar de onrust van den tijd, van de kentering in het vrouwenleven. Zij dacht aan haar moeders woorden, zoo overtuigd, zoo verwerpend; zij wist ze met haar gevoel van een jongere generatie slechts ten deele waar, ten deele bekrompen.

En plotseling rees diep in haar een gedachte vol teederheid voor haar kleine meisjes.

‘Als zij vrouwen zijn, zullen zij misschien niet trouwen, zooals ik gedaan heb. Onbewust van mijn eigen ik. Ze zullen misschien beschermd door de gedachte aan hun werk en daarmee vervuld, kunnen wachten tot ze wijs genoeg zijn om te kunnen kiezen.

 

In Scheveningen, onder de luisterenden, zat de oude Annebet Kooistra. ‘O deze vrouw, gezegend boven zoo velen! Die had mogen studeeren als een man, en als een man thans stond in de wereld, zij had het woord gesproken dat als een evangelie haar in de ooren klonk.

‘Economische onafhankelijkheid, elke weg open.... Gezegend de tijd, die dàt ideaal verwezenlijken kon.’

Maar Amélie van Dugten, thuis op haar ligstoel, las dezelfde woorden....

En ze glimlachte wetend en spottend.

‘Neen - veel kòn er voor de vrouw veranderen ten goede, maar de groote kwestie waar het bij haar om ging in het leven, was niet de sociale. Die wortelde in het ongelijktijdig bewust worden van lichaam en geest - en werk zal het euvel kunnen onderdrukken, verlichten, maar nooit wegnemen.’

Amelies gezondheid was wankel geworden. En mismoedig wist zij, het groote huis vermoeide haar te veel, gasten kon zij niet meer hebben. Op een avond dat zij en Van Dugten stil te zamen zaten, zij nerveus ter sprake bracht wàt deze zomer gebeuren moest, nam hij haar hand.

‘Wat er gebeuren moet? Ik weet het. We laten den zomer niet eindigen.’

[p. 555]

‘Wat meen je?’

‘We trekken weg. Twee oude maar nog vroolijke vogels naar het zuiden en blijven daar.’

‘Voorgoed? Ons huis uit? Jij uit je werk, dat je zoo na ligt?’

‘Een mensch moet op een oogenblik weten te kiezen. Ik kies jou.’

Zij sprak niet. Heete tranen vielen langs haar verouderd gelaat, terwijl zij sprakeloos zijn hand hield.

Tegen Annette Craets zei zij later:

‘Ik denk soms, in een lang samengaan leer je veel: die je kracht tot sterven weet te geven - is misschien de eenige levenskameraad.’

terug  begin  verder