terug  begin  verder
[p. 560]

XXXIX

TOEN het najaar werd, trouwde Pieter. In het mooie, niet bizonder groote, maar zeer stijlvolle grachtenhuis op de Keizersgracht bij de Leidsche gracht hadden hij en Eugénie zich ingericht - en een uiterst verfijnde exquis gekleede jonge vrouw ontving er aan Pieters zijde de bezoekers.

Annette en Frederik hadden soms bezorgd de weken voor het huwelijk de jonge bruid aangezien, die in oververmoeidheid al heel gauw te veel van haar zwakke krachten vergde en dan het gelaat toonde van een niet meer jong meisje.

‘Maar - eindelijk, eindelijk!’ dacht Eugénie in deze dagen, ‘het leven van uitzuinigen, afhangen voorbij. De Craetsen mochten niet van adel zijn, mijn hemel zij zou met een Amerikaansch worstfabrikant desnoods getrouwd zijn om van de dankbaarheid bevrijd te raken. Af van het logeeren, van telkens een andere logeerkamer, dikwijls met weinig comfort.... Een eigen thuis!’

Eugénie had een harde school doorloopen, die haar twee dingen had geleerd: tact en zelfbeheersching. Zij had geleerd te zwijgen; en kleine vriendelijkheden te zeggen, die de goede stemming bewaarden. Zij had weinig belangstelling in geestelijke waarden, maar zij begreep onmiddellijk Pieters wensch van hun huis iets te maken als dat der Van Dugtens.

Tegen haar eigen familieleden, die innerlijk opgelucht, toch zich niet blij wilden tóónen om dien Craets, een koopman, had Eugénie een koele vriendelijkheid met een nuance om nooit vergeten krenking, die hen juist zoo ver vasthield als zij dat zelf voor de toekomst noodig achtte.

Frederik en Annette liepen samen na het officieel bezoek in den zachten herfstmiddag naar huis.

[p. 561]

‘Wij zijn eenvoudiger begonnen,’ zei hij met een lachje.

‘Ja. Pieter zal ervoor moeten bloeden.’

‘Och nu ja - hij zal tenslotte de zaak alleen hebben.’

Ze keken op naar een groot huis dat leeg stond en ze werden beiden stil. Een huis, waar eenmaal een jong Annètje verlegen was binnengekomen, waar warme vrienden hen hadden verwelkomd - met hen meegeleefd. De Van Dugtens waren weg. Uit het zuiden kwamen opgewekte brieven van hem - een paar regels erbij geschreven van haar....

Zij dachten, terwijl zij voortwandelden, dat er open plaatsen begonnen te komen in hun vriendenkring.

 

In deze dagen kwam in Philip weer met kracht terug de gedachte aan Betsy Dorman. Na dien ongelukkigen vuurwerkavond had hij haar niet gezien, maar op Pieters vroolijke bruiloft, waar Lucie Melgers zoo in 't oogloopend hem aanhaalde na de voordracht die zij met een clubje samen hadden gedaan - waar vele lieve meisjes uit den overbekenden kring hem onverholen hun voorkeur toonden, was in Philip een landerigheid gezakt, die zijn moeder niet ontging.

Hij ging zitten achter in de tuinkamer om van alles af te zijn; er floot een late vogel en de bittere lucht van welke bladen op den grond drong het openstaande raam binnen. En ineens wist Philip het: de wandelingen, de ontmoetingen in de stille lanen van het Vondelpark met dat frissche kind - die had hij gemist.

Op een dag, zonder overwegen, alleen geleid door zijn instinctieven drang, belde hij aan het smalle bovenhuis op het Damrak.

Een schilder die aan 't werk was, deed open, en als gedreven buiten zijn wil, stommelde Philip de bekende donkere smalle trap op - rook de petroleumlucht op het portaal, en stond voor hij het wist op den drempel van de huiskamer.

Het eerste wat hij zag waren twee kleine voetjes in afgetrapte slordige oude pantoffeltjes op een trap. En daàrboven was Betsy, in een grijs huishoudschort, haar mooie krullige haar in een verwarden bos over haar oogen en ooren hangend - bezig een kast schoon te maken.

Philip, in de war, bedremmeld als betrapt, zei wat hij nog nooit gezegd had: ‘Betsje....’

Ze keek naar beneden en schrok zoo dat ze zich vastgreep aan de kastplank, toen haastig naar beneden krabbelde in de eerst opkomende gedachte haar vreeselijk slordige voeten te verbergen. Maar in dezelfde bevangenheid nog steeds stond Philip te kijken naar het

[p. 562]

warrige hoofdje met de heerlijke oogen - oogen waarvoor hij zijn zaligheid zou verkoopen had hij tegen Pieter gezegd - die hem nu uit haar langzaam verbleekend gezichtje boos aanstaarden.

‘Ik wou je weer eens opzoeken,’ zei hij met zijn wat logge glimlachende goedmoedigheid.

Maar zij barstte uit in plotselinge drift. Zóó lange weken had zij gevochten met zichzelf, met de gedachte aan Philip - hem nù verwenschend en dàn hem vrijsprekend, en altijd in een wanhopig verlangen naar hem. Maar altijd had zij het moment gekozen in haar verbeelding....

En nu stond hij daar terwijl zij eruit zag als Piet de Smeerpoets - zoo leelijk in haar vuile jurk. En in haar kast - in haar kast daar hing de mooie jurk, die zij altijd nog voor hem bewaard had en die haar zoo goed stond.

‘Ik - ik vind 't geméén van je! Hier zoo ineens te staan kijken naar me - zooals ik er uitzie - zonder dat ik 't wist....’

‘Maar,’ stamelde hij uit de lucht gevallen.

‘Jaà! Zóó ben ik nu! Zóó zie ik eruit, nu weet je het meteen! Ik ben geen dame die in mooie jurken voor 't raam kan zitten als jouw zusters - en die schoonzuster van je! Ik heb geen geld voor iets echt moois ooit om aan te trekken - dat zou mij ook wel staan! Ik moet werken en me afsjouwen en er smerig uitzien als een tod - en jij.... jij komt - me - hier - bespieden!’

Groote tranen stroomden over haar wangen. ‘Ik - ik kan je niet uitstaan, ellendeling!’ bibberde haar stem in snikken.

Maar Philip bij den stroom van verwijten - de makkelijke sloome Philip, die zich door alle lieve meisjes wel liet aanhalen maar zelf altijd losliet - Philip die distinctie voor een vrouw in de eerste plaats eischte - verloor zijn bezinning bij dat slordige hoofdje dat tusschen tranen en snikken riep dat ze hem niet uitstaan kon.

‘Schat!’ Hij had haar in zijn armen. ‘Luister - nee lùister! Weg met die hand - wat moèt die hand? Me wegduwen? Wat bliksem dat zullen we toch eens zien.... Betsje - mijn Betsje zeg dan: hou je van me? hè?’

Ze schreide nog harder, ze trok hem in haar armen en klemde hem aan zich vast met haar gezonde jonge kracht, en duwde hem dan weer weg en riep: neè, ik kan tòch niet uitstaan dat je hier zoo maar stond.... Je hebt me zoo in de steek gelaten op dien avond en ik geloof je niet meer....’ En begon dan te lachen omdat hij haar zoende in haar oog, op haar oor, in haar hals, haar haren....

[p. 563]

Wat zij allemaal zeide hoorde hij niet eens, hij wist alleen dat hij dat wilde natuurkind moest en zou hebben. Dat ze van hèm moest zijn.

‘Betsje - dat Betsje hè - ze is van mij....’

Ze streek haar natte haren uit haar oogen en keek hem peilend en sterk aan. Klemde hem dan opeens weer vast.

‘Ik hou ook zoo van je, daarom was alles zoo verschrikkelijk.... en nu gelóóf ik je ook. Als ik je nù niet geloofde... schóót ik op je...!’

Hij trok haar heftig in zijn armen, gek van verliefdheid op het kleine mollige wezen, dat zich tegen hem aanvleide in zoo'n vertrouwende eerlijke overgave.

Zij was de eerste die zich losmaakte, gestoord door stappen op het portaal.

‘We moeten het vader en moeder vertellen!’ fluisterde ze blij, haar betraande oogen lachend als een kind om een geheim naar hem op.

‘Wat zeggen,’ zei hij traag. Dan zag hij haar oogen plots verduisterd in wantrouwen, smart, fel in de zijne. En metéén stond alles waar hij niet aan gedacht had in zijn vervoering, de heele ketting van gevolgen voor hem.... Een seconde was de wankeling in hem, een deinzen.... toen nam Philip Craets die kleine ruwe hand in de zijne in een vastbesloten greep, waaruit echter de bevend-ongeduldige vreugde geweken was. In veel later jaren zag hij dit soms terug, en altijd als een benauwden droom: hij, zittend weer voor de mahoniehouten tafel in de ongestookte mooie kamer met het wonderlijk weten als een duizeling door hem heen, dat hij een onherroepelijken stap had gedaan waarvan hij nooit meer terug kon. Ook niet wilde - neen - maar dien hij tòch niet gedaan had als hij zichzelf volkomen meester was geweest.

En dan bewogen daar om hem heen als onwezenlijke gestalten, luidruchtige, ontroerde, op de schouders hem kloppende neef Klaas en slovige zenuwachtig glimlachende nicht; het springende kleine jongetje - heel de familie, die nu zijn schoonfamilie werd.

Maar.... Betsje - dat Betsje....!

Beneden aan de trap hield hij haar bevend lijfje in zijn armen, voelde haar zalig bezittend handje grijpen in zijn jas.... en als een schooljongen tuimelde hij ten slotte naar buiten, liep gejaagd met zijn verwezen verhit hoofd naar de Keizersgracht - één ding den goden afbiddend: dat zijn moeder thuis zou zijn.

Zij was er.

Zij zat in haar stoel bij de tafel zooals hij haar altijd had vinden zitten, met haar nette naaidoos naast zich. En zij keek als uit een lijst, uit die gezellige keurige rustige kamer met haar fijn bizonder gelaat hem aan.

[p. 564]

‘Hemel,’ dacht hij, ‘wat ben ik begonnen....’

‘Wat is er?’ vroeg ze meteen, zonder groet, opgeschrikt door zijn warm nerveus gezicht.

‘Klein....’ Zijn groot mannenlichaam waarover even in trots haar blik gleed, viel zwaar neer op den stoel tegenover haar. Hij boog voorover en greep haar kleine hand tusschen zijn groote bruine vingers, in al de radeloosheid van zijn onberaden stap, zijn verliefdheid, zijn dwaasheid.

‘Klein, lieve snoes van een Klein, help me - laat me niet alleen, want dan verlies ik mijn kop erbij. Vind 't in vredesnaam niet zoo erg, want ik kan waarachtig niet anders. Er is ook niets meer aan te doen, 't is gebeurd.’

‘Heb je - is er iets in den dienst?’ viel ze ongerust in.

‘Nee, ik heb den Schout bij Nacht niet in 't IJ gegooid - was 't dat maar, dat zou nog makkelijker wezen - dat vocht je onder mannen uit tenminste....’

‘Wil je me nu alsjeblieft dàdelijk zeggen wat er is!’ viel ze zoo scherp uit alsof hij nog een schooljongen was.

‘Ja. Ik zal 't zeggen.’ Hij streek door zijn haar. Stond op. Ging weer zitten.

‘'t Is - ik heb.... dat Betsje gevraagd.’

‘Dat Betsje....’ Ze begreep niet dadelijk. Dan opeens schoot het begrip in haar op. Ze verstijfde.

‘Neen Philip - dat is toch niet waar?’

‘Ja 't is wèl waar. Ik ben stapel geweest op dat kind van 't begin af. Ik heb me er een poos uitgewerkt, maar echt vergeten kon ik haar nooit. Misschien als ik toen meteen drie jaar weg was gegaan... Maar.... we zagen elkaar nogal eens - och ik liep erop.... en nu ineens vond ik haar alleen....’

‘Waàr dan?’

‘Bij haar thuis. Als ze niet was beginnen te huilen.... maar ze werd zoo kwaad, ze huilde van kwaadheid omdat ik haar zoo slordig zag.... en dàt heeft 't me gedaan.... Ja. 't Is zooals Kloos zegt:

 
Men moet een vrouw zien weenen
 
Wil men onsterfelijk haar beminnen....

of zoo iets dergelijks.’

Annette schoot in een lach. Philip die geen vers, geen boek ooit las, had deze regels ergens van onthouden.... Maar tegelijk stonden de consequenties van zijn daad voor haar op - voelde zij haar eigen hevige diepe teleurstelling en die van Frederik.

[p. 565]

‘Philip, lieveling van alle vrouwen, die elk meisje had kunnen krijgen, dit....’

‘Ach jongen, hoe kan je - dat kind....’

Zij zag hem verstrakken, zooals Francine, zooals Sophie verstrakken konden bij haar scherpe critiek - en met geweld hield zij zich in.

Hij was opgesprongen, een en al recalcitrantie.

‘Ja - dat kind. Enfin, wat jullie zeggen, er is niets aan te doen. 't Is een schat, en als jullie je neus voor haar optrekt gaan we onzen eigen weg.’

Zij stak haar hand uit, en trok hem weer neer. Wat haar het meest verontrustte was dat ze duidelijk voelde: hij was niet blij.

‘Philip, zeg me eerlijk - ben jijzelf gelukkig? Dan vind ik 't allemaal goed.’

Hij kreunde bijna - zijn goedige roode kop in zijn handen - gekweld.

‘Ik ben ook geen idioot, ik zie te goed wat er tegen is. Maar ik heb geen keus, ik moèt dat kind hebben. En ik ben geen ploert, ik zou er nooit meer af kunnen ook - ik zou haar oogen niet meer kunnen ontmoeten.’

Zij sprak niets meer tegen; ze was in haar vreesloozen aard voor één ding bang: Philip van zich te vervreemden.

‘Nu moet ik 't vader zeker zeggen?’

‘Ja - daarvoor kwam ik bij u....’

‘Jullie kinderen zijn egoïsten!’ zei ze heftig. ‘Denk je dat het voor mij niets beteekent je vader die teleurstelling te geven?’

Hij zweeg en dacht:

‘Ik wou dat ik midden op zee zat, zonder vrouwen, zonder familie, van al 't gedonder af.’

 

Frederik was opgestoven; zijn puntbaard wipte van drift omhoog.

‘Wat is dàt voor een stommiteit!’ raasde hij los. ‘Is het dien jongen in zijn bol geslagen? Hadt jij daar eenig vermoeden op? Nee, dàt is te gek.’ En hij was weggeloopen, niet willende luisteren - hij kon niet verdragen dat zijn vrouw ook ditmaal niet aan zijn zij zou staan.

Maar toen hij tegen Philip uit wou barsten had die meteen gezegd:

‘Vader, praat me niet verder aan mijn kop, ik ben er beu van. Ik zit er dik genoeg in zonder dat. Ik doe het en daarmee uit; en verder moeten jullie maar zelf je houding bepalen. Is mijn zaak niet.’

Frederik had gezwegen. Hij voelde fel als een striem: ‘'t mocht zijn dat Philip zelf al lang spijt had, hij brak eerder met hen allemaal dan met dat wicht.’

[p. 566]

IJzig had hij gezegd:

‘Ik stel geen prijs op een opvoering van den verloren zoon. We zullen het vette kalf te voren slachten.’

Toch, zijn zachtheid voor al wat zijn kinderen betrof, deed hem ten slotte ook ‘Dat Betsje’ vriendelijk ontvangen. Eerst ter wille van Philip, heel gauw om haar zelfs wil. En Annette, half geprikkeld half met een glimlach, zag hoe zijn ingeboren zucht in alles het goede te zoeken hem ook deze schoondochter deed opnemen in een verschoonende liefde.

‘Ze heeft toch ook een paar mooie oogjes - je kunt er den kerel niet al te hard om vallen.’

Per slot zat de kwestie van Frits hem nog hooger.

 

Het najaar en de winter van acht-en-negentig bleven in Annettes herinnering altijd hangen als een tijd van veel onrust. Philips engagement beroerde hen allen op de manier van een kat die tegen zijn haren wordt opgestreken. Daar was allereerst de plotselinge gedwongen verbroedering met dezen familietak, die in geen enkel opzicht een winst bleek. Dan was er het Betsje zelf, dat zij allen een moeielijk geval vonden. Het flinke, bijdehand grappige, werkzame ding, dat Philip altijd gezien had thuis in een aureool van onmisbaarheid, werd in zijn ouderlijk huis stil, verlegen, uitgebluscht, mokkend - een slecht gekleed meisje met een plat accent.

Maar Annette onderkende dra met scherpen blik: die verlegenheid was feitelijk wrevel, lijdelijk verzet - haar stille teruggetrokkenheid vijandige koppigheid die niet verkóós zich in te leven in hun milieu en manieren; en zij werd jaloersch, humeurig zoodra zij Philips liefde voor thuis duidelijk merkte.

Philip wilde trouwen vóór hij zijn volgende reis begon - hij wilde zijn Betsje in eigen home achterlaten.

Niemand sprak tegen. Maar Annette kreeg in deze maanden het pijnlijk besef, dat meer dan een van haar getrouwde kinderen, deze jongen die haar het meest verwend had, van haar weggleed. En zij dacht eraan op de stil geworden middagen dat zij alleen zat, nu ook Frits hier niet meer binnenslofte.

‘Hij heeft me toch ook alleen gelaten,’ dacht zij.

Maar op een laten middag boven komend had een geluid op Pieters oude kamer haar aandacht getrokken, en de deur openend vond zij Pieter zitten daar.

‘Schrik niet,’ zei hij met een lachje, ‘ik zit hier maar eens even.’

Ze zag dat hij benauwd was.

‘Het is hier zoo rustig.’

[p. 567]

Zij dacht: ‘In je eigen huis dan niet?’ Ze knikte en sloot de deur zacht.

Zij wist nu dat Pieter dikwijls als hij benauwd was, daar kwam zitten maar zij sprak er nooit over. Zij lette slechts zorgvuldig op dat Pieters kamer altijd netjes onderhouden bleef, klaar hem te ontvangen.

 

Op een avond dien winter zaten Frederik en Annette te zamen. Jetje was naar bed. Buiten regende en woei het, en zij luisterden er beiden naar; vroeger hadden zij dat niet zoo gehoord, toen was er in de kamer altijd te veel geluid.

Op een oogenblik legde Frederik zijn krant neer, zijn lorgnet erop en keek Annette aan.

‘Annètje, met dat Betsje zijn we nog lang niet klaar. Daar zal Philip een deun mee hebben. Ze beschouwt hem als haar eigendom, en als zij eenmaal getrouwd zijn, zal ze krabben en bijten als hij een stap buiten haar om zet.’

‘De hemel bewaar ons, daar kan Philip niet tegen!’

Hij trok een grimas. Hij kon zijn oudste moeielijk vergeven de slapheid zich zóó te hebben laten vangen.

‘Hij zal den oogst van zijn domheid moeten binnenhalen.’

Hij dacht aan zijn eigen huwelijk. Hij ook had tegen zijn moeder, zijn zusters moeten opvechten, maar hij had helder geweten: de uitkomst was dien strijd waard. Langzaam en zorgvuldig proevend had hij tot den stap besloten. Hij keek in het gezicht tegenover hem. Het zijne was fijner nog geworden met de klimmende jaren, nu het grijs zich overvloedig begon te mengen in het rosblond.

‘Aesopus - doe je zak vol waarheid open. We moeten het onder de oogen zien en bekennen.’

‘Wàt moet ik bekennen?’

‘Onze kinderen zijn menschen geworden, en ze gaan niet de wegen die wij voor hen gedacht hebben eenmaal. Alleen onze baby is nog ons bezit. Maar Frits! Wat moet het met Fritsje??’

‘Ach Frederik....’

‘Ja ach Frederik. Wàt vraag ik.... En dan wou ik vanmiddag eens naar Eugénie gaan. 't Was vier uur. Eugénie rustte, heb ik niet gezien.’

‘Rustte? Is ze ziek?’

‘Neen. Pieter zegt, ze rust iederen middag van twee tot vier.’

‘Een gezonde jonge vrouw....’

‘Dat geloof ik niet meer.’ Zijn oogen stonden wat vermoeid.

[p. 568]

‘Gisteren ben ik over 't IJ gegaan, naar Fransje - ik zie de meisjes zoo weinig tegenwoordig.’

Ze glimlachte.

‘Melgers was naar een automobielen-wedstrijd. Er zat een jong mensch op bezoek. Een andere weer dan die jongen dien ik een schaar voor zijn haren wou geven. De kinderen speelden in de.... keuken.’

Zij zwegen samen, dachten hetzelfde.

‘Toen ben ik terugkomende bij Sophie aangegaan....’

‘Ja?’

‘Sophie was aan 't kijven. Er is geen ander woord voor. Beware, waar haalt een dochter van jou dien toon en die stem vandaan tegen haar man. Ik hoorde 't al in de gang. Over speelgoed van 't kind, dat hij wel en zij niet goed vond of andersom. Ik vind het daar nòg naarder dan bij Fransje.’

‘Frederik....’ ze stak smeekend haar hand over tafel en hij. streelde die langzaam en zacht.

‘Je stelt je de dingen anders voor als ze nog klein zijn,’ zei hij.

De avond stond stil om hem heen in de groote kamer. Ze voelden dat ze niet jong meer waren, en dat op een onnaspeurlijke wijze er plotseling vele zorgen waren gekomen.

terug  begin  verder