terug  begin  verder
[p. 575]

II

AMSTERDAM, een veranderd en veranderend Amsterdam - zag een nieuwe wereld met nieuwe denkbeelden in zijn oude straten zich ontwikkelen. Zag vrouwen en meisjes fietsen door de stad zonder dat een man daar meer acht op sloeg en geen jong meisje ook begreep hoe fietsen voor vrouwen iets had kunnen zijn waarom gestreden moest worden, waarvoor moed noodig was. Zag op een dag de vrije vrouwen optrekken in menigte naar het Concertgebouw. Breed hing in de groote zaal de Noorweegsche vlag, geflankeerd door die van Finland en den Australischen Statenbond - teekenen van de landen waar de strijd der vrouw om het kiesrecht reeds met de overwinning was bekroond. Daar waren de Engelsche vrouwen, de vooraanstaanden, die in 't autoritaire land den zwaarsten kamp hadden uitgevochten; waarvan Hollands mannen en vrouwen met spot en geringschatting de verslagen in de courant hadden gelezen, ze noemend met den naam van belachelijke overspannen suffragettes. Maar die hadden gestreden met heldenmoed, hongerstaking doorleden en gevangenisellende, die ongeschokt den hoon van 't eigen land het hoofd hadden geboden, betaald met den inzet van gezondheid en leven.

De Hollandsche vrouwen zagen klein en met ontzag naar dezen op. Hoorden van deze zusters verkondigen hoe bevoorrecht zij waren te leven onder een regeering, die niet door hardheid en onbillijkheid tot dergelijke uitersten dreef. Onder hen was een heel kleine, gebogen oude vrouw, met heldere donkere oogen, met onderscheiding behandeld door de vreemde vrouwen en aan haar tafel genood. Annebet Kooistra vertelde in slecht Engelsch haar vroeg aanvoelen van de rechtvaardigheid in dezen strijd, van haar eenzaamheid, haar lang en vergeefs uitzien - en de vrouwen die nog krachtig

[p. 576]

en jong stonden midden in het leven, voelden ontroering in hun hart om deze zuster, die zelf te oud om nog te genieten, zich onbaatzuchtig verheugde voor de jongeren.

Amsterdam zag in die dagen de groote schare Vrije Vrouwen trekken langs straten en grachten. Geen elegant trippelende, gracieus tengere vrouwenfiguurtjes, maar rustig overtuigd, groot stappende vrouwen. De Hollandsche vrouw had nog niet geleerd wat haar Fransche, Engelsche, Noorsche zusters hadden weten te bewaren: elegance, het geheim van goed gekleed te verschijnen, vrouwelijke charme ten toon te spreiden. In Amsterdam trok de hobbezak triomfantelijk grauw, sponzig, op plompe schoenen ter vergadering, en in verstomming keek Jacob Leedebour naar zijn zuster, zooals zij stralend van een on-egoïst geluk thuiskwam na een soirée in een avond-toilet van ‘gezonde lijn’. De tijd was voorbij dat hij haar kwetste, omdat hij het zijn plicht meende haar terug te houden van haar verdwazing. Hij had er zich bij neergelegd. Haar korte haren waren nu eenmaal aanstootelijk, haar jurken abominabel. Maar iets had toch in dezen scherpen beoordeelaar van cultuur een snaar getroffen: de macht waartoe het handjevol ‘malle vrouwen’ was aangegroeid, en haar eischen die tenslotte niet van rechtmatigheid waren ontbloot. Hij had het niet noodig gevonden, dat juist zijn zuster wegbereidster werd - maar nu eenmaal de weg gebaand was, hinderde hij haar niet meer met zijn spot.

Truida Leedebour was nu even zestig, een forsche vrouw nog altijd; haar scherp gelijnd gelaat onder de geheel grijze krullen bezat thans een aantrekkelijkheid, die het in de jeugd had gemist. Het was gaan passen in de lijst van dezen tijd, waar het vroeger buiten de toenmalige eischen der schoonheid viel.

Want wonderlijk, ook het uiterlijk type vrouw was veranderd. Temidden van het oude type, van fijne kleine teere vrouwen, bleek, met kleine handen en voeten, was zij een onaantrekkelijk meisje geweest. Maar een groot, forsch gebouwd vrouwengeslacht was beginnen op te groeien. Een ras dat tenniste en fietste en roeide, dat zich ontwikkelde in veel buitenlucht. En tusschen deze was de oude Truida Leedebour nog zeldzaam jeugdig en frisch voor haar jaren. Jeugdiger gebleven dan haar tijdgenooten, waarvoor ze eenmaal smadelijk had moeten terugtreden.

Leedebour zag deze vrouwen aan, trok zich als een slak in zijn huis terug. Tooneelrecensies schreef hij niet meer, slechts nu en dan een zeer scherp onderscheidende beschouwing in een tijdschrift. Maar zijn geheel vergrijsde kop werd nog altijd gezien bij premières, bij belangrijke voorstellingen.

[p. 577]

Naar zijn oude vrienden trok hij. Naar Cloese die na den dood van zijn moeder tot laat in den herfst op zijn buiten Amstelzicht bleef - het achttiende-eeuwsche huis onder de wuivende fluisterende popels, met zijn maangezichten op den Amstel. De oude vrienden zaten er samen op het bordes aan de achterzijde en keken over de gazons uit op het zilverig rimpelend water. En zulke avonden kwam wonderlijk duidelijk voor Leedebours geest staan waar hij nooit van sprak: een graf op een klein beschaduwd kerkhof, waar hij soms heenging en een paar rozen neerlegde.

In Cloeses leven was ook een groote eenzaamheid gevallen door het vertrek der Van Dugtens, en Amélies twee jaar later gevolgden dood. Aan haar dacht hij op die avonden soms - de groote liefde van zijn ontwakende jongensjaren - een zeer diepe vriendschap gebleven.... Van Dugten reisde na haar dood - het laatst had hij een bericht van hem uit Japan....

In de eerste jaren na haar dood, vond Cloese al meer zijn huis gevuld met de jonge speelsche vroolijkheid van Jetje Craets: die in haar bakvischjaren vereerd en graag naar Amstelzicht gekomen was - met hem had gewandeld, gereden, al zijn liefhebberijen meegedaan. Hij had haar leeren paardrijden, en hij had met een vreugde gezien, hoe fier en sterk het jonge meisjesfiguur zonder vrees of aarzeling te paard zat - in een zich vertrouwd voelen met elk levend wezen.

Alleen visschen had zij nooit gewild - bah zoo'n satijnig mooi dier aan dien gemeenen haak! En ook werd zij stil, kon zij zwijgend wegdwalen, als zij hoorde dat hij op de jacht ging.

‘Hoè - hoe kòn een zóó aardige man als meneer Cloese dieren doodmaken - terwijl hij zóó lief deed met paarden en honden,’ peinsde Jetje, met een van die diepe schrikken in haar hart welke ze nooit kon uitspreken. Want je kòn nu eenmaal nooit de dingen zeggen, die zoo heel heerlijk of zoo heel vreeselijk waren.

De heerlijke, dàt was niet erg, maar wèl dat je de erge niet eenc kon zeggen tegen vader of moeder - terwijl je wel wou dat iemand je hielp. Maar dàt scheen nooit te kunnen....

En naar Bussum ging Leedebour, waar de Craetsen na den kort op elkaar gevolgden dood van oom Pieter en tante Sophie Mon Désir hadden behouden als zomerverblijf.

Oom Pieters laat ontwaakte sportliefde was zijn dood geweest. Met zijn driewieler was hij op den hoek bij Jan Tabak opgevlogen tegen een hooiwagen - had een trap van het paard gekregen en werd dood thuis gebracht.

Tante Sophie aan haar tafeltje in den erker, vanwaar zij den weg kon afzien, zag den stoet aankomen. Veertien dagen na de

[p. 578]

begrafenis had zij daar nog gezeten en gestaard naar de plek waar zij hem zoo zorgeloos had zien wegvliegen, altijd herademend weer had zien komen aantrappen.

Tot op een dag de meiden haar misten. Zij vonden haar zitten op de bank voor het huis, geheel gekleed als voor een stadschen tocht. En zij zeide, wat zij honderd malen gezegd had: ‘Ik ga meneer halen in Amsterdam.’

Jetje was gekomen, het zonnige Jetje, dat tante Sophie zoo liefhad, en was gebleven de paar weken toen tante Sophie in bed lag als een langzaam uitblusschend vuurtje. En Jetjes jeugd had angstig bevangen geluisterd naar geprevelde woorden van een dapper verzwegen ontbering: tante Sophie was nog eenmaal terug in haar eigen groot huis in Amsterdam - ze liep door de gang, de trap op - zij zat in de kamers. ‘Een vreemd idee....’

 

----------------

 

En in de zomermaanden zat thans Annette in het koepeltje waar tante Sophie nooit had willen zitten. Zij dacht weemoedig aan de oude menschen die zij zeer had liefgehad; aan de kwieke oude vrouw met haar vlug warm hart, aan oom Pieter, type van echt gentlemanlike oud-Amsterdammer. Er was een eenzaamheid om hen beiden geweest na de begrafenis. Plotseling waren zij, zóó lang kinderen gebleven tegenover die ouden - nu onherroepelijk het oude geslacht geworden.

Want ook de oude vrouw, die zoo lang op den Voorburgwal voor het raam gezeten had, was heengegaan, kort nadat haar oudste dochter voorgoed haar intrek bij haar genomen had. Dood op haar stoel gebleven een avond voor dat venster, waaruit haar troebele sombere oogen het veranderende leven onbewegelijk hadden nagestaard.

En dezen zomer terugkeerend van een reis met Frederik en Jetje naar Thüringen, had Annette Stance bezocht die in Bonn woonde.

Weemoedig en gelukkig tegelijk was het weerzien geweest. Zij had er met Stance gezeten in de groote zonnige kamer met balkon, die uitzag op de bergen aan den Rijn. En vreemd en toch zoo bekend was hier in deze omgeving de aanblik van zooveel oude meubelen: het naaitafeltje van moeder Bremer en haar geborduurd voetenbankje - de portretten der ouders - de canapé waar Stance en Otto in hun verlovingstijd plachten te zitten - de pendule....

‘Och Annètje, - mijn eigen oude Annètje ben je nog altijd - het is toch zoo goed, dat je eens gekomen bent....’

[p. 579]

En dan had zij verteld veel wat Annette al wist: dat zij na lang reizen en trekken in de wereld der Duitsche vrouwenbeweging ten slotte alles zoo moe was geworden, omdat het toch geen verband hield met haar diepste verlangen, haar diepste ontbering. Bij toeval had zij, op een reis ziek geworden deze jonge menschen leeren kennen - een man, vrouw en vier kinderen, die haar dadelijk zeer hadden aangetrokken - en dien zomer was zij daar in pension gebleven. Maar toen was zoo'n vaste band gelegd, dat zij er gebleven was voorgoed.

‘Ik heb hier mijn thuis gevonden - de lieve kinderen, de ouders ook, zijn mijn kinderen geworden.... Ik leef dat leven mee, en geef 't mijne aan hen naar mijn beste krachten....’

Zij keek, een vroeg oude vrouw geworden, met haar verwoeste schoone trekken, waarin alleen de mooie blauwe oogen ongeschonden waren, Annette aan.

‘Uit je brieven komt het oude leven me tegemoet. Soms ook leef ik heele dagen ons kinderleven terug. En toch is alles wat daarna kwam, Otto, Dolfje, zoo sterk geweest. Maar ook zoo droevig. Ik geloof dat ik haast innerlijk de kracht niet meer heb dàt in den geest nog eens te beleven, en ik daarom vlucht in dat gelukkige kinderleven van ons.’

Plots hadden luide stemmen geklonken in den tuin en Stance was opgestaan, had zich gebogen - moeielijk en langzaam zag Annette - over het balkon en geroepen: ‘Komme doch bald!’

Hoe vreemd klonk die liefkoozende bekende stem in het Duitsche woord.... Zij kon zich Stance nooit voorstellen dan met Otto, Dolfje, moeder.... Maar toen waren zij binnengestormd, twee meisjes van tien en twaalf, die hun armen om Stances hals sloegen, haar kusten en meteen verhalen deden - en een jongen leunde aan haar schoot en prutste wat met een scheepje.... dan kwam nog een kleintje binnengeloopen, dat schuw aan de deur talmde.

‘Dat is mijn petekind,’ zei Stance, en ze trok het kleintje bij zich.

De moeder kwam binnen, verontschuldigde zich over den inval der kinderen, nam hen mee na even gepraat te hebben....

Annette had gevraagd: ‘Kom je niet ook eens bij ons logeeren, Stance?’

Maar Stance schudde het hoofd.

‘Ik kan me niet goed meer verplaatsen - en ik kan ook de kinderen slecht missen, ik ben hier geworteld nu. Het slot is geweest na al mijn pogen voldoening te vinden in maatschappelijk werk, dat ik mijn eenige mogelijkheid om het leven nog te leven gevonden, heb in de warmte van een gezin om mij heen. Al het andere liet mij

[p. 580]

leeg. Hier leef ik met mijn nieuwe kinderen, maar mijn eigen lieven zijn altijd om mij heen. Ik weet dat ik ze niet verloren heb, dat ik ze op me vind wachten in die andere wereld....’

Ze keek Annette aan plotseling met haar ouden vroolijken lach.

‘Je bent toch nog altijd Annètje Goldeweijn! Vertel me alles van je kinderen en kleinkinderen. Wat een jonge grootmoeder ben je, met al die getrouwde zoons en dochters....’

Toen had Annette Craets verteld - vertrouwelijk als in geen jaren met een andere vrouw. Van veel geluk, maar ook van zorg. Hoe Pieters vrouw en kinderen zoo teer waren - hoe moeielijk Philip van huis ging; en zijn gezin, drie kinderen waren er, voor zijn laatste reis aan hèn had toevertrouwd. Maar het ging niet licht tusschen hen en Betsy.... Hoe Frits, nog altijd ongetrouwd, leefde als een eenling op de hei; zijn laatste cyclus Amsterdam had veel succes gehad. Sophie had één jongen; Hartonius was een goede man, maar Sophie dikwijls zoo lastig in huis - en Fransje, ach dat kind. Zoo lief altijd voor hen, maar wat 'n zorgen hadden zij om haar uitgestaan. Zij wisten het zelf nu al lang: Francine had geen goeden naam, en zoo opzichtig kleedde zij zich. En telkens weer werd zij genoemd met een anderen vriend. 't Was altijd kort van duur. Zijzelf en Frederìk ook niet, geloofde dat het zoo'n vaart liep. Maar hoe werd er over gepraat....

Sprak zij er met Francine over, dan gaf het soms tranen, drift - soms een lachend schouderophalen:

‘Och moeder - waar denk je nù weer aan - dàt is heelemaal nooit wat geweest.’

Maar eenmaal, en dat had zij nooit vergeten, was Francine uitgebarsten - ineens moest zij denken aan haar eigen moeder toen:

‘Wat jùllie zoo erg vinden, - dat is het erge niet. Dat begrijpen jullie niet! Het erge is: dàt ik het allemaal doen moèt, omdat ik zoek, zoèk - omdat ik de leegte van mijn leven niet aàn kan! Omdat het toch ergens - èrgens op de wijde wereld is wat ik wil - wat ik wéét dat bestaat, en dat ik nooit heb kunnen veroveren!’

Zij zwegen, zaten stil bij elkaar in gedachten. Eindelijk zei Stance:

‘En - je jongste....’

‘Jetje.... Jetje is een schat. Die is nog bij ons oudjes thuis.’

----------------

Later in den trein had Annette het heele gesprek doorleefd. Warm dichtbij en nooit vervreemdend bleef je met wie eenmaal jeugd je verbonden had.... En toch - nu ze terugdacht, wist ze dat ze tenslotte toch het essentieele niet meer had kunnen zeggen.

terug  begin  verder