terug  begin  verder
[p. 589]

IV

TOEN het morgen was begon de dag voor Jetje Craets als een luister.

Misschien regende het, of mistte het buiten - parels hingen aan alle takjes van de winterboomen, aan 't kozijn van haar eigen raam. Kostelijke parels, waarin zich alle kleuren van de wereld weerspiegelden. Een auto toeterde en een voddenkoopman galmde zijn roep door den jongen morgen - het waren de wekkers, de eerste geluiden van dezen gelukkigen dag!

Jetje rekte zich in haar smal mahoniehouten bed. Haar blik dreef over het sneeuwlandschap van Degouve de Nuncque, naar haar vioolkist - ze glimlachte en sloot de oogen.

Vandaag eindelijk ging zij weer les nemen bij Kraus. Misschien was het water heel koud vandaag, het was een bad vol verfrissching, waaruit je wangen blozend opdoken, je oogen zoo helder als nooit. Misschien was het op de trap zoo donker, dat je voet tasten moest naar de trede, misschien viel een vreemd valsch licht uit de even met zon doorschenen wolkenlucht daarbuiten over de ontbijttafel met het kleurig serviesje. Misschien.... Het Chineesche vrouwtje stond daar op haar bordje gracieus en wendde zich wachtend om naar haar minnaar op het dak - half aanmoedigend, half afkeerig. Misschien zat Pieter er, kribbig en benauwd - misschien was er dit alles - voor Jetje was er niets dan het eene: Kraus was terug.

Ze schoof na den morgenkus aan vader, moeder, Pieter de toast toe. Pieter die altijd aan 't ontbijt nog even mee aanzat - maar hij schudde neen. ‘Dat ellendige goed raspte je verhemelte stuk.... Thuis was niets dan oudbakken - Eugénie lag nog in bed, die had het te druk gehad de laatste dagen.’

Annettes lip trok even, maar ze zei niets.

[p. 590]

Hij stak Jetje zijn kop toe.

‘Goed wàrm alsjeblieft, gooi dit maar weg - en geen gootwater, niet verplensen.’

Ze glimlachte, terwijl ze hem hielp. Toen ze hem den nieuwen kop overreikte, zag ze hem plotseling oplichten: buiten klonken hooge kinderstemmen, daar tikten de muizen al tegen het raam.

Jetje liet ze binnen. Ze stormden met verpletterende onverschilligheid langs opa, oma, tante heen naar hun vader.

‘Paps! Dag schat!’ Ze hingen aan zijn hals.

‘Zoo muizen - moet jullie niet naar school?’

‘We moeten jou toch goeiendag zeggen!’

‘Je was zóó maar weggeloopen!’

‘Jullie waren nog niet op.’

‘Je bent een.... beul....’ zocht Hes.

‘Kind,’ fronste de grootmoeder, ‘wat's dàt nu!’

Ze proestten onbedaarlijk.

Ik word ook beul,’ gichelde Li.

‘O ja - sla je de heele familie hun hoofden af.’

‘Kom hier, liefhebbend kleinkind.’ Frederik tilde het veerlichte kind in de lucht. ‘Begin maar met een Janhageltje 't hoofd af te slaan.’

Ze lachten, lieten tegelijk de koekjes in hun mantelzakjes glijden.

‘En nu vooruit allebei, 't is hoog tijd!’ zei Pieter.

Ze kusten hem - wuifden onverschillig in 't rond met hun kleine witte handen - stoven weg. Op straat gluurden ze in hun zakjes, keken mekaar aan.

‘Ik hou er niet van.’

‘Ze smaken naar een poezenmand.’

‘En ze zijn vet. Bah.’

‘Leg neer - zoo, dan zijn we d'r af.’

Ze renden voort. Ergens op een stoep lagen twee Janhageltjes netjes naast elkaar.

Binnen zuchtte Pieter.

‘Ik kwam gisteren Philip tegen met zijn drietal - dat zijn heel andere kinderen dan de mijne. Robuust en stevig. Het kan me zoo hinderen van die lieve kleine dieren van mij, dat ze zoo bleek zien.’

De anderen dachten:

‘'t Is erger dat ze zoo weinig lief zijn. Maar dat ziet Pieter niet.’

 

Jetje Craets legde op eenmaal den strijkstok neer.

‘Het is niets,’ zei ze, ‘het gaat niet.’

Ze deed een paar dansende passen, ging toen zitten op de bank, haar armen gevouwen achter haar hoofd en lachte stralend.

[p. 591]

‘En het doet er ook niets toe.’

Kraus aan den vleugel, zijn handen peinzende glijdend over de toetsen, keek naar haar - de grijzende kop, waar 't eenmaal zware krullige haar al naar achteren begon te wijken, vermoeid in 't volle licht. Een donkere forsch gebouwde figuur, op solisten-concerten de gunsteling van het verwende concertpubliek, boeiend met zijn bezield spel van 't eerste oogenblik, dat hij zijn viool tegen de kin drukte.

Nu, van een tournée teruggekeerd zat hij wat moe ingezakt. ‘Hij had niet geluisterd eigenlijk - meende ze dàt?’

Hij stond op, kwam naar haar toe, en nam haar klein fijn hoofd tusschen zijn gevoelige handen, keek neer in de groote grijs-blauwe oogen. ‘Blauwe meertjes....’ En plotseling kuste hij haar vast op den mond.

Een rood liep over haar heele gezicht tot diep in haar hals.

‘Jetje heeft haar les niet gekend, maar gelukkig meester is niet streng vandaag.’

Ze lachte. Nu was de heele wereld geluk: hij zat naast je en je hoofd lag aan zijn schouder.

‘Je bent zoo làng weggeweest,’ fluisterde ze, ‘haast drie weken. Drie eindelóóze we-ken. Iederen dag vloog ik om de krant. Wat 'n pracht recensies overal hè?’

‘Ja.’ Hij keek soezend voor zich uit, terwijl hij haar handen streelde. ‘Alles even warm en enthousiast. In Frankfort, in Keulen - in Berlijn. Aardige menschen ontmoet. In Dresden....’

‘Ja, wàt in Dresden?’

‘In Dresden komt een plaats als orkestdirekteur.’

Hij voelde het plotseling stil worden van haar heele lichaam, of zij wachtend in spanning versteende.

‘Heb je - daar aan gedacht?’

‘Ach neen. Even. Niet meer. Om alles hier op te geven.... Ik ben geen man voor 't buitenland op den duur. Ik hou zoo van Holland. Maar financieel - 't leven kost ontzettend veel. Als we sàmen hadden kunnen gaan....’

Zij zat nòg stil; ontspannen nu. Als hij deze dingen zei was de dag goed. Dan wist je dat hij het precies voelde als jij - dat het verlangen even groot was bij je beiden. En dàn was alles goed.

Zij trok zijn hoofd tegen 't hare, haar arm om zijn hals.

‘Nu niet piekeren. Alleen vertellen. Of als je niet vertellen wilt schat, dan niet. 't Is allemaal goed, als ik maar bij jou ben....’

Hij zweeg, hield haar in zijn armen. Hij was zoo moe geworden van die tournée - iederen avond de spanning van zijn nooit aflatende

[p. 592]

Bühnenfieber, die hij zelfs tegen haar niet geheel kon zeggen. En dadelijk den morgen na zijn thuiskomst was Jetje warm blozend in zijn armen gevlogen - de heerlijke liefde die nu al twee jaar bijna zijn deel was.

‘Hoe was het zóó geworden....’ kon hij soms denken, - ‘zóó gauw tot de nauwste intimiteit geraakt.... Op eenmaal in de uitputtende eeuwige wisseling van grauwe zorg, zenuwsloopende scènes thuis, gevierdheid, roem die altijd je uiterste krachten vergden - met altijd vreemden - op eenmaal het wonderbaarlijk weldoend zalig weten:

‘Een mensch die je na was als je zelf.’

Jetje Craets in zijn leven. De mooie Jetje Craets, die hij wel ontmoet had op een soiree nu en dan, met haar hautainen gereserveerden glimlach, haar gracieuse rankheid en haar zeldzaam zilverblond haar. Jetje uit dien kring van eng gesloten Amsterdamsch patricierschap, die op een avond plotseling kalm naar hem toegekomen was en hem gevraagd had naar zijn leven. Niet naar zijn muziek.

‘Wie zorgt er nu voor u als u 's avonds moe van een concert thuis komt - of van een reis?’

Hij had verstomd gekeken in de groote grijsblauwe oogen, die met diep indringende aandacht in de zijne staarden.

En hij had voor 't eerst kunnen praten tegen iemand over zijn leven, zijn moeielijkheden: zijn vrouw krankzinnig, verpleegd in een inrichting - hij tobbend met slechte huishoudsters - in een huis dat hij niet op wou geven, omdat het eigen huis waar hij aan gewend was zijn geestelijke rust beteekende. Hij kòn niet verhuizen - in een hotel of pension gaan wonen. Hij had noodig diè omgeving. Hij had gepraat tegen dit meisje, waarbij hij zich een oud man haast al voelde, beweldadigd, of hij dronk als een dorstige voor 't eerst na jaren uit een koele lavende bron.

Nog enkele keeren had hij haar ontmoet, en telkens weer praatten zij samen als oude bekenden. En toen op een dag was zij bij hem gekomen, en had in zijn kamer gestaan in haar verwonderlijke gratie en frischheid, en had hem gevraagd of hij haar les wilde geven.

Zoo was Jetje in zijn leven gekomen en gebleven.

Tegenover hem en zichzelf was zij deze samenkomsten zorgrvuldig ‘lesnemen’ blijven noemen. Hij kwam nooit te weten of zij dit deed om zichzelf te misleiden; hij zag hoe zij den schijn nooit verwaarloosde. Maar hoe warm, hoe absoluut overgegeven was zij! Jetje, die zeggen kon toen hij haar eindelijk in zijn armen had en kuste, op een middag dien ze geen van beiden ooit konden vergeten: ‘Dit is - al is het tegelijk het Wonder - ook

[p. 593]

de gewoonste zaak ter wereld. Altijd als een man mij het hof maakte of vroeg, heb ik het gevoel gehad: “Wat gaat dit mij aan. Dit is het niet.” En ik ging weer verder op een weg, die liep naar jou toe.’

‘Maar ik ben oud, vergeleken bij jou.’

Ze keek hem aan.

‘Er zou niets anders aan je kùnnen zijn.’

Dikwijls dacht hij na die anderhalf jaar: ‘Waar leven we naar toe, Jetje en ik.’ Scheiden kon hij niet van zijn krankzinnige vrouw - wat voor jaren had hij doorleefd eer het zoo ver was, dat zij in een gesticht kon worden opgenomen. En temidden van dit diep geluk, hem toegevallen haast op de grens naar den ouderdom, overwoog hij soms plotseling:

‘Wat moet het ooit worden - een meisje uit die côterie - wàt?’

Maar hij hield het vast, begeerig, hongerig. Heel zijn zachte aard met zijn hunkering naar teederheid, begrip, koestering, rust - heel dat bij alle hulde eenzaam gebleven leven, trok naar dit jonge liefelijke, dat zich zoo plotseling en zoo onlosbaar in zijn bestaan had genesteld, met een wonderlijk sterk indringend begrip van al wat hem betrof. Hij was in de mode, veel jonge vrouwen en meisjes verlangden les van hem te nemen - op zijn concert in Berlijn vond hij een grooten ruiker donkerroode rozen van een leerlinge uit Amsterdam.... Jetje had hem nog nooit een bloem gegeven, ze breide geen cache-nez, borduurde geen doek voor zijn viool - hij kon zich zooiets van Jetje zelfs niet voorstellen. Maar Jetje wist alles van zijn ouderlijk huis in een Duitsch dorp, en den weg dien hij tweemaal per week in 't donker half bevroren en bang liep, om les te nemen in de stad bij den onderwijzer die hem op zijn stijve vingers sloeg - en hem uitschold, omdat hij moe van 't werken op 't land en hongerig, traag en dom speelde. Van de wanhoop dat hij zich een paria voelde, die het nooit tot iets brengen zou. Van de twee zachte oude arme menschen, zijn vader en moeder, die zich het noodigste ontzegden om hun eenigsten zijn lessen te doen geven.

Dit waren de dingen, waarom Jetje Craets hem opeens met een gesmoorden uitroep van woede en erbarming in haar armen klemde:

‘Jij - jij - schat - en die kerel van een onderwijzer - hoe dòrst hij....’

Voor al zijn leerlingen - voor al de vrouwen die hem interessant vonden en schuw waren voor zijn peinzende strakke teruggetrokkenheid, was hij de groote violist die onverschillig vriendelijk langs hun vereering heenliep. In het Amsterdamsch muziekleven waren zijn concerten dagen te voren uitverkocht. Alleen voor Jetje was hij de innerlijk gekneusde, de arme onhandige jongen, die schuw en verlegen

[p. 594]

op 't conservatorium beland was, er eenzaam in zijn sjofele kleeren zijn leerjaren had, in 't begin weinig belovend. Die tenslotte veel te jong, toen zijn ster juist begon op te gaan en hij had kunnen genieten van zijn jong leven, getrouwd was met de dochter van zijn hospita - geprest door een sluwe huilende moeder, een tierenden vader, die zijn onnoozelheid, zijn vrees voor opspraak, misbruikten om hem te dwingen, na een vrij schuldelooze verhouding waarin hij alleen wat warmte, wat vrouwenkoestering gezocht had. En de eerste jaren tòch het troostende, verrassende van iets dat hèm toebehoorde: Gerda, het jonge slanke donkere wezen - dat trouw zijn moeiten en zorgen deelde in een tijd toen hij nog eenzaam stond en onbekend in een vreemde wereld, zonder vrienden, zonder naam, zonder geld. En weer later, toen die troost van den eersten tijd een blok aan zijn been werd. En naarmate hij steeg in zijn kunst die zich thans met volle kracht baanbrak, hem alle deuren opende, en hem bood waarnaar hij hunkerde: omgang met gelijkgestemden - zij niet hierin ook een vreugde vond; maar in een ziekelijke achterdocht steeds zich beleedigd meende, als zijn mindere. Dat een toenemende jaloezie op ieder die hij zijn vriendschap schonk, de heftigste verwijten nasleepte - gevolgd door verzoeningsscènes, waarna zij een paar dagen weer de oude Gerda werd, die trouw naast hem meegeleefd had eenmaal zijn nood en zijn moeiten. Tot eindelijk hij tot het begrip kwam, dat dit niet langer een gezond brein was, maar een ziekelijke overspanning, die hoe langer hoe duidelijker zich demonstreerde - en tenslotte na een paar ondragelijke jaren die zijn mannenkracht kneusden, zijn levensvreugde moordden, eindigde in een crisis waarna hij haar in een inrichting moest doen opnemen.

Dit alles wist Jetje. Dit alles had hij haar verteld, als een wonder de bevrijding erkennend zich te kunnen uitspreken tegen een die begreep met een half woord. Die hem zóó liefhad, dat ze hem liefhad in het verleden - als den armen onoogelijken joden-jongen die langs de bevroren wegen strompelde. Dat ze hem liefhad in een leven met een vrouw waarmee hij tenslotte bijna vocht. Die zijn heele leven met al wat erin was in haar armen had genomen en geborgen tegen haar warm hart. O de absolute vertrouwdheid, die hem een zóó late, maar zoo weldadige lafenis werd.

Hij dacht, als hij haar vertelde van zijn concerten, zijn reizen, zijn leven, over Gerda zijn vrouw, zijn jeugd - en zij luisterde en vertelde soms ook iets van thuis - dat hij dan ook alles van haar wist. Hij verdiepte er zich nooit in, dat er nog een massa dingen moesten overblijven in haar leven waarvan hij niets wist.

Hij kende de Jetje Craets die in haar uitgaansjaren voor exentriek

[p. 595]

had gegolden omdat zij een bal onfatsoenlijk vond. ‘In de armen van een vréémden man, moeder, zoo dicht bij hem, bàh!’ - die, de meest beminde in de heele familie, aan allen gaf haar warme, altijd gereede liefde en belangstelling. Hij kende de Jetje, nog altijd gevierd waar zij kwam, in de bizondere fijne schoonheid van haar zilverblond hoofd, haar rank lichaam en de groote grijsblauwe oogen. Maar hij wist niet van de Jetje, die over het dagelijksch leven heen altijd uitkeek naar de toekomst met hem - de gedachte en de zekerheid die haar droeg. Dat wist hij niet. Want dat waren de dingen, waar je zelfs tegen hem - of misschien juist tegen hem - niet van spreken kòn.

terug  begin  verder