terug  begin  verder
[p. 605]

VI

PIETER CRAETS zat in zijn kamer en sloot de oogen. Het was op kantoor overdruk geweest, en thans in de stilte van zijn eigen kamer, viel plotseling een afmatting over hem. Straks zich kleeden - een diner - het hoeveelste al dezen winter. Hij bleef een oogenblik stil op den eigen wrevel bij die gedachte. Hij hàd dit soort leven toch eenmaal begeerd: een verfijnd huis waar een selecte kring van intellectueelen, kunstenaars, van vooraanstaanden in de handelswereld zich bewoog. En het was hem gelukt. Wat was er dan dat den laatsten tijd hem soms plotseling naar beneden scheen te zuigen. Hij vroeg het zich af dikwijls temidden van een groot en opgewekt gezelschap - hij vroeg het zich af als hij Eugénies overslank lichaam in zijn armen hield, zijn moe hoofd rustend op haar koude blanke borst. De borst van een jongen haast.

Had hij.... ernaast gegrepen? Met zijn altijd toch zoo heldere scherpe oogen verkeerd gezien? Neen. Dat was niet waar. Het was alleen, hij had in nachten niet geslapen van benauwdheid. Hij was moe.

Hij was opgestaan. Zijn pels lag nog op den stoel, zooals hij hem neergegooid had. Hij bedacht, dat zijn vader nooit een pels had gehad. Hij kon er niet buiten bij de eerste kille dagen.

Toen hij gekleed naar beneden ging zag hij zichzelf in den grooten spiegel: lijdend teer zijn gezicht, met kringen onder de groote oogen - de forsche neus sterk uitspringend. Gedistingeerd in zijn smoking.

Hij deed de deur van de kinderkamer open. Hier waren de muizen met de Duitsche juffrouw. Eugénie had liever een Engelsche gehad, maar zij had dit meisje eenmaal meegenomen uit een hotel in Liebenstein, en zij bleek zoo handig, dat zij haar alles kon overlaten.

[p. 606]

Bij zijn binnenkomen stond ze op.

‘Guten Abend,’ zei ze met haar zachte wat vleiende, rustige stem. Haar jong rond gezichtje met de donkere vlechtenkroon keek schuchter naar hem op.

‘Guten Abend Fräulein Rosa.’

‘Papa - Paps.’

De muizen sloegen hun armen om hem heen. Tusschen hen in, stijf gearmd, ging hij zitten op hun wit gelakt canapeetje.

‘Wat zijn jullie mooi.’

‘We moeten straks toch vertoond worden!’

Ze lachten, den spotlach van hun groote grauwe onverschillige oogen, die alleen voor hem zich verzachtten. En zaten naast hem met hun sierlijke lijfjes, met de rustige gratie van hun moeder.

‘Nu hèbben we je Paps!’

‘Zie maar dat je loskomt!’

Hij keek naar hun mooie kindermonden - den mond van hun overgrootmoeder Goldeweijn. En naar de schaduwen onder hun oogen op hun zwakke kleine gezichten. Liefde voor hen deed zijn oogen donker worden.

‘Dat kan niet, maar ik zal aan jullie denken: nu.... ja, wàs machen sie denn heute abend Fräulein Rosa?’

‘Sie meinen? Ach so - ja. Erst lesen wir das schöne Buch das sie von Ihnen bekommen haben.’

‘We kijken de plaatjes en lezen de praatjes,’ gichelde Lily.

‘Wie?’ vroeg het Duitsche meisje verlegen.

Hij glimlachte. ‘Es sind Kobolde, Fräulein Rosa.’

Hij bleef naar haar kijken. ‘Wat een jong bloeiend kind, met die perzikwangen, die zachte ronde borst en gevoeligen mond.... zoo'n echt vrouwtje....’

Ze ging wat verlegen onder zijn blik weer zitten, verstrikte het lint in Hesjes haar. En Pieter, op eenmaal zijn moeheid kwijt, voelde zich wonder behagelijk hier boven, in die gezellige kinderkamer. Een visioen kwam in hem terug van vroeger: zij allen kinderen met vader en moeder om de tafel. In zijn huis aten de kinderen niet aan tafel. En 's avonds zaten zij in een kamer die een salon was - waar geen groote tafel stònd. Hij veegde met zijn zijden zakdoek langs zijn slapen - hijgde.

‘Sie sind heute wieder sehr asthmatisch,’ zei Fräulein Rosa, zacht bezorgd.

Hij keek snel op. Ze kleurde, verlegen over haar vrijpostigheid. Zijn heele familie, zijn vrouw, zijn kinderen hadden nooit mogen laten merken dat zij zijn kwelling zagen. Hij was in dat kregel verweer

[p. 607]

sinds zijn vroege kinderjaren verstard. Nu kwam daar dit medegevoel zoo argeloos gezegd door een stille vrouwestem, dat het hem haast een verlossing scheen na een dag die hem zwaar gevallen was.

‘O - sehr,’ gaf hij toe.

Twee paar kinderoogen keken scherp toe.

‘Ja, können wir denn gar nichts dagegen machen - das ist doch schrecklich.’

Ze sprak met dezelfde stille stem, zonder eenige verheffing, maar er klonk een hartstochtelijke aandacht in door, die hem innerlijk ontroerde.

Hij stond op.

‘Nein, nichts Kind.’

De muizen keken. Hun critisch gespitste geesten vingen een nieuwe, ongekende intonatie. Ze zaten daar met de open plaats tusschen hen en keken vorschend naar hem op.

Hij kuste ze, in zijn gezicht het teedere dat alleen zijn kinderen erin brachten. Fräulein Rosa hield de deur voor hem open.

‘Guten Abend,’ zei hij vriendelijk.

‘Guten Abend und gute Besserung,’ murmelde ze zacht de deur achter hem sluitend.

 

Beneden vond hij de gasten al bijeen. Hij bleef even stil bij de deur, kleiner lijkend in de hooge zaal dan hij in werkelijkheid was, en hijgde in den overgang van temperatuur.

‘Zoo, gelukkig - we dachten je al verloren,’ lachte Eugénie. Zij stond er, schitterend in haar bijna doorschijnende magerte, in haar gratie die in heel Amsterdam beroemd was. Haar fijne lange handen hadden een licht onnavolgbaar gebaar onder het levendig spreken, in het zwak maar schoon belijnd gezicht stonden de groote grauwe oogen koel, oplettend.

Pieter ging den kring rond, zijn scherpe oogen ieder gezicht monsterend: zijn oude handelsvriend Ten Cate, wiens vrouw hij niet lijden mocht - Professor Overbruggen die dezen winter de veel bezochte voordrachten gaf in de aula, en zijn zeer mondaine, zeer onbeduidende praatzieke vrouw. Hartonius en Sophie. Hartonius had hij graag aan zijn tafel, als Sophie maar kalm kon zijn, niet zoo met alle geweld geestig en intelligent. De bekende jonge violist Loeners met zijn allerliefste vrouw, die een eerste plaats in het Amsterdamsche muziekleven innamen. Cloese, de eeuwige vrijgezel, freule Haeuwe, de bekende philantrope - Van Leyden de anatoom, een vroegere klassegenoot van hem. En dan Jetje, mooi en jong in

[p. 608]

haar matblauw zijden lage japon, het blonde haar als een zilveren kroon om haar klein fijn hoofd.

Aan tafel vond hij zich zitten tusschen freule Haeuwe en mevrouw Overbruggen. Aan den overkant het jonge vrouwtje van Loeners. Zij vertelde van het vermoeiend reizen en trekken nu ze dezen winter kwartetavonden gaven. Dikwijls 's avonds niet meer terug - en altijd je gedachten thuis of alles wel goed ging met de kinderen.

Eugénies blik gleed koel over het teere jonge gezicht. Voor haar was iedere gast slechts een pion in het schaakspel van haar feest. De vraag of hij zijn rol naar behooren vervulde, naar den eisch meewerkte tot slagen van het geheel.

Jetje praatte met Cloese - samen hadden zij de vrijmetselaarscode van hun jarenlange vriendschap over alle aanwezigen. Tegenover hen sprak Overbruggen, opgeblazen door de damesvereering sinds zijn cursus, over zijn laatste reis in Egypte.

‘De academische hoogmoed in optima forma,’ zei Cloese binnensmonds.

‘U hebt immers pas dien Jan Steen gekocht voor uw verzameling, meneer Cloese?’ piepte mevrouw Ten Cate.

‘Ik vermoed dat u Breughel bedoelt - ja zoo gelukkig ben ik geweest,’ weerde Cloese bot af. Hij kon de praterij van dergelijke dames niet verdragen, wendde zich weer meteen tot Jetje.

‘Jan Steen is alleen goed in museums; in een particulier huis kan je die voorstellingen van twijfelachtig zedelijk allooi niet hebben,’ viel Sophie Hartonius in.

Hartonius spitste de ooren als bij een alarmsignaal. ‘Daar hadt je 't al. Sophie die zich weer niet geneerde de allerstomste dingen over kunst te lanceeren!’

Overbruggen, achterover in zijn stoel, lachte arrogant.

‘Dat is tenminste een origineele opvatting.’

Sophie, de kleine donkere oogen wantrouwend, keek hem aan.

‘Origineel vindt u?’

‘Ongetwijfeld mevrouw. Het is onze grootste genreschilder weer eens uit een nieuw oogpunt bezien.’

Zij zweeg op haar hoede, keek hem onafgewend achterdochtig aan.

‘O - o -’ steunde Hartonius bijna hardop. Opeens ontnam hij haar met geweld het woord door te vragen:

‘Zeg, hoe heb je toch gevonden dat geschenk aan het Rijksmuseum, uit die onbekende collectie? Kolossaal hè?’

‘Ja enorm. Daar leeft me doodstil en onbekend een mannetje in Sloterdijk - in een soort pakhuis. En die heeft er een rijkdom

[p. 609]

van oude en nieuwe meesters. Na zijn dood wordt dat gevonden. Niemand die 't bestaan ervan vermoedde.

‘Behalve ik,’ zei Cloese droog. ‘Ik kende hem vijf-en-twintig jaar. Zijn collectie was een der zeldzaamste van Europa.’

‘Zoo?’ Overbruggen boog zich nieuwsgierig naar voren.

‘Het was, wat menschen noemen: een zonderling,’ vertelde Cloese bijna geheel tot Jetje gewend, terwijl allen geïnteresseerd luisterden. ‘Een mannetje in een sjofele jas, met een pet op. Hij ontbrak op geen veiling - en er was geen kunstkooper die hem niet kende. Hij reisde alle landen af, maar ging met niemand om. Door een toeval heb ik kennis met hem gemaakt. Hij liep bij me in en uit zooals ik bij hem. Hij had een ongeloofelijke kennis bij den eersten oogopslag.’

‘Maar wat wàs 't voor een mannetje? Wat geheimzinnig!’ piepte mevrouw Ten Cate.

‘Hij heeft me zijn levensgeschiedenis eens verteld.’ Cloese dronk zijn glas leeg - keek in de nieuwsgierige oogen.

‘Hij droeg een ouden naam - een der oudste uit ons land.’

Dan in 't algemeen verwachtend zwijgen glimlachte hij tegen Jetje; in zijn donker verbrand mager gelaat zagen de sterke oogen aandachtig in de hare:

‘Wat twee oude kerels mekaar in een sentimenteel moment vertrouwen, dat moet maar verzegeld blijven nietwaar?’

Jetje glimlachte - dacht aan iets anders.

‘Voor dien glimlach, en dien mond,’ dacht Cloese ‘zou ik een dwaasheid doen.’

Maar toen waagde Jetje opeens den sprong.

‘Was u in Berlijn op 't concert van Kraus?’ vroeg ze Loeners.

‘Ja, we waren er. Kraus was zooals ik hem nog nooit gehoord heb.’

‘Hij is de eenige die me aan Joachim herinnert,’ zei freule Haeuwe.

‘En een enthousiasme daar! In 't buitenland merk je pas hoe koud de Hollanders zijn in hun waardeering.’

‘En hoe moeielijk ze apprecieeren. Pas als zijn roem in 't buitenland opgaat, durven de Hollanders den Hollandschen meester hun karigen bijval schenken. Als Messchaert hier zijn liederavonden geeft vinden ze dat hier heel mooi, heel goed, maar in Duitschland zijn ze wild van enthousiasme - beseffen ze dat geen enkel zanger Schubert en Schumann, en Löwe zingt als hij.’

‘Je vergeet Henschel, Nelly!’ zei Cloese.

‘Neen! Hoè zou ik ooit Henschel kunnen vergeten! Hij blijft voor mij de dierbaarste met zijn heerlijke natuurstem. Maar Messchaert is de ten top gedreven verfijnde cultuur. Die Schubert cyclussen - ieder zangleeraar geeft ze zijn leerlingen te zingen omdat ze stimm-

[p. 610]

lich makkelijk zijn schijnbaar. Ach hemel, 't is ongeloofelijk moeielijk om de romantische Weltschmerz, het uitsluitend eigendom van Duitsche jeugd uit dien tijd weer te geven - dàt doen Messchaert en Röntgen onvolprezen.

‘Maar met dat al willen we ook wel eens andere liederen,’ zei Van Leyden. ‘Die stemming van weenen en doodsverlangen om een ongelukkige liefde is uit den tijd.’

‘Neen,’ zei de oudere vrouw krachtig, en haar vervallen gelaat verkreeg met den sterken oogenglans een schaduw van vroegere schoonheid. ‘Die is van alle tijden - onverwoestbaar. Want het is de eigenaardige jeugdstemming die te goeder trouw zichzelf bedriegt. Die met groote woorden den dood bezingt en het leed. Omdat.... ze het werkelijke leed nog niet kennen. Ze hebben nog niets waarachtig verloren, daarom kunnen ze zoo allerliefst zingen van verloren liefde.’

Allen waren even stil. Ze waren allen zoo jong niet meer, dat wisten ze plotseling.

Maar Jetje dacht opeens: ‘Ik alleen ben jong nog tusschen hen - en eigenlijk ook niet eens zóó jong meer. Ze vragen mij bij al die ouderen omdat ik bij de jongen niet meer pas.’

Ach - maar wat deed het ertoe. Wat deed iets ertoe behalve dat eene: in zijn armen, tegen zijn jaren was zij jong. Hoeveel jaren sterk jong vrouwenleven hield zij nog voor hem gereed. Eenmaal zoù hij een uitweg zoeken en vinden. Ergens moest de weg zijn voor twee menschen naar het geluk.

Van Leyden, die niet voor muziek voelde, zei opeens:

‘Freule Haeuwe zit zoo stil - die denkt aan de schilderijen. Zooveel dood kapitaal, wat had ik daàrmee kunnen doen!’

Maar de scherpe oude vrouw zei:

‘U hebt mijn gedachten niet onder uw ontleedmes meneer Van Leyden.’

Cloese lachte.

‘Heel goed Nelly. Eén vrouw is duizend mannen t'erg. Ik had gisteren een Amerikaanschen vriend bij mij. Weten jullie wat het nieuwste nieuwtje is? De Pathéphoon. Een plaat die met geweldige snelheid ronddraait onder een naald - en daarmee kan je elk stuk muziek, elk lied bij je thuis, onder je kopje koffie genieten.’

Uitroepen van verwondering liepen de tafel langs.

‘Allemachtig,’ prevelde Pieter, ‘verbeeld je dat je huisgenooten de macht hebben je daarmee in je eigen rustige kamer te hinderen.’

Cloese ging voort: ‘Het wonderlijke is, dat Bellamy dat in zijn boek “Het jaar tweeduizend” al nauwkeurig heeft beschreven. Ik las dat

[p. 611]

in het begin van de negentiger jaren. Alleen gaat hij nog verder: dat door verbinding van draden je alle muziek die er op dat moment in de concertzaal gegeven wordt, thuis krijgt te hooren.’

‘Ten slotte zullen we heelemaal niet meer voor een publiek spelen,’ lachte Loeners. ‘Gaat niemand meer naar een concert en hoort iedereen ons liever bij zijn eigen kopje thee thuis.’

‘Gelukkig zijn wezoover nog niet,’ zei Nelly Haeuwe, ‘wat zou er komen van de vonk die overspringt van artiest op publiek, van mensch op mensch en van hart tot hart. Ik wil een gezicht zien, een figuur in al zijn bewogenheid terwijl ik luister.’

‘Een gezicht is toch maar het uiterlijke en om het innerlijke gaat het,’ piepte mevrouw Overbruggen.

‘Ach, wàt is uiterlijk. Er bestáát geen uitsluitende uiterlijkheid. Het uiterlijke is de spiegel van het innerlijk. Een uiterlijk zou zóó niet zijn, als dàt innerlijk er niet doorheen scheen, en het maakte tot wat het was. En daarom wil je bij een uitvoerend kunstenaar beide tegelijk.’

‘Zooveel is mogelijk gebleken in den laatsten tijd, waarom ook niet die muziek overgebracht naar je eigen huis. Edison heeft ons wel dezen telephoon gebracht, wie droomde daar dertig jaar geleden van.’ zei Pieter. ‘Nu leven we erop, zaken doen is niet meer denkbaar zonder dat.’

En weer dachten zij die mee aanzaten terug, en voelden hoe snel de tijd, de verandering was gegaan; hoe de jaren joegen en de nieuwe geest hen meegesleurd had in een niet meer te stuiten vaart. Stil en wonderlijk onaantastbaar afgesloten, in een aartsvaderlijke kalmte en rust, stond daar nog in hun herinnering het oude Amsterdam. En op eenmaal zag Pieter in een zonderlinge vermoeidheid terug een ouderwetsche kamer; hij voelde zich tillen op een breeden schoot en hoorde een hooge vrouwenstem zeggen: ‘Ben je zoo benauwd? Kom maar tegen oma aan mijn jongetje, dan zal 't wel beter gaan.’

‘Waar kreeg hij nog ooit het gevoel dat hij uitrusten kon... Alleen je eigen oude jongenskamer thuis, die was er nog.’

De Loenersen hadden zich vastgeklampt aan de idee van Bellamy, sponnen het uit met Nelly Haeuwe. Mevrouw Ten Cate, een goede huishoudelijke ziel, begon confidenties tegen Sophie Hartonius die woedend op haar man, het heele gezelschap verfoeide. Eugénie na een paar glazen wijn had een blos gekregen, welke aan haar teer gelaat een onwezenlijken bloei van avondschoon leende. Haar mauve japon met kleine parelen geborduurd trok mevrouw Overbruggens oogen fascineerend; en haar conversatie al levendiger, fladderde van den eenen gast op den anderen. Dit was de sfeer eindelijk

[p. 612]

waarin Eugénies wezen ontwaakte. Ze stond laat op, rustte een deel van den middag om voor den avond de vermoeidheid de baas te worden die haar na de geboorte der kinderen neerzoog in machteloosheid, den ganschen dag. Tot de avond kwam, en dit frêle leven zich verhief, bezield slechts door avondlicht, geruisch van vele stemmen, toiletten, de eigenaardige sfeer van het feest. De gansche dag bleef grauw, onwezenlijk, van een uiterste verveling om de onbelangrijkheid aller dingen, tot aan het leven van den avond haar eigen leven kracht gewon, haar matheid zich verhief tot de betooverende fragiele bewegelijkheid, haar doffe oogen werden doorschenen van gouden glansen. Waarna ze weer in elkaar zonk bij 't grauwe dreigende aangezicht van een nieuwen dag.

 

Na tafel hadden Loeners en zijn vrouw gespeeld.

‘Vindt je het ook zoo afschuwelijk?’ vroeg ze terwijl ze hun muziek zochten.

En hij zijn viool opnemend: ‘Criant. We gaan weg als dit gedaan is. Sonate van Haydn.’

Sophie zat naast freule Haeuwe op de canapé. Dat was tenminste een veilige connectie. Ze begon over Arbeid adelt te spreken, maar de oudere vrouw, haar volle aandacht bij de muziek, riep:

‘Die in C-dur meneer Loeners?’

‘Ja freule.’

‘Heerlijk. Dan kom ik daar zitten.’

Zelf hielp Pieter mevrouw Loeners na afloop in haar mantel.

‘'t Is bizonder vriendelijk van u geweest te komen spelen, en ons nog bovendien het genoegen van uw gezelschap aan tafel te willen geven. Ik hoop dat u uw kinderen rustig slapend zult vinden.’

De jonge vrouw die den heelen avond bleek was gebleven met stroeven mond, glimlachte.

‘Hoe komt die man aan zoo'n vrouw,’ zei ze op straat. ‘Hij zit daar of hij heel andere dingen zou willen.’

 

Pieter Craets draaide de lichten uit, terwijl Eugénie nog even de kamers door dwaalde. Dat deed ze altijd, als een machine die aan 't afloopen was.

‘Wel geslaagd, vondt je niet, in aanmerking genomen het heterogene gezelschap.’

‘O ik vind al die dingen altijd hetzelfde - zonder belang of raison.’

Ze keek hem vluchtig aan. Als een licht wolkje dreef de gedachte

[p. 613]

aan haar voorbij dat hij veranderd was den laatsten tijd, dat hij dit alles ook eenmaal sterk begeerd had. Maar het vergleed weer. Ze zag zichzelf even aan in den grooten spiegel, zweefde de trap op naar boven.

Hij kwam haar achterna, langzaam. Aarzelde een ondeelbaar oogenblik voor de deur der kinderkamer. Het was hem of hij daarachter een gezonde rustige ademhaling hoorde.

 

Thuis gooide Sophie Hartonius haar sjaal neer.

‘Ziè je wel dat Pieter en Eugénie ons altijd vragen met dat soort onhebbelijke menschen!’

‘Wie waren er onhebbelijk?’ geeuwde hij.

‘O ja, jij gaapt natuurlijk alvast als ik begin te praten. Jij hebt weer niets gemerkt. Inplaats dat je me helpt, laat je me beleedigen door dien kerel.’

‘Welke kerel?’

‘Dien Overbruggen!’

‘Hij lachte je uit, omdat je nonsens praatte.’

‘Ik??!’

‘Ja natuurlijk. Als je toch maar eens wou laten jezelf belachelijk te maken, met je oordeel over dingen waar je niets van weet. Wees dankbaar dat ik je gered heb voor nog grooter flaters.’

Ze zweeg, machteloos vernederd. Ze haatte hem omdat hij de macht had haar te vernederen. Ze haatte hem, omdat hij niet in haar zag de vrouw die zij was. En haar hoogmoed weende in bed radelooze tranen van een besef dat zij op dezen man niets vermocht.

terug  begin  verder