terug  begin  verder
[p. 614]

VII

FREDERIK CRAETS lag, bezocht door een van zijn hevige verkoudheden, in een plaid begraven op de canapé. Verkoudheid alleen maakte hem slecht gemutst, prikkelbaar. Met een ellendige neusstem had hij menschen ontvangen, een voorstel gelanceerd in een raad van commissarissen dat niet was aangenomen. Hij vond dat Annette en Jetje de deuren thuis openlieten - hij morde bij het idee dat hij met zoo'n onsmakelijk gezicht als een hoesterige oude heer tegenover zijn kinderen en kleinkinderen zou zitten op Kerstmis, en had eindelijk zijn misère onder een plaid geborgen.

Louise, die bij hem kwam, vroeg: ‘Ben je wat verkouden, Frederik?’

En hij zei nijdig: ‘Neen. Lekker!’

Prikkelbaar en neerslachtig ook bepiekerde hij dingen waarover hij, gezond, met lichten tred, gesteund door zijn philosophischen kijk, heen stapte.

Hij miste oom Pieter. Meer dan hij ooit aan iemand bekende. De oude Pieter Craets die met zijn eigenaardig uiterlijk toch eerbied afdwong, altijd en overal met zijn geest, zijn warm hart, zijn fortuin, voor zijn stad op de bres had gestaan. Frederik, die met hem gezeten had in tallooze besturen, nu de oudste Craets was geworden, miste nog steeds naast zich dat heldere, rustige, ervaren oordeel waaraan hij zich in moeielijkheden had kunnen overgeven. Hij zelf wàs altijd gebleven de sierlijke dilettant; het krachtig doorzetten, zelfs al moest hij er een ander belang mee onder den voet loopen, was hem bij zijn beminnelijkheid, zijn souplesse nooit eigen geworden. In den oudere had hij den steun gevonden van een sterke, niet licht geëmotioneerd, wat bekrompen, maar daardoor ook vast den eigen weg gaand. Aan den jongen Pieter, die geheel in den nieuwen tijd stond, scherp

[p. 615]

snel zag en handelde, had hij steun, maar hij stootte zich ook dikwijls aan hem. En onmerkbaar trok hij zich in zijn diepste innerlijk terug. Trok hij zich terug ook, hooghartig van het om hem heen veranderend Amsterdam.

Als hij zijn wandelingen langs het IJ deed, soms met Jetje, maar ook dikwijls alleen, dacht hij aan de jaren, toen hij met zijn jonge kinderen hier ging. Een enkelen keer nam hij een kleinkind mee - het meest Lou van Philip - soms het kleine Annètje - Mies van Francine, die trouwhartig aan zijn arm liep te vertellen van school, haar vriendinnen. Een enkelen keer ook den bleeken stillen Willem Hartonius, die zoo tobberig uit zijn blauwe oogen kijken kon, en blokte op zijn lessen. Hij ging met deze kinderen uit een nieuw geslacht, en in hem was de bewustheid hoe ze in alles verschilden van zijn tijd. En ook hoe de kinderen Amsterdam maakten tot een andere stad. Wie fietste er niet - de rust in de straten was verdwenen; auto's waren al lang niet meer de curiositeit die hem eenmaal op zijn stoep tot woede had gebracht; al bleef hij het een minderwaardig vervoermiddel vinden in vergelijking met de oude equipage. Maar erger dan dit hinderde hem de steeds voortgaande vernieling van zijn stad. Hooge uit den toon vallende gebouwen drukten het schoon van een gansche gracht soms.

En in een geweldigen uitleg naar het zuiden verrees een nieuwe stad waar hij als een vreemdeling doorliep. Een stad die de bevolking tot zich trok in huizen van modernen bouw, in een voorkeur dien hij, gewend aan de groote kamers, breede gangen, zich niet verklaren kon. En de oude stad werd langzaam gedegradeerd tot zaken-centrum en niets dan dat.

Want de heele geest die zijn stad bestuurde en beïnvloedde was veranderd. De arbeidersstrijd was gestreden, de dam doorgebroken; de democratische opvattingen hadden alle standen doortrokken. Niet meer op behoeden van oude schoonheid was men bedacht. Waar fijne geesten, trouwe harten, als Van Dugten, Pieter Craets, eenmaal pal hadden gestaan voor 't behoud van oud-Amsterdam, daar was het thans een onverschillige zaak geworden of van een der schoonste steden van Europa door schennende handen en eerbiedlooze zielen een karakterlooze moderne stad gekneed werd, waarin alles wijken moest voor utiliteitseischen. Die geen overgeërfde cultuur in zichzelf bezaten, nooit schoonheid hun eigendom hadden geweten, sloopten en verwoestten zonder pieteit. Vermoord was de Dam waar een vuile poel lag sinds maanden op de plek, waar eenmaal het historische Commandantshuis het plein zoo goed had afgesloten.

[p. 616]

Ook buiten Amsterdam ging de verwoesting. Verbrokkeld werden de groote landgoederen, gemaakt tot villadorpjes met kleine huisjes en benauwde laantjes. Zonder weifeling, zonder betreuren. Want immers nooit had het Hollandsche volk het eigendom van anderen weten te ontzien en te eeren. De kruideniersgeest waar Multatuli op gehamerd had, was thans eerst recht uitgebroken in een tijd, dat de nieuwe geest schoonheid had behooren te brengen. Erger, vernielender dan vroeger, toen een rem van beschaafden smaak nog de geldzucht tegenhield, waaraan thans alles ten offer viel.

Dit alles bedacht Frederik Craets in zijn verdrietige verkoudheids-stemming. En hij zag zich, wat hij ook niet opwekkend vond, op 't oogenblik gansch niet de deftige Amsterdammer van aanzien - maar een oud geworden heertje, een molecule in het groote raderwerk van zijn tijd, die het best zonder hem kon stellen, geen behoefte aan hem had.

Hij zuchtte. Snoof.

Dat Melgers nu juist de stoep opkwam, deed Annette en Jetje elkaar bedenkelijk aanzien.

‘Vadertje,’ zei Jetje, ‘daar is Jan.’

Twee waterige oogen en een vuurroode neus schoten boven den plaid uit.

‘Ik kan hem niet ontvangen. Die vent met zijn geklets, die geen seconde zijn mond houdt.’

‘Hij is al in de gang.’

Hij kneep zijn oogen dicht, schudde verwoed zijn hoofd. ‘Zeg dat ik besmettelijk ben - dat het gevaarlijk is voor zijn gezin als hij bij me komt - zeg voor mijn part dat het pokken zijn....’

Het werd zonderling stil om hem heen. Hij deed zijn oogen open - voor hem stond Melgers, vriendelijk lachend.

‘O - hoe vaar je?’ zei Frederik voorkomend. ‘Ga zitten.’

In de gang lachte Jetje uit.

 

Maar ook Annette in die dagen voor Kerstmis, nu zij langs de straten ging om haar inkoopen te doen, tenslotte te belanden soms in den winkel van De Roos voor een boek of dikwijls alleen voor een praatje - kon de nieuwe tijd storend bespringen. Zij ging, nog altijd statig en vlug, het grijze haar gescheiden onder den kleinen capotehoed - de breede, zwart satijnen brides gestrikt onder het blanke frissche gelaat. En zag telkens een van de oud-bekende solide zaken verdwenen, verdrongen door de steeds zich uitbreidende, groote magazijnen, die de kleine winkels opslokten en vernietigden. Op de plaats waar de oude Beurs van Zocher had gestaan, was de

[p. 617]

Bijenkorf verrezen - een warenhuis waarvan de vrouwen der zestiger jaren in Amsterdam niet gedroomd hadden.

‘Hoe eentonig,’ dacht Annette, ‘was de eens zoo karakteristieke Kalverstraat met zijn uitgebouwde winkelkasten, thans van al die op elkaar gelijkende breede glasgevels geworden.

Zoo omslachtig - niet meer betalen aan de toonbank - rond te moeten loopen om de kas te zoeken - die Bijenkorf, ze werd er duizelig van volte, drukte en rumoer. En tegelijk bedacht zij verbijsterd hoe dàt alles had kunnen groeien uit den kleinen, donkeren, stikvollen winkel op den Nieuwendijk.

De ouderwetsche winkel van De Roos stond daar nog onveranderd, maar daarbinnen zei Karel eens:

‘Weet je Annètje, sinds de jongen hier aan 't opgroeien is, vertegenwoordigen we hier twee geslachten. Dat is in een boekwinkel iets heel merkwaardigs. Ik sta nog op de bres voor de oude schoonheid, waarmee ik eens, in mijn jongen tijd weet je nog? een nieuwlichter was. Een van de felste voorvechters. En nòg vecht ik: in de belletrie beleven we een rijken tijd.’

Hij liep langs de wanden, zijn handen raakten hier en daar een boek, grepen er een uit, schoven het weer in.

‘Wat we misten bij de Nieuwe Gidsers, wat we verlangden en waarmee de Franschen, de Russen ons vóór waren - de Duitschers ook - den grooten roman, dièn beleven we nu eindelijk hier.

Het werk van korten adem, het mag nog zoo fijn en nijpend sterk zijn - dezelfde eigenschappen kàn de groote roman hebben - en dat blijft dan toch immer in proza de belangrijkste kunst. En kijk nu eens aan: daar hebben we Couperus in al zijn rijkdom - al kunnen ze betweterig niet laten op hem te schimpen in de bladen, de tijdschriften - wie doet het hem na. En we hebben nog veel meer: De Meester, Top Naeff, Robbers, de Schartens - en altijd nog Emants. Hij is onze somberste, maar meest meedoogenloos scherpe psycholoog. Wij hebben Heyermans en Querido .... En neem nu eens een boekje als Tropenwee - voortreffelijk. Ik zeg je: ik ben trotsch op dat alles. Het proza is eindelijk bij ons doorgebroken in een rijken bloei.

Maar de jongen - daar is hij jong voor en onbekend met het leven, kan geen enkele schoonheid waardeeren buiten de sociale gedachte. Troelstra, Gorter, Henriette Roland Holst, dat zijn zijn goden. Niet Gorter die ons ‘De Mei’ gaf, dat heerlijke ding, maar den nieuwen Gorter. Adama van Scheltema kan er nog nèt bij; zijn gedicht op Troelstra toen die vijftig jaar werd in Het Volk heeft dat gewrocht:

[p. 618]
 
‘Troelstra, uw naam is als een klok die luidt
 
Gij hebt den klank van verzen niet meer noodig,
 
Die als een heldendicht uw leven schreef
 
In harten die naar uw woord opengingen.’

Annette had stil zitten luisteren. Nu keek zij op met een frons van droefheid boven de oogen.

‘Karel, het hindert me zoo dat de jongen niet gelijk met je opdenkt!’

Hij lachte, leunde tegen de kast.

‘Maàr Annètje! Ik heb me de weelde veroorloofd een gezin aan te schaffen; wèlke vader vindt zijn kinderen gelijkdenkend met zich, zelf? Er zal altijd strijd zijn tusschen twee geslachten.’

De nicht kwam den winkel door. Een groote struische vrouw. Zij groette Annette koel.

Hij ontmoette Annettes oogen. Hij was lang niet bitter meer, dien blik kende hij vanaf het moment dat zij hem het groote levensleed had aangedaan. Zóó was zijn noodlot geweest. Ze had van hem gehouden - ze had hem begrepen - hem noodig gehad - en dat alles juist zooveel te weinig om haar te beletten met een ander te gaan. En terwijl ze die groote ontrouw aan hem gepleegd had, was ze een heel leven door hem trouw gebleven.

‘Als je leven zich niet heeft willen aanpassen aan je wenschen, moet je je wenschen passen aan je leven....’

Zij zat op het lage matten stoeltje; door de winkelruit scheen rood licht van een Kerstversiering - overal in de uitstalkasten prijkten kerstboompjes.

‘Waar blijft onze eigen Hollandsche Sinterklaas Karel, als voornaamste feest?’ morde zij. ‘Dat Kerstvieren is Duitsch! De heele bloemmarkt ligt vol van die mooie groene uit hun grond gehaalde boomen....’

Toen dachten zij beiden aan een Sinterklaas lang, lang geleden. Een jongen die achter de gesloten luiken silhouetten uitlegde in de etalage; een meisje dat op de toonbank, déze toonbank gezeten, stil gelukkig toekeek.

Zij zwegen beiden. Het leek ver.... en toch zoo wonderlijk dichtbij.

 

Toen Annette naar huis liep, betrapte zij er zich op dat zij toch overwoog haar tafel een speciale Kerstversiering te geven. Het moest heel feestelijk zijn, want Philip was thuis, en ook. Frits was gisteren uit zijn hol komen kruipen, en zat daar in zijn te nauwe bruine pak op haar te wachten toen zij thuiskwam.

[p. 619]

Och met Frits was het toch ook nog goed terechtgekomen, al bleef het een wonderlijk leven voor een jongen man. Maar hij, de eenige ongetrouwde had geen andere sterkere belangen die hem wegtrokken van haar. Hij kon met de oude trouwe aandacht haar kleine avonturen meeleven - hij kon zoo helder en wakker zijn opmerkingen en meeningen zeggen over de anderen - over wat haar bezorgd maakte soms en hinderde.

Tegen de Kerstdagen was ook Frederik weer opgeloken, kon hij hersteld zich verheugen in het samenzijn met al zijn kinderen en kleinkinderen.

En geen rust had Jetje zich gegund den ganschen langen dag om op de zaal de tafel op zijn mooist te sieren. Het oude porcelein en kristal had zij uit de kasten gehaald, met gratie alles geplaatst en geschikt. En bij dat alles zag zij iets anders: een andere kamer, die zij stil binnengeslopen was en heimelijk gemaakt had tot een klein paradijs met hulst en maretakken - met roode tulpen en kaarslicht overal. De loerende spottende oogen van de huishoudster had zij niet gezien. Bij den kleinen Kerstboom hadden zij samen later gezeten; een Kerstboom voor hen beiden alleen.

Kraus had gezegd: ‘Wonderlijk, nu ben ik al zóó lang uit Duitschland weg - maar met Weihnachten dan voelde ik me hier altijd verlaten.... Je weet niet wat je me hiermee gedaan hebt.... Hoe wist je het?’

‘Hoe weet ik àlles geloof ik van jou....’

‘Ja,’ zei hij stil, ‘dat is waar.’ Hij zweeg in gedachten, vertelde dan: ‘Thuis zaten we met z'n drieën bij een klein boompje, dat vader in 't bosch halen ging. En dan wou ik altijd hetzelfde: mooi hooren zingen. Maar bij ons kòn niemand zingen. Gek hè? Zing jij nu wat voor me....’

En Jetje had gezongen, met haar vreemd hartstochtelijk onvaste stem - Kerstliedjes.

 
‘Die heiligen drei Könige aus Morgenland...’

Kraus dacht hoe haar zang had wat haar vioolspel miste.

Om hen hadden de kaarsen geknetterd - het dennegroen geurde. In zijn armen, met al wat van hem was om haar heen, dacht Jetje, en ze moest de oogen sluiten: ‘Het is volmaakt.’

 

Dat was gisteren geweest. Deze dag was voor thuis - maar ook deze werd gedragen door datzelfde geluk. Uit die zoete pijn moèst zij geven - moèst zij lachen en babbelen en voor ieder wat liefs

[p. 620]

bedenken als uit een alles zaligmakende bron. Lachen naar Philip die daar zat, zoo vroolijk en stralend om de oude oerknusse gezelligheid van thuis - om zijn jongens - om zijn schat van een Betsje - om ‘Klein’ die daar zat met haar lief gezichtje zoo statig en mooi - om goeden vader, steeds trouwer en hartelijker voor hen allen met de jaren. Lachte zij naar Pieter, die naast Betsy met haar het vroolijkste paar was. Pieter die peilend in de oogen keek waarvoor Philip eens zijn dwaasheid begaan had, alsof hij er iets in zocht - wien het poezelige donkere vrouwtje plots deed denken aan dat meisje thuis.... Rosa. 's Morgens hadden de muizen hem binnen getrokken om te kijken naar het boompje waarmee fräulein Rosa hen verrast had.

Lachte ze naar Eugénie, die daar zat in haar onwezenlijke bekoring van kaarsschoon - glimlachend, vermoeid, in de groote grauwe oogen gouden glanzen....

Lachte naar tante Louise, geweldig recht en groot in haar zware zwart satijnen robe, haar sombere tragische zwarte oogen in 't verwelkt schoon gelaat van oud idool, warend over de tafel.

Lachte naar Frits, verouderd, groezelig, maar met een vergenoegden trek om zijn zachten mond.

Lachte naar Francine, haar goede oude Frans - zoo smakeloos geverfd en geblanket, met haar faux-air van jeugd, maar ook met haar altijd ontroerende warme hartelijkheid.

Lachte naar Sophie, die te rood zag, druk was; en naar Hartonius, zacht tevreden, wiens oogen dit schoonzusje zochten, waar hij zeer veel van hield. En naar Jan, goedige berustende Jan, die niet altijd meer zijn vroolijkheid ophield, en soms zoo stil somber voor zich uit zat te staren.

Lachte naar de kleinkinderen: den langen bleeken Willem naast Pieters oudste bijdehande muis. Philips spruiten, druk en gezond. Francines dochtertjes: Mies frisch, vroolijk met haar roode appelwangen en Jenny stil, bleek, donker. Fred, een echte dandy - knap - hij leek op Philip.

En allen aan de groote, vroolijk en fijn versierde tafel, ontmoetten dien stralenden en toch onpersoonlijken blik, die door hen heen op iets anders gericht was.

Zoo diep was de glanzing van haar oogen, zoo doorschenen van een innerlijken gloed haar zuiver klein gelaat, dat Frederik geboeid en ontsteld haast zijn kind aankeek. En hij, de oude vrouwenkenner wist: zóó zag alleen een vrouw er uit, die een groote liefde had.

Blij toastte Frederik. Op zijn vrouw, zijn zuster Louise, zijn kinderen. Hij sprak ze toe:.... allen.... die zijn liefde waren en

[p. 621]

zijn vreugd.... Toen ze kwamen met hem klinken, een lange optocht van jong leven uit Annette en hem geboren, werden zijn zachte goede oogen vochtig; en ook zijn schoonkinderen: de koude Eugénie, de stroeve Hartonius, het weerbarstige Betsje en de onnoozele Jan, ontmoetten dien vaderblik welke nooit in daden teleurstelde. Toen Jetje voor hem stond ontroerde hij dieper.

‘Kind -’ zei hij zacht, wat onvast, ‘Kind....’

En zij prevelde: ‘Ja vader - vaderlief....’ gleed dan door. Zijn zuster Louise stond bij hem en hij dacht:

‘Ben ik ook zoo oud?’

 

Thuis schoof Eugénie nog even in haar stoel voor den haard.

De muizen hadden goedenacht gezegd, lagen in bed op vader te wachten. Pieter bleef staan bij het vuur.

‘Wat heeft Fräulein nu vanavond gedaan?’

‘Hoezoo?’ vroeg ze vriendelijk. Eugénie was altijd vriendelijk.

‘'t Is toch Weihnachten, daar zijn die Duitschers zoo op gesteld...’

‘Ze heeft haar Freunde - daar is ze heen geweest.’

‘Nu ja.... ik bedoel hier....’

‘Beste, ze heeft natuurlijk haar cadeautjes gehad, net als de anderen.... Nu ik ga naar bed. 't Was gezellig hè - vader echt op dreef - moeder zag er beeldig uit. Wat is die zaal toch mooi. Mooier nog dan onze.... Tot straks.’

Hij talmde, zat nog een poosje. Toen ging hij ook. Bij de kinderkamer zag hij licht schemeren. Hij duwde de deur zacht open. Het Duitsche meisje zat er; haar schoot vol snuisterijen, waarover ze zich in aandacht boog. Aan het boompje brandde nog een enkel kaarsje.

Ze stond even op, de cadeautjes in haar armen, toen hij binnenkwam. Ze vermeed hem aan te zien, hij zag sporen van tranen glinsteren op haar wang.

‘Sind Sie schon lange zu Hause?’ vroeg hij.

‘O doch.’

‘Sie waren.... bei Ihren Freunden?’

‘Ja. Der Baum war sehr schön. Ich bin aber doch früher nach Hause gegangen.’

‘Warum denn, sie hatten doch Nachturlaub?’

Hij glimlachte, zag dan plotseling hoe een traan langs haar gezicht gleed.

‘Gott liebes Kind,’ hij nam haar kleine poezele hand. ‘Sie armes.... Ist es so schwer hier bei uns?’

‘Nicht.... bei Ihnen.’

‘Was denn? In der Fremde?’

[p. 622]

Ze beet op haar lippen, wees....

‘Die Mutter, der Vater, die Brüderchen sie haben geschrieben... Jetzt sind sie Alle so gemütlich beisammen....’

Hij stond er, geheel ontroerd.

Het echte vrouwtje dat zij was - zoo direct met alles uit het leven verbonden - zoo'n onschuldig goed kind ook.... Hij keek naar de brieven, de cadeautjes; alles door een zorgzame moeder uitgezocht. Hij dacht langs Eugénie aan zijn eigen moeder, zijn grootmoeder - iets van die sfeer omving hem. En het was hem of hij verdwaald uit een wereld waar hij thuishoorde hier stond, eenzaam te kijken naar wat voor hem onbereikbaar was.

Zij frutselde iets aan een dennentak, keek toen het hoofd wendend, hem aan.

Het bloed schoot naar zijn bleek gezicht - iets warm verlangends was in haar oogen dat zijn eenzaamheid tegemoet vloog.

Met één stap was hij naast haar - zijn armen om haar heen.

‘Rosa, liebes Kind - wàs denn? - Sage....’

Hij voelde haar bevend jong lijfje tegen zich aan - zachte handen die zijn hoofd streelden.

‘Du Lieber - hast du mich gern?’

Hij kwam tot bezinning. Wat dééd hij. Hij kon haar vader zijn. Hemel, wat voor een avond was dit. Hij - Pieter Craets - terwijl hier vlak naast zijn kinderen sliepen.’

Hij maakte zich zacht los.

‘Verzeih',’ zei hij beschaamd, ‘es ist.... ich bin auch einsam....’

‘Ja ich weiss.’

Ze week van hem weg. Of er niets gebeurd was, begon ze haar cadeautjes bij elkaar te pakken. Aan het boompje doofde het laatste kaarsje langzaam uit.

Hij wist niets te zeggen dan:

‘Gute Nacht Rosa.’

‘Gut Nacht,’ zei ze gelaten.

Op het portaal stond hij een oogenblik duizelig. Hij liep naar het raam en keek uit op de gracht. Een heldere maan dreef in lichte wolken boven de huizen. Stil lag de stad in den Kerstavond - een donkere zoele Kerstavond zonder vorst of sneeuw.

Pieter Craets stond uit te kijken.

Hij dacht: ‘In elk huis menschen en kinderen, bij elkaar in gezellig familieleven.

En wat - wàt - in elk hart....’

terug  begin  verder