ER was een plotselinge, ongewone zorg in het Craetsengezin: Philip van de hooge trap in zijn huis geslagen, had zijn halswervel ernstig bezeerd; en totaal buiten staat zich te bewegen, den eersten tijd met hooge koorts ook, lag hij in een ziekenhuis, waarheen men in den eersten schrik den bewusteloozen man had vervoerd.
Philip keek uit zijn bed door 't raam naar de boomen en zuchtte. Zijn heele jonge krachtige leven was hij nooit ziek geweest - hoe lang lag hij hier nu al, en met welk resultaat? Dat hij met moeite zijn eene hand tenminste aan zijn mond kon brengen....
‘Wàt 'n pech. Wat 'n wanboffer ben ik,’ prevelde hij tot onbewegelijk liggen gedoemd; telkens kijkend naar de deur in de hoop een familielid te zien verschijnen. Lezen deed hij nooit, het werkelijke leven alleen had zijn belangstelling. Er waren in Philips huis drie boeken. Die lagen op een tafeltje, een klein stapeltje. Het eene was de eerste bundel van Frits, dien had hij gekocht uit broederplicht. Het andere een bundel reisschetsen van een zee-officier - dien aankoop had hij als vriendschapsplicht beschouwd. Het derde was een ingebonden deel ‘De aarde en haar volken’ uit Betsy's ouderlijk huis. Maar dat alles was niet van Philips gading de lange, lange dagen in het ziekenhuis.
Betsy draafde trouw door weer en wind deze gure Meimaand van huis naar het ziekenhuis, altijd angstig gejacht om bij Philip te zijn. 's Avonds zat zij er tot zij weg moest, haar kleine sterke hand in de zijne, haar warrig donker hoofdje naar hem over gebogen. Dat Betsje met haar komiek vroolijk gebabbel, haar honderd altijd gevarieerde verhalen over onnoozele kleinigheden van thuis, door haar eigen vuur aangeblazen tot iets van belang.
De Craetsen waren zeer ontsteld. Zij hadden nooit een van allen in een ziekenhuis gelegen. Zij voelden er zich onwennig, niet op hun gemak in de eigenaardige atmosfeer ‘van zusters die bedillerig deden.’ Zooals Annette het verachtelijk uitdrukte:
‘Die meiskes, die daar de lakens uitdeelen.’
‘Inderdaad doen ze dat,’ had Philip even gelachen.
En toen lachten ze allemaal een oogenblik opgelucht. Ze waren het er roerend over eens, tegen het advies der doctoren in, dat liggen in zoo'n ziekenhuis het geval noodeloos verzwaarde. In bed liggen kon je thuis immers veel beter. Als Philip naar huis wou moest hij dat toch doen!
Zoo gebeurde het, dat na zeven lange weken, waarin niet veel beterschap zich had getoond, hij even ellendig machteloos bleef, Philips verlangen zoo groot werd naar het paradijs waar hij weer alleen zou zijn met zijn Betsje en de jongens, dat geen enkel argument daartegen meer vat op hem had. Hij wou naar huis en daarmee basta.
‘Als ik maar eenmaal weer thuis ben - van die vervloekte baasspelerij af hier - als ik mijn eigen dingen weer om me heen heb - uit die ziekenhuissfeer weg....’
‘Natuurlijk!’ zei zijn Betsje, zeiden alle Craetsen. ‘Zij zouden óók niet tegen een ziekenhuis kunnen. In eigen omgeving, daàr kan je opknappen.’
Maar toen eindelijk de dag gekomen was dat Hartonius en Melgers hem de hooge trap opdroegen, den grooten kerel zwak als een kind hadden in zijn eigen bed, was het een schim van den ouden Philip, die niet praten kon van zenuwen en beroerdigheid; en zich 's avonds als toppunt van ellende bewust werd dat hij terug verlangde naar het ziekenhuis, om er zijn zwakte, zijn hulpeloosheid alleen gezien door vreemden, te kunnen uittobben.
Het werden de dagen van een man, gewend in alle weer en wind buiten te zijn met een lichaam dat tegen alles kon, die nu verlangend lag uit te kijken naar de lucht, in een radeloos erkennen dat hij niets vooruitging.
‘Hoe lang nog?’ vroeg hij den dokter. En 't antwoord was:
‘Hoe lang....? Dat was niet vooruit te zeggen, maar 't zou wel heel lang duren.’
In Betsy's armen, haar trouw krullig hoofdje naast hem op het kussen, verbeet hij zich wanhopig. Hij die er een eenvoudige gezonde vreugd in had gevonden vader en verzorger te zijn van zijn viertal - de primitieve voldoening van een ongecompliceerd mannenleven - was in zijn eigen oogen ineens een doeniet, een
lastpost, een stumper, die zich door zijn vrouw en kinderen moest laten verzorgen.
‘De ellende!’ Hij had geen kracht en geen rust en geen geduld deze beproeving te dragen. Hij zag het niet door. Zooals zijn leven gegaan was tot nu toe, zonder eenige diepere gedachte ooit, zoo smakte hij nu zonder weerstand in elkaar tegenover deze bezoeking.
Zijn moeder die op een middag kwam, vond hem eens alleen zoo, zijn hoofd in zijn armen. Hij keek op, ontredderd en beschaamd toen hij haar onverwacht naast zich zag.
‘Denkt u dat ik weer heelemaal beter zal worden?’
En zij zei, wat allen zeiden:
‘Natuurlijk. Maar je zult geduld moeten hebben!’
‘Geduld!’ riep hij wanhopig, ‘maar dat hèb ik niet! Ik moet weten of 't beter wordt. Wàt - als ik uit den dienst moest....’
Zij was bij hem gaan zitten. Zij dacht hoeveel angst zij om hem geleden had als hij op zee was. Nu had het gevaar hem achterhaald op de trap van zijn eigen huis.
‘Wij kennen geen ziekte,’ ging hij gekweld voort. ‘We waren thuis altijd gezond.’
‘Ik heb thuis altijd ziekte gekend,’ zei ze zacht. ‘Oma weid jong blind - denk eens, en met haar prachtige oogen verloor ze alles. En ze droeg het zoo dapper. Grootvader was ziekelijk - die stierf vroeg.’
Het ging langs hem. Hij dacht: ‘Moeder begrijpt er niets van. Dat waren oude menschen - hoe lang is dat geleden! Maar ik -ik...’
Plotseling helderde hij op. Een draven op de trap, deur die openvloog, en Betsy beladen met pakjes, met verwaaide haren uit haar hoed, vleide een lachend warm snuitje tegen zijn strakke wang.
‘Nou? Wat lig je met een gezicht van ouwe lappen? O wat 'n gezichtje heeft ie.... Omdat je dacht dat Betsje op den loop was? Ja, vandaag of morgen gebeurt dat, reken maar!’
Ze wreef een blozende bolle wang nat van den regen tegen zijn neus: ‘moet je voelen,’ lachte uitbundig omdat hij begon te niezen. ‘Je bent net een poes.... Moeder, ziet hij er niet véél beter uit? Nu viel 't me toch op toen ik binnenkwam.’
Hij look op, koesterde zich in haar liefde. Hij drong zijn angst weg - hij wou nu alleen maar gelukkig zijn met haar en de jongens. Daar kwamen ze al holderdebolder - o zijn bovenhuisje met zijn vijven - wie hem er ooit weer uit weg kreeg!