DE zomer was gekomen. Op het bovenportaal bij Pieter Craets pakte Rosa Eugénies koffers voor een reis naar Zwitserland. Ze hadden beiden hooge lucht noodig, maar Eugénie wilde altijd naar mondaine plaatsen. Hij dacht, dat hij dolgraag met de muizen ergens in een klein berghotelletje zou gaan. Maar Eugénie had al lang beslist, op haar kalme vriendelijke, half verzoekende manier waaraan hij nooit weerstand kon bieden. Met dezelfde toegevendheid der latere jaren, waarmee zijn vader altijd zijn moeders wil had gedaan.
Een voor een, rustig overwogen en uiterst zorgvuldig pakte Rosa de kostbare toiletten in de lange platte koffers; handig en stil voortwerkend onder Eugénies tallooze bevelen - onderwijl de kinderen niet vergetend en honderd dingen in het huishouden recht zettend. En 's avonds in een verloren oogenblikje holde zij uit, om de eigen cadeautjes te koopen voor de ouders, de broertjes; haar twee kleine handkoffers vol te proppen tot onwaarschijnlijke uitwassen.
Eugénie was inderdaad over Rosa zeer tevreden. Overslank, het bleek geestig gelaat grauw van vermoeidheid, gleed zij de kamers door, gaf orders en wist dat alles goed kwam onder Rosa's toezicht. Zij had haar loon verhoogd om zeker te zijn van haar terugkeer. Er was ook niemand die zoo goed voor Pieter wist te zorgen als hij benauwd was.
Den laatsten avond toen hij laat van kantoor kwam, waar hij voor de reis nog allerlei zaken met zijn vader besproken had - de Craetsen waren vertrokken naar Mon Désir en Frederik reisde tijdens Pieters afwezigheid heen en weer - vond Pieter Rosa nog op de gang bezig met pakken.
‘Aber Rosa, noch so spät?’
Hij had het na dien Kerstavond zorgvuldig vermeden alleen met haar te zijn - de wonderlijke vervoering op de stille kinderkamer bij het uitgebluschte boompje leek hem nu onwezenlijk. Alleen dacht hij soms eraan terug, hoe natuurlijk zij zich onmiddellijk in zijn armen gevoegd had, even natuurlijk als zij sinds dien tijd weer kalm langs hem liep of er nooit iets gebeurd was.
Zij keek op, waar zij geknield voor den koffer lag.
‘Ja! Macht nichts. Ich hatte den ganzen Tag noch keinen Augenblick Zeit für mich - die genädige Frau hatte noch viel zu tun. Danke schön,’ hij had zich gebukt en het riempje waaraan ze sjorde stevig aangehaald.
‘Also Rosa, Sie reisen morgen früh - ich werde Sie also nicht mehr sehen. Frohe Ferien!’
‘Danke bestens. Ach, da habe ich vergessen der genädigen Frau zu sagen: den Tee für Sie, die Pastillen, das alles habe ich vorn links in die Ecke vom Koffer gepackt. Vergessen Sie das bitte nicht? Ich fürchtete, dasz Sie nichts bei sich hätten wenn Sie auf der Reise einen Anfall bekämen. Ach wenn Sie aber einmal dort in der herrlichen Höhenluft sind, da wird es gleich besser gehen nicht? Soll ich es der genädigen Frau noch sagen von den Pastillen?’
‘Nein, nein, lasz nur.... Rosa, wie gut haben Sie für mich gesorgt.’
Even gleden haar jonge oogen vorschend, vragend naar hem op. Dan met het eigenaardig schuchtere dat ze bij al haar practische bijdehandheid had, wendde zij zich af.
‘Adieu,’ zei hij dan, zijn hand uitstekend. ‘Sie kommen doch wieder?’
Zij keek verwonderd. Trouw lag haar kleine sterke breede hand tusschen zijn dunne vingers.
‘Auf Wiedersehen!’
Hij kon haast van die betrouwbare zorgende hand niet scheiden.
‘Auf Wiedersehen,’ zei hij eindelijk heesch, ging zijn kamer binnen.
De heete zomer van negentien-honderd-elf brandde over Amsterdam. Een blauwige damp hing tusschen de hooge huizen, over de dompe droomende grachten met hun donker, droog, verwelkend groen.
Louise Craets zat voor het raam en keek uit. In de zomermaanden als de heele familie weggetrokken was, voelde zij zich altijd eenzaam; en een ergernis was in haar om de dwaasheid der menschen, die met alle geweld hun genoegen buitenshuis wilden zoeken.
Waren er in Amsterdam, in het Vondelpark, in Artis geen boomen, geen groen.... waarom het zoo ver te zoeken.
Frederik die zoolang Pieter weg was, noeielijk in die hitte waar hij niet tegen kon het dagelijksch heen en weer reizen volbracht, sprak niet tegen. In zijn fijnen teeren kop spanden de blauwe aren dik, en groote druppels veegde hij aanhoudend geërgerd weg met zijn smetteloozen wit linnen zakdoek. Als hij zijn groot koel huis binnenkwam, vond hij zich een dwaas straks weer in een heeten trein naar Bussum te reizen. Maar ook was daar het leed, de zorg die hij zichzelf nauwelijks bekennen wilde: Philip voor wien een der beneden kamers was ingericht - die daar lag, een invalide.
Hij zuchtte; het duurde wèl lang. Och het was ook maar idee dat je buiten eerder zou opknappen.
En aan tafel zong hij een lofzang op hun stadstuin. Een stadstuin - dat was iets van sfeer, van stemming als je buiten nooit vindt. Kòn je nu een verrukkelijker plekje verzinnen, dan als je thuis zat onder de beuk met 't gezicht op de rozenperken, den ouden muur met zijn vlier, zijn wingerd. En daarachter de oude gevels van de Kerkstraat.
En kòn je op een heeten dag ergens beter, rustiger loopen, dan op zoo'n koele beschaduwde gracht!
Wat er nog verder was, zweeg hij. De ongezelligheid. Al zijn kinderen verspreid. De Hartoniussen hadden een villa gehuurd in Aerdenhout. Jaxques was te rusteloos om lang vacantie te nemen, reisde heen en weer; blef ook dikwijls een paar dagen in stad.
Zulke zomerdagen alleen in zijn huis waren Hartonius een weelde. Hij had langzamerhand de overheerschende behoefte gekregen aan alleen zijn. Soms bedacht hij, dat het hard van hem was Sophie niet de uren te geven van zijn gezelschap die zijn werk overliet. Maar hij deed het niet. Het was zelfverdediging dat hij zich opsloot, om de onmiddellijk uitbarstende scènes van haar kant, de verwijten, den schimp te ontgaan. Dat het een verwrongen uiting van liefde was nam hij niet aan. Hij die zijn heele leven met veel vrouwen van allerlei genre verkeerd had, in zijn praktijk ze dagelijks zag, overprikkeld, abnormaal, nerveus door de omstandigheden in hun huiselijk leven - gedwee en meegaand bij hem - hij zag vrouwen alléén wel of niet passend in het ouderwetsche beeld dat hij in zijn geest naar het voorbeeld van zijn moeder had opgebouwd. Hij zag ze slechts binnen afgebakende grenzen, volgens elementaire begrippen: eerlijk of leugenachtig - zacht of venijnig - trouw of ontrouw - goede of slechte moeders. Hij zag alleen absolute kleuren maar niet de honderden tusschenliggende nuancen - niet de in elkaar verglijdende phasen van goed en kwaad.
Hij heette een scherp menschenkenner, en hij had ook den snellen, juist berekenenden blik van den jager op uiterlijke consequenties. Hij kon onverwacht verrassend scherp en diep peilen, en een waarheid die anderen ontging, treffen. Bij vreemden. Maar al wat dicht naast hem ging in zijn eigen huis, wat er groeide, geboren werd, leefde en stierf, ontging hem. Hij zag Sophies toenemende nervositeit, en hij ontzag haar dikwijls uit een ingeboren zachtheid van gemoed met een zeker medelijden, maar nog sterker uit verveling. Alleen haar jaloezie zag hij en kende hij, en die ontzag hij niet. Hij liep heen over deze verwijtende woedende jaloezie, waarvan hij den grond: een uitzinnige, altijd bezeerde, nooit gevoede liefde, die zich alleen in een starren hoogmoed nooit wou prijsgeven - niet aanvaardde. Hij liep over die jaloezie heen in de stellige meening zich niets te verwijten te hebben. Hij had door de jaren heen, telkens weer een teedere, zij het dan platonisch onschuldige verhouding met nu en dan een lieve vrouw, een cliënte dikwijls - verhouding die hij hardnekkig vriendschap noemde en waarmee hij ongekrenkt in zijn zelfachting met een edel gezicht tegenover zichzelf bleef staan. Het ging hem ook inderdaad nooit diep. Niet dieper dan zijn groote genegenheid voor Jetje, die in de latere jaren tot een warme kameraadschappelijke vertrouwelijkheid was gegroeid. Hij was vóór alles een werker. Het andere, dat waren de kleine vreugden die zijn gemoed en hart zacht hielden, zijn levensmoed wakker, waarmee hij bleef de beminnelijke menschlievende rechtsgeleerde met de onbesmette reputatie.
Sophie had de twee meisjes Melgers te logeeren gevraagd als gezelschap voor Els. Melgers en Francine hadden ze moeielijk gemist. Melgers vooral kon Mies slecht ontberen. Het was hem een pijn ook, dat zij met alle geweld medicijnen wilde gaan studeeren.
Hij had haar altijd zoo'n eenvoudig, inschikkelijk, zacht, vroolijk kind gevonden, zijn boerinnetje - zoo maar in huis tevreden voortlevend, waar Jenny al van jongsaf overheerschte met haar exentrieke buitensporigheden. En toen zij hem zeide te willen studeeren, had hij gedachteloos en zonder ernst of begrip zoo'n beetje phrases gezegd:
‘Welnee, welnee, zijn dochtertje moest niet aan al die malligheid mee gaan doen - niet van die mannenallures.... werken en zoo....’
Zij had hem uit laten praten, en was toen op zijn schoot komen zitten, haar armen om zijn hals, haar ronde stevige wang tegen zijn gezicht.
‘Hoor nu eens vadertje. Van klein kind af heb ik dàt gewild. Daàr heb ik op school en nu op 't gym zoo hard aldoor voor gesjouwd.
Mijn heele leven is er op ingesteld. Dat hebben jullie wel nooit geweten, maar 't is toch zoo. Ik zou geen operaties willen doen - ik geloof dat dàt mannenwerk is. Maar waarom is kinderpraktijk mannenwerk? Och kom - het is toch eigenlijk groote onzin in die dingen te praten van mannelijk en vrouwelijk. Wat zegt iedereen hier op 't dorp van onzen ouden dokter? Hij gaat met zieken om zoo zacht als een vrouw. Waarom kan dan een meisje niet haar vrouwelijkheid houden, en haar hersenen helder als die van een man....’
Hij had stil met haar gezeten - ontroerd. Een eerbied was in hem geweest om dat kind, zijn kind - om die altijd verzwegen overtuiging en kracht. Hij voelde zichzelf daar plotseling klein en stumperig bij. En ook ontviel hem tegelijk wat hem hier in huis altijd een troost en een steun was geweest: Mies, die net was als hij. Zoo maar eenvoudig - zij samen.
‘Wat kijk je nou treurig?’ zei ze.
En hij kon haar dàt niet zeggen. Want hij geloofde dat zij een hooger idee van hem had, dat zij hem zag als hij werkelijk niet was. Over Francine en Jenny maakte hij zich op dat punt geen enkele illusie.
Moeielijker hield hij de latere jaren van zijn huwelijk zijn uiterlijke pose van onbezorgdheid en vroolijkheid vol. Zij was hem nu eenmaal een kleedingstuk geworden zonder hetwelk hij zich naakt en kwetsbaar zou weten bij den nooit aflatenden strijd tegen eigen twijfel en argwaan, bij elke nieuwe ‘vriendschap’, die in Francines leven opdook. Hij volgde den hem zelf nauw bewusten donkeren drang: àls hij waarlijk eenmaal het geloof in haar verloor, dan was hij verloren.
‘Jij kan altijd maar lachen hè?’ zei Jenny eens, ‘ben jij wel eens ernstig, vader?’
En hij zei: ‘Welneen - waarvoor zou 't dienen, pop?’
Maar innerlijk had hij reeds lang verloren zijn lach om vele kleine eenvoudige vreugden in zijn leven. Met de zekerheid in zijn huis begaf hem ook langzamerhand meer en meer de zekerheid in zijn ambt. Na een gemeenteraadszitting ging hij soms loopen ver en lang, omdat hij worstelen moest met de neerdrukkende overtuiging dat zijn leiding weer niet geweest was wat het zijn moest. Hij wist dit altijd achterna. Hij wist nu eenmaal altijd als de dingen voorbij waren hoe hij ze had moeten doen, en het had hem met de jaren gegeven dat langzaam groeiend gevoel van minderwaardigheid. Dan deed hij in zijn eentje in zijn auto de dolle tochten langs de wegen, waarvoor hij berucht was in het Noordhollandsche boerenland. Dan zei Francine nerveus fronsend:
‘Zal je nooit wijzer worden?’
Dan zei Mies: ‘Vadertje, foei! Dat is geen rijden!’
En Jenny: ‘Ik moet zeggen, ik vind je origineel hoor als burgervader.’
Dan lachte hij maar. Ja natuurlijk, dat deed hij immers altijd. Wat zou hij anders doen. Maar de druk in zijn stommen kop werd er den laatsten tijd niet eens meer lichter mee.
Frederik, ondanks de hitte, trok op een middag over het IJ naar Francine. Hij vond haar alleen, verscholen in de donker gehouden voorkamer.
‘Vader - dat is te erg - u hadt niet moeten uitgaan in die hitte. Het is drie-en-negentig graden Fahrenheit.’
Hij zei niet dadelijk wat. Het was hem inderdaad op die boot haast te machtig geworden. Zijn hoofd bonsde en hij was even duizelig. Maar hij had te doen met Fransje, die alleen thuis zat.
‘Ben je alleen, Frans?’
‘Ja - de meisjes zijn bij Sophie in Aerdenhout. Fred is in 't Sauerland met een vriend. En Jan is in Engeland, drie dagen....’
De waterlanders kwamen plotseling.
‘Ze heeft mij niet gevraagd.’
‘Ze zal geen plaats gehad hebben,’ weifelde hij.
‘Ik zou altijd voor haàr plaats gehad hebben. Ik had haàr niet alleen thuis gelaten - in die hitte - hièr in dat boerenland met geen sprank schaduw.’
Ze schreide. Ze had zich niet opgemaakt, en zag er vervallen en oud uit. Vaal de eens zoo frissche huid, om de oogen, den mond gerimpeld. Het grijzend haar, slechts bijgeverfd, was aan de slapen van een gelig groezelige tint.
Frederik zag het alles met zijn scherpen blik:
‘Vervallen - verbloeid. Hoe frisch was haar moeder gebleven. Maar zij was zijn zorgenkind. Zij had hun de jaren door met al haar dwaasheden die zijn ouden geëerden naam in opspraak brachten, weinig vreugde gegeven; maar zijn liefde, zijn medelijden trok haar voor boven de anderen, om haar jammerlijk afgezakten staat.
‘Hoor eens kind,’ zei hij plotseling, ‘dàt gaat hier zoo niet. Ik inviteer jullie met je beiden voor veertien dagen in het Badhotel in Baarn. Dan rust je eens uit.’
Ze vloog hem om zijn hals.
‘O vader, wat 'n engel is u toch altijd voor me. Als ik u niet had... Och vadertje, ik zit hier toch ook maar altijd over dat IJ. En de kinderen worden zoo groot, zoo zelfstandig. En ik ben zoo leelijk geworden, ik zie er zoo oud uit. Sophie is nog mooi - en Jetje -
en moeder - en ik.... ik.... ik ben een monster. En ik wàs toch mooi....’
‘Mijn trots, mijn oudste dochter....’ ontweek hij in een glimlach.
‘Ach ja - wat is dat lang geleden. Trotsch heb jullie niet meer kunnen zijn. Maar ik.... kon ook niet anders.’
‘Dat zal wel niet mijn kind - ik verwijt je toch ook niets.’
‘Neen. Maar weet u wat ik ben gaan denken als ik hier veel alleen zit: er moet toch iets anders zijn om je leven op te bouwen - anders dan ik heb gedaan en gezocht....’
‘Bedoel je.... je huwelijk....’
‘Ach neen! Dat.... dat heb ik.... ik was een dom kind - wàt weet je als je klaar bent om te trouwen, met wien je nu net niet trouwen moest? Zoo blij en zoo blind ben ik geweest. Nee - dat zeg ik niet, om jullie een verwijt te maken, want we hadden een gelukkig thuis - maar iets om je aan vast te houden - bóven dit leven uit.’
‘Zoo....’ zei hij peinzend, ‘je bedoelt....’ hij aarzelde hulpeloos - ‘godsdienst....?’
Zij keek hem aan, en het trof hem hoe helder plotseling haar oogen stonden, bijna met den ouden glans, en hoe haar heele gezicht weer lijn kreeg, de verslapping verloor. ‘Neen - godsdienst - aan dat woord heb ik een hekel. Ik bedoel geloof.’
Hij zweeg en zat heel stil. ‘Het was hier in die kamer met alles dicht toch ook ontzettend drukkend.’ Eindelijk zei hij zacht, weifelend:
‘We hebben je toch naar cathechisatie laten gaan kind - jullie allemaal.’
‘Ja,’ zei ze, en zat rechtop, haar handen in haar schoot.
‘Maar dat wàs het niet. Wat je mee moet krijgen, dat hebben wij ook op die cathechisatie niet mee gekregen. Ik bedoel: het levende.’
‘Het.... levende?’
‘Ja-vader. Ik meen, dat het zóó had moeten leven in jullie, dat het overging in ons - het een onafscheidbaar deel van ons ook werd.’
‘O,’ zei hij pijnlijk getroffen. ‘Ja - ik....’
‘Het is geen verwijt vadertje, lieve schat, dàt moet u niet denken. U kan toch ook niet helpen dat u het niet hadt. En de heele geest ook van dien tijd, van onze jeugd ging daartegenin.
“Toen ik een klein kind was, toen geloofde ik, in mijn eentje, stil en heel vast in God, en dat was me toen een steun. Want als kind heb je broodnoodig een aan wien je je zonden kunt zeggen, in de overtuiging dat je vergiffenis krijgt. Een, buiten en boven al het andere uit. Oma Goldewijn, diè had het. Die had het gehouden. Die leerde me, toen ik nog heel klein was, een gebed. En oma zelf
heb ik later dikwijls zien bidden toen zij blind was, en bij ons woonde en niet wist dat iemand haar zag of hoorde. Als klein kind heb ik toèn beseft, dat dàt iets heel machtigs was wat die arme blinde oma had.
Maar ik heb het verloren toen ik opgroeide. Want het werd bespot als je geloofde, het werd met redeneeringen in je kapot gemaakt. Je las het Gebed van een Onwetende, en dat vondt je prachtig, eerlijk. Nù weet ik vader, dat het niet mooi is. Het is niet levend. Maar wat oma had, dàt was levend. Als ik nu hier zoo dikwijls alleen zit tegenwoordig, en me eenzaam voel - want ik sta zoo ver af van Jan - het kan me zoo weinig schelen al wat hij zegt - en de kinderen hebben me weinig noodig....”
“Waarom? Jullie hebt je moeder toch altijd wèl noodig gehad?”
“Ja - dat was allemaal anders thuis. Hoe zijn we toch zoo anders geworden dan moeder en u. Ik weet het niet. Ik heb mijn kinderen slecht kunnen leiden - en nu zijn ze wereldwijzer dan ik.... Fred is al een man....
Als ik hier zoo alleen zit, probeer ik voor mezelf een wegje te vinden vader - want er moèt dat andere zijn om je aan vast te houden. Ik zoek in den bijbel de dingen na die ik vroeger mooi vond....”
Hij zat haar aan te kijken, arm, onzeker. Hij dacht voor 't eerst bij ongeluk van zijn kinderen: hier kan ik niets doen. Ik niet. En zij zoekt mij ook niet. Ze zoekt iets geheel buiten ons om....’
Toen hij op Mon Désir kwam dien avond, zag hij er vermoeid uit. Hij dacht: ‘als die hitte niet gauw overgaat, houdt dat kopstuk van mij het niet uit.’
Maar 's avonds stak Jetje haar arm door den zijnen en liep de groote laan met hem op en neer.
‘Vadertje, ik wou liever dat u in de stad bleef - niet meer alle dagen hierheen kwam.’
Hij zweeg. Het pakte hem als een zalig visioen: niet meer in den trein, niet meer je haasten en dan dadelijk hier al dat gepraat, de kinderen, het gedoe om Philip. Alleen in zijn donkere koele huis.
‘Maar moeder zal 't misschien een beetje naar vinden,’ glimlachte hij verlegen.
Ze ontroerde. ‘Hoe verwend is moeder haar leven lang door vader geweest,’ en een pijn stak in haar hart!
De vacantie viel haar zwaar. Kraus was weg, naar Zwitserland, om van zijn wintervermoeienissen te bekomen. Hij had het hard noodig, dat zag zij zelf. Maar dat hij zóó verlangend wegging, zóó snakte naar buiten, vrijheid, als een schooljongen - niet opziendtegen de scheiding van haar.... Verleden jaar was alles nog niet zoo uit-
gesproken tusschen hen geweest. Maar nu.... Dit keer had zij voor 't eerst - de eerste pijn in hun verhouding - gedacht: ‘Een man is anders. Ik zou nooit weg willen gaan bij hem vandaan. Ik kan niet genieten zonder hem.’
Maar 's avonds in bed, als de afmattende dag van haar afviel, zij oog in oog alleen met hèm was - zongen Boutens' regels in haar hoofd:
En zij dacht, verlost: ‘Ik ben dwaas. Hij is niet te meten met de maat van een ander. Je moet hem liefhebben zooals hij is.’
Haar gedachten keerden terug tot de licht gebogen langzaam gaande figuur naast haar.
‘Ja vader, maar ik wil een gezònd vadertje hebben in het najaar als we thuiskomen.’
‘Kom, kom,’ weerde hij. Toen zei hij:
‘Jet - hoe vindt jij Philip?’
‘O vader,’ ze poosde, overvallen, ‘die dingen duren làng - altijd hè vader?’
Hij gaf geen antwoord. En zij zag hem: starend in de verbleekte avondlucht, met een angst in zijn zachte, blauwe, kleine oogen. 's Avonds vóór zij naar bed ging, sloop zij binnen bij Annette, die moe van een langen dag met Betsje en prikkelbaren Philip, nog even op haar balcon zat.
Ach was deze, in zichzelf gekeerde zieke, dezelfde sterke vroolijke Philip, die haar verwend had en geliefkoosd, die nu in wrevele vervreemding zich van hen allen weg scheen te keeren?
Jetje ging op de balustrade zitten.
‘Moeder, vader mag in die hitte niet langer heen en weer reizen. Ik maak me ongerust.’
Annette zuchtte. Zij leek met haar kleine welgevormde figuur zoo wonderlijk jong in het wegstervende licht, dat het Jetje ontroerde.
‘Hoe slecht kunnen ze mekaar missen,’ dacht zij.
‘Kom moeder, stel u nu maar eens tevreden met uw oude Jetje tot de warmte voorbij is.’
Annette knikte. Haar anders zoo scherpe ooren overhoorden den gebarsten toon in Jetjes stem. Al drie dagen liep zij vergeefs naar de bus....
‘Ik wou dat deze heele zomer voorbij was.’
‘Zelfs met Fritsje in de buurt??’
‘Ach....’
Meer dan in Amsterdam hinderde haar hier Frits' onnatuurlijk leven. En ieder keer dat zij hem het hek zag binnenkomen met zijn slap hemd en liggenden boord, dacht zij: een werkman.
Dikwijls wandelde zij over de hei naar hem toe. Een hond en twee katten lagen in de hut - een tamme kraai hupte er rond - langs de wanden van den grond stapelden zich de boeken op.
Hij werkte aan een serie artikelen voor De Gids. Iederen dag ook kwam hij bij Philip, die verlangend op hem lag te wachten. Frits met zijn zacht begrip voor alle lijden, probeerde zijn misères niet weg te praten.
Als hij weer terugging bracht Jetje hem soms.
Dezen keer zei hij: ‘Doe het niet; je bent moe.’
‘Neen ik ben niet moe.’
Hij zag haar plotseling scherp turen: op den weg kwam een man aan. De post.
‘Wacht,’ zei ze; en hij hoorde haar stem ademloos.
Ze begon naar het hek te loopen - snel, sneller - op 't laatst holde zij.
Hij stond te wachten en keek.
Toen zij terugkwam had zij een brief. Hij zag een buitenlandsch postmerk. En haar gezicht, zooeven nog mat, overstroomd door een gloed.
‘Zal ik morgen komen om 't Hol op te ruimen Frits? En de tijdschriften uitzoeken?’
‘Maar het is zoo'n afschuwelijk werk in de hitte....’
‘Néén jongen! Er is niets afschuwelijk!’
Hij keek strak voor zich. Dacht:
‘Om zóó te kunnen zijn!’
Toen Frederik dien avond boven kwam, lag Annette al te bed. Haar oplettende heldere oogen volgden hem.
‘Frederik....’
Hij knikte tegen haar in den spiegel, maakte zijn das los.
‘Ik begrijp het al. Scheiding tusschen tafel en bed. Aesopus zal wel 't laatste woord moeten hebben - tegen die wijsheid legt mijn verlangen naar het buitenleven het af.’
Zij ging niet in op zijn boutade. Maar in het donker schreide ze in een plotselinge zwakheid om heel dezen stillen heeten dreigenden zomer, als een jonge vrouw bij de aanstaande scheiding; en haar kleine hand voorzichtig tastend aaide langs de dik opgezette aren aan zijn slapen.
Francines meisjes, nu zij ze een poosje te logeeren had, stonden haar toch ook niet na, dacht Sophie. Mies nog het meest met haar
vroolijken eenvoud. Jenny, toen Willem thuis kwam, speelde met den stillen, in de buitenlucht wat gebruinden jongen, een spelletje van kat en muis.
‘Fransjes aard,’ dacht Sophie afkeerig. Maar zij zag niet het groote verschil. Francine had bij al haar avonturen, haar flirtations, altijd opnieuw haar warm hart als inzet gegeven. Jenny gaf niets. Met den kouden raadselachtigen blik van haar groenbruine oogen, strak en wijd starend als sfinxen-oogen, was er geen vreugde, geen warmte, geen belangstelling, geen spanning te bespeuren in haar onbewogen, zeer bleek gelaat. Een wiskunstig berekend spel; en Sophie zag verontrust, hoe toch haar eenvoudige jongen getrokken werd naar dit vrouwwezen, meer dan naar de natuurlijke gezellige Mies.
De warmte van den zomer woog ook Sophie zwaar. Jacques was al in geen drie dagen naar buiten gekomen, had getelefoneerd dat hij voor zaken naar Brussel moest. En nu, in de eentonige verlammende hitte dier dagen, zonder afleiding, stak in Sophie op de angst van wantrouwen dat het geen zaken waren....
Een morgen ging zij ondanks de warmte naar stad, liet de meisjes met Willem alleen. En stond er opeens als verdwaald in het eigen stille huis, waar niemand haar komst gemerkt had, zacht gemurmel van stemmen uit het kantoor in de gang doordrong.
Zij liep de tuinkamer in - hier had hij blijkbaar een avond gezeten - wanneer? Had hij gelogen, was hij pas veel later weggegaan - de asch van zijn sigaar in het aschbakje, zijn krant nog.... Zij zocht - een bewijs - een teeken - Als er brieven kwamen, zouden die naar kantoor gaan....
Zij ging als een vreemde haar eigen kamers door, toen een geluid haar plotseling deed opschrikken: de klik van de brievenbus.
Meteen was zij in de gang - haar hand in de bus. En plotseling zag zij: dezelfde groote vrouwenhand, die zij dezen zomer al maanden lang op de brieven gezien had naast zijn bord.
Zij stond roerloos in de verlaten half duistere benedengang, met het groote witte couvert in haar hand. Gemarteld. Nu eindelijk wéten!
Zij had het nog nooit gedaan. Zij stond en vocht met zichzelf, bevend in al haar zenuwen. Vernederd bij de gedachte alleen al. Was er ooit een mensch zóó gekweld! Dééd ze dan kwaad als zij alleen maar zich zocht te bevrijden van een onzekerheid, die haar ziek maakte. Hielp of troostte hij haar ooit met een bewijs van begrip of liefde?!’
Zij kreunde, vloog plots besloten, lenig en vlug met den brief de trap op naar haar slaapkamer. Sloot de deur af. Overgeleverd aan een
wilde begeerte die geen gevolgen meer achtte. Het couvert liet licht los onder den stoom van het kokend kereltje. ‘Als onverschillig,’ dacht Sophie plotseling. En met schemerende oogen las zij:
Weledelgestrenge Heer,
Bij dezen bericht ik u dat ik de stukken ontvangen heb, waarvoor mijn dank. Ik wacht dan volgens uw advies de oproeping van het kantongerecht.
Hoogachtend
E.M. van Waarden.
De letters dansten voor haar oogen: in haar koude hand sidderde de brief. In haar keel brak een snik.
Het was niets. Niets. Hoe wreed en gemeen was het leven. Om niets had zij zich maandenlang afgemarteld. De tranen liepen langzaam over haar wangen, terwijl zij voorzichtig het couvert weer dicht gomde.
Geen rimpeltje bleef te zien. Nu meteen weer in de bus. Hij brandde haar!
Zij sloop in haar eigen leeg huis de trappen af als een dief, liet den brief weer in de bus glijden. En even staarde ze ernaar als betooverd, - sloop dan katzacht terug.
Maar boven op haar slaapkamer schreide ze, haar gezicht in 't kussen - plat op haar bed.
Omdat zij dit gedaan had. Schreide zij toomeloos de vernedering en het verwijt uit dat hij haar tot zulke laagheden dreef. Door zijn stugheid, zijn kou, zijn hardheid, zijn onverschilligheid, die haar al de vreugd en vroolijkheid en levenslust van meisje ontnomen hadden.
Toen ze eindelijk opstond, was de middag ver gevorderd. Zij moest zich nog haasten, om voor 't eten op tijd te zijn.
Buiten lag de gracht stil en rustig onder de groene boomen.
En toen op eenmaal kwam daar aanwandelen een tengere figuur - een visioen uit vroeger dagen - uit vroegere goede onschuldige dagen dacht Sophie, en haar oogen brandden.
‘Ben jij in de stad, Phietje?’
‘Ja vader.’
‘Had ik dat geweten! Hadden we samen koffiegedronken.
Ze ging stil naast hem voort. Zij dacht, hoe goed het eenmaal thuis geweest was. Hoe anders dan bij haar. En plotseling schoof ze haar arm in den zijnen.
‘Hou je nog een beetje van Phietje?’ vroeg ze, onverwacht den ouden schersenden toon terugvindend.
Hij glimlachte een beetje droef. Hij had wel gezien dat ze geschreid had. Hij klopte zacht op haar hand terwijl zij samen langzaam voortliepen. Hij dacht aan het gesprek met Fransje - hij dacht aan Philip... en hoe er zonder dat zij het onweer hadden zien opkomen, zware wolken waren gestapeld aan den eens zoo zonnigen familiehemel.
De dagen, de heete, wilden niet koelen. De nachten bleven zonder verfrissching. Soms dreigde een onweer, dat altijd weer aan den horizon verdween. Pieter was teruggekomen, en nog naar zee gegaan. Hij reisde heen en weer terwijl Frederik zijn vacantie nam.
Dit deed hij op de rustelooze manier die ieder tot wanhoop bracht. Een dagje naar Baarn bij Frans. Een half uur door de bradende zon naar Frits. Een dagje naar Aerdenhout. Een tocht met Philips drietal naar Valkeveen. Een onrust had hem bekropen. Hij wilde bij zijn kinderen zijn en met hen praten. Hij was voor één ding bang: buiten hun leven te komen staan. Maar als hij Francine zag, weer op de oude manier geverfd en gepoederd - Sophie prikkelbaar gesloten - Frits vriendelijk en beleefd, maar die zulke wonderlijke verzen maakte waarvan hij het gevoel niet benaderen kon.... en Philip bedrukter en stiller nàarmate de dagen vergingen - zei hij zichzelf dat Pieter en Jetje hem van die allen nog het minst ontglipten.
Hij besloot, dat het lang verblijf op Mon Désir hem zoo tobberig maakte. Andere jaren gingen zij op reis. Maar het wàs toch ook een feit dat het heele leven onder hen weggleed, en hen die oud werden een onzeker gevoel liet.
Wat werd er van zijn mooie grachten! Trouweloos gingen de rijke Amsterdammers hun groote huizen uit - paleizen - om in prullerige nieuwerwetsche villa's te kruipen buiten. Jaren had de familie Looweerden naast hen gewoond - zij waren goede buren geweest; niet intiem, maar bij bepaalde gelegenheden maakten zij over en weer visites. De oude heer was gestorven, mevrouw weg. Nu stond het al huis een half jaar leeg. Verviel. Iedereen werd forens. Het werd alles zonder rust, zonder distinctie. Rijtuigen, equipages verdwenen; het waren auto's geworden, toeterende lawaai-dingen, die hij haatte.
Op een dag kwam Pieter buiten en zei: ‘Het huis van de Looweerdens is verkocht. Weet u wat erin komt?’
‘Wie?’
‘Een engroszaak in linnengoederen.’
‘Wàt!’ riep hij kwaad. ‘Wàt! In dat prachtige huis - met die mooie vestibule! Een zaak in linnengoed naast mijn huis! Op de Keizersgracht! Ben je dan voor niets meer veilig!’
In de serre lag Philip. Hij hoorde het, dacht: ‘Hoe kan een mensch zich zoo iets aantrekken! Als je gezond bent!’
Hij wist, hij was hier niet vooruit gegaan. Nu was het gauw September, moesten de kinderen weer naar school. Maar hij - hij....
Dien avond vond Betsy, na hem geholpen te hebben, haar schoonmoeder alleen in de waranda.
Zij zaten stil. Het was nooit gegaan tusschen hen, en dezen ganschen zomer hing er de stille ijverzucht om Philip. Honderd kleine, door Annette gezochte vertrouwelijkheden in ochtend, middag, avond: zijn glimlach naar haar, zijn scherts tegen ‘Klein,’ de burchtvrouwe. Maar nooit een klacht over zichzelf. Dit was alleen voor dat Betsje, en haar jaloersche aard bedacht voldaan dat hij dit toch alleen haàr vertrouwde.
‘Philip zei vandaag dat hij dacht zijn arm wat meer te kunnen bewegen,’ begon Annette eindelijk.
Naast haar schudde het donkere hoofd snel.
‘Hij is niets beter.’
‘Maar hij zei....’
‘Ach ja, die dingen zegt hij tegen een ander....’
In Annette trok iets zich met geweld samen.
‘Een ander. Maar ik ben zijn moeder....’
‘Ja. En ik zijn vrouw.’.
Annette zweeg. Recht zat zij, het kleine blanke gelaat streng, de oogen afwerend koel. De jonge vrouw hoorde haar eigen snibbige uitvallerige stem, en ze wist dat niemand hier ooit zoo sprak.
Ze stond op, wenschte onvriendelijk goedenacht. Het geheim van hautaine koelheid die geen vormen aantast en afstanden schept, kende zij niet. In de hal liep zij in drift haast tegen haar schoonvader op.
‘Wat is 't mijn kind?’ zei hij.
‘Niks.’ Haar tranen welden op. Het was ook zoo warm - maar die goeie ouwe man was altijd lief....
Ze prevelde een nachtgroet, gaf hem een hand - schoot langs hem heen de kamer in. Daar lag Philip of hij sliep.
Ze kwam voor 't bed staan, streek met haar kleinen ruwen voorvinger over zijn oogleden.
‘Wou je mij voor de gek houden?’
Hij keek op, zijn glimlach mat en moeielijk.
‘Betsje....’
‘Blieft u?’
‘Nee kind - och....’ Hij keek teeder naar haar moe vaal bezweet gezichtje, waarin de groote sterren onverwaard schitterden.
‘Ik.... wou een week eerder naar huis.’
‘Maar lieverd - in die hitte op dat bovenhuis.’
‘Ja, o ja - kan me niet schelen. Alleen met jou en de kinderen in ons eigen gedoetje. Ze zijn allemaal even lief en goed hier, ik ben niet ondankbaar, maar....’
‘Ik dacht, dat je hier lekker buiten lag....’
Zijn lippen beefden.
‘Ik verlang zoo naar huis.’
Het vloog warm en triomfantelijk in haar op:
‘Met mij - met mij! Ik heb gewonnen!’
Ze sloeg onstuimig haar twee armen om zijn hals, zoende hem zoo dat 't hem pijn deed.
Hij keek alweer angstig.
‘Hoè kòm ik er....’
‘Zooals je gekomen bent toch!
“Rijen, rijen, rijen in een wagentje
Als je dan niet rijen wil dan draag ik je!”
zong ze met een heel hoog stemmetje, en danste voor zijn bed.
Hij was van haàr, heelemaal van haàr! Om die heele bende gaf hij tòch lekker niks!’
‘Betsje - als ik eens uit den dienst moest....’
‘Dat gebeurt niet.’
‘Jawel - jawel.... Als 't gebeurt.... wie moet er dan voor jou en de jongens zorgen....’
‘Ikzelf natuurlijk. Wat dacht je? Dan werk ik voor ons allemaal. En je zal 't goèd bij me hebben! Wat heb je nou? Philip, toè dan?!’ Ze liet zich op den grond voor zijn bed vallen, haar hoofd op 't kussen naast 't zijne, omdat hij ineens lag te snikken.
‘Een niets-nut - een stumper - een ongeluk....’
Ze begon hem hartstochtelijk te kussen. Haar handen streelden hem, en aan zijn oor vleide haar stem alle liefkoozende naampjes - alle kleine grappen - alle herinneringen tot hij zwak eindelijk insliep.
Zij lag onbewegelijk in het andere bed - klaar wakker. Beneden hoorde ze langzame voetstappen naar boven komen - een vlugge lichte stap daarna.... deuren die sloten....
Haar oogen staarden uren lang wijd open in den lichten nacht.