JETJE! Je beste hoed op met dien regen? Wat een flatteuse hoed, mijn kind!’
‘Ja vader?’ Ze had kunnen dansen, neen vliegen! Ze ging naar Kraus, de vacantie was voorbij - en ze had, al regende het pijpestelen haar nieuwe blauw zijden jupon aan, die zoo gezellig ruischte....
‘Doe je geen regenmantel aan Jetje?’
‘N-neen moeder.... zoo erg is 't niet.’
Jetje weg. Met een regenmantel komen bij Stefan!
Op den drempel stond ze, in al haar blondheid, haar gratie, en zong:
‘Die Nachtigall, sie singt vor lauter Liebe.’
Hij viel neer voor den vleugel, greep in de accoorden en zong met zijn wankele tenor lachend mee:
‘Ich hör es sogar im Traum....’
Dan stond hij op, nam haar in zijn armen.
‘De onmuzikale uiting: sàmen een lied zingen:’
‘Maar is 't prettig of niet?’
‘Dol is 't.’
‘En is 't waar?’
‘Het is.... waar dat jij de schat bent.’
Ze keek hem in zijn vroolijk verjongd, door zomerzon gebruind gezicht. Schaduw donkerde even door haar denken, dat hij niet toegegeven had. ‘Je bent een jongen zóó,’ zei ze teeder aandachtig.
‘Zeg maar dat je me een mal oud jongetje vindt.’
‘Neen.’
‘Waarom niet?’
‘Weet ik niet. Kan ik niet.’
‘Waaròm kan je dat niet?’ lachte hij verrukt.
‘Ik-e - nee - ik weet niet - ik ben geloof ik altijd verlegen voor je.’
Ze stond plotseling op. Het geluk om den blik waarmee hij haar aanzag, was zóó groot dat ze het haast niet verdroeg. Ze dwaalde de kamer door, bleef staan voor een verbleekt portretje.
‘Wie is dat?’
‘Mijn vader. Mijn moeder staat hier. Ik heb ze pas opgezocht.’
Die twee - die hadden hem gekend toen hij klein was, een kind! Als nog zijn moeder geleefd had, ze zou erheen gereisd zijn, en in dat kleine huisje bij de oude vrouw willen zitten om alles te kunnen vragen. Alles. Hoe hij was als kind - of hij wel huilde - waar hij blij om was - hoe ze hem noemden - wàt ze precies tegen elkaar zouden gezegd hebben....’
‘Ben je later nog dikwijls naar huis gegaan?’
‘Dikwijls niet, maar toch geregeld. Vader is eerder gestorven.
Ach jà - zitten daar aan die tafel met 't oude lieve mensch....’
‘Wat zei je dan, en wat zei zij dan tegen je - zoende ze je, en hoe deedt jij met je moeder....’ wou Jetje weten, maar ze dorst niet te vragen. Ze luisterde alleen gretig, vulde aan.... Dan zwierf ze, wat schuw, naar het eerste portretje, zijn vader. Keek er lang naar. Zijn vader - zijn vader - een oude man - een oude hij.... Wonderlijk en heerlijk die dingen, waar al de nieuwsgierigheid van haar hart zoo zalig van droomen kon.
De frissche herfst streek als een verademing over de stad. Tusschen den goud bestrooiden wal, rimpelde het grachtenwater weer glanzig en donker, en in het scherpe najaarslicht stond de stad in onvolprezen pracht.
Verjongd, verhelderd alles weer! zong het in Jetje. De herfst, de winter, concerten, het heele leven dat zij met Kraus meeleven kon. En zij wandelde veel, in de behoefte van haar gezonde jonge kracht, door het opgewekte stadsleven. Zij reed paard met Cloese, dien ouden vriend, en samen dronken ze thee op Amstelzicht. Veel ging zij met moeder, maar dikwijls ook wandelde Annette in haar eentje. En op een dag, in de verkwikkende pittige lucht van September stond deze plotseling stil. Daar kwam haar tegemoet een figuur uit heel lang verleden tijd: Elize Verdoes.
De deftige ouderwetsche vrouw die Annette Craets gebleven was, kleurde licht in de verrassing om deze ontmoeting - verrassing welke het oude schuldgevoel der kinderjaren op eenmaal naar boven joeg.
De ander met den ronden hoed en iets in haar kleeding dat langdurig verblijf in 't buitenland teekende, mager en ondanks haar leeftijd nog met een zekere gratie, keek met groote vorschende oogen in die van het toenmalige kleine vriendinnetje. En terwijl een glimlach half verteederd, half schamper, in haar gelaat doorbrak, zei ze langzaam:
‘Och - Annètje Goldeweijn.’
De oude naam die niemand ooit meer zei. Teruggebleven in het verleden, onbelangrijk geworden in het lange heden - en die uitgesproken met den ouden klank, de voorbije jaren plotseling optooverde. De kleine kamer op den Voorburgwal - de vriendin, de bewonderde begaafde, die deed wat geen fatsoenlijke vrouw zich durfde indenken - met schimpende woorden uit huis geweerd door haar vader, haar moeder. Waar zij, een kind nog, ontzet en bedroefd aan had moeten denken als aan een verlorene.
Dat alles.... Op eenmaal levend weer geworden. En het wonderlijke: deze figuur uit den ouden tijd paste eerst in deze veranderde wereld.
‘Lize,’ zei Annette week, ‘Lize, ben jij dat?’
‘Ja - ja.’ De spotlach werd sterker om den fijnen mond. ‘In 't oude Amsterdam teruggekeerd eindelijk.’
‘Woon je hier weer voorgoed?’
Een onwil om zich prijs te geven in vertrouwen, weerhield Elize Verdoes een moment. Toen, om dat paar oogen, zeldzaam trouw en eerlijk in hun aandachtige opmerkzaamheid, zei ze:
‘Zoolang mijn man leefde, hebben we in Parijs gewoond. Toen hij gestorven was, ben ik hierheen gekomen, omdat onze jongen er zijn betrekking heeft. Hij en ik zijn zeer aan elkaar gehecht.’
‘Is.... het je eenige kind?’
‘Het is mijn kind niet. Hij was een half jaar toen ik bij mijn man aan huis kwam - een nakomertje. Hij heeft zijn eigen moeder feitelijk niet gekend. De oudere kinderen hebben zich van hun vader afgekeerd. Wij konden niet trouwen zoolang zijn eerste vrouw niet scheiden wilde. Eindelijk, na tien jaar heeft ze toegegeven.’
Zij keek voor zich uit. ‘Ons geluk is er niet door gehinderd. Nu hij weg is heb ik alleen nog maar den jongen over, die me aan 't leven bindt.’
Zij keek Annette aan. ‘Ik weet dat jij veel kinderen hebt - ik heb ervan gehoord door Truida Leedebour.’ Ze glimlachte. ‘Holland heeft zich geëmancipeerd; het is wonderlijk voor een die den overgang niet heeft meegemaakt. Amsterdam ziet nu de meisjes vrij en onbeschermd 's avonds door de straten fietsen; ik zag in mijn herinne-
ring nog jonge juffers trippelen, zorgvuldig door kruiers, in elk geval een manspersoon begeleid. En waar ik eenmaal om uitgeworpen ben hier, daar wordt nu heel wat lichter over geoordeeld.’ Ze glimlachte weer. ‘Vrouwen als ik hebben in het begin de emancipatie geen goed gedaan. Maar de tijdgeest is ons tegemoetgekomen en heeft ons weer opgenomen.’
Toen Annette alleen verder ging, dacht zij: ‘Ja, hoe wonderlijk heeft zich de gedachte, het gansche oordeel gewijzigd. Wat mijn ouders en hun tijdgenooten zoo onbarmhartig de zondares deden uitwerpen, dat was bekrompen, hard, onbegrijpend - maar het was óók vasthouden de elementaire begrippen van eer en deugd. Deze Lize Verdoes volgde eerlijk haar sterksten drang - een uitzondering in een tijd toen nog geen litteratuur had gepleit voor het recht van je uit te leven. Nu is zij geen eenling meer. Hebben wij het helder inzicht verloren in goed en slecht, dat het ons nu niet meer zoo ontstelt? Wie hadden gelijk - de ouderen of wij?’
Ze dacht in ongecontroleerden overgang aan Jetje.
Zij had lang Jetjes geheim geraden, maar nooit, in een vrijmetselarij van vrouwen op dit punt, hier iets van getoond. Haar gedachten keerden terug naar Elize Verdoes; en de aloude vrees voor schandaal - zou Kraus ooit kunnen scheiden - kromp, nu het haar kind gold, in haar hart.
Maar Elize Verdoes ging door het Amsterdam dat haar eenmaal in haar eerlijke warme jeugd onbarmhartig veroordeelend had uitgeworpen. Ze bekeek het met een smadelijken glimlach, en langen tijd wist niemand van wie de vlijmscherpe en tegelijk zeer amusante artikelen waren, die iedere week in een blad verschenen over actualiteiten, onder het hoofd: ‘De Mode der Gedachte.’
En op haar kamer in de Hartenstraat zat de zeer oude Annebet Kooistra. Zij was zes-en-zeventig, en keek uit haar raam in de groote lichte apotheek, waar sinds een paar jaar een vrouwelijke apotheker aan het hoofd stond. Soms knikte een donker jong vrouwengelaat glimlachend op door de bovenruit; en een enkelen keer kwam de kleine gebogen figuurvan den overkant, stak behoedzaam de zoo razend druk geworden straat over en stond in den winkel.
‘Voor mij is alles te laat gekomen,’ zei ze. ‘Maar ik ben trotsch dat ik het heb mogen beleven, mijn eigen illusie verwezenlijkt zie.’
De jonge vrouw, ‘het aardige kwieke oudje’ genegen, luisterde - maar het drong niet tot haar door. De tijd, dat intellectueel aangelegde vrouwen hunkerden en smachtten naar verlossing uit de gevangenschap van den geest, had zij niet meer gekend. Zij was de collegezaal ingestapt als iets dat vanzelf sprak - toen de
strijd gestreden was. Ze genoot het recht, maar niet meer als de eersten bewust het voorrecht. En zij zag niet, in de haast hongerige belangstelling dier oude vrouw voor alles wat in haar moderne apotheek omging, de smart van een verdrongen en overwonnen bloedige ontbering.
‘Want,’ zei Annebet eens, ‘ik was ervoor geschapen. Ik heb nooit zoozeer verlangd om te trouwen, om kinderen te hebben.... Maar dit: aan het hoofd staan van een zaak, die bloeiend te maken en groot, dàt was het waar ik naar gesnakt heb in mijn jonge, en ook nog in mijn oudere jaren.’
De jonge vrouw, bloeiend, forsch, luisterde. Haar oogen verduisterden toen ze machinaal een la dichtschoof, een etiquet monsterde. Zij dacht:
‘Wat weet zoo'n oude vrouw ervan, die zelf zegt nooit iets anders te hebben verlangd. Och - 't is allemaal heel mooi en goed, maar als ik trouwen kon, kinderen hebben.... ik gooide den heelen boel naar de maan.
't Is goed dat je je werk hebt, anders zou je aan 't tobben raken. Werk is de beste, de eenige medicijn voor de leegte in een leven als het mijne.’