terug  begin  verder
[p. 826]

XXXIX

ZIJ die aan het roer zaten en het kleine schip van Holland te sturen hadden door al de klippen en kolken van den oorlog, begonnen een vrees te voelen, verzwegen en geheim gehouden nog, maar die al vaster vormen aannam: de vrees voor kolennood in den komenden winter.

Even was een sprank van hoop geweest in al het zware, dreigende. In April, toen de jonge lente zijn groen weefde over de Amsterdamsche grachten, en de bloesemdoppen dreven op het donkere water, was er een nieuwe stem in het wereldgerucht, die van Wilson. Een stem met een klank van ideaal en geloof, die tot het in bloed gedrenkte Europa riep - tot Duitschland een ultimatum richtte om den onmenschelijken duikbootoorlog te staken. En de geest van Von Bethmann Holweg, die uit Duitschland den zijnen tegemoet kwam, nog een oorlog met Amerika te bezweren wist....

Dat was alweer maanden geleden.

Hoe verwikkeld werd thans ook het heele handelsbedrijf, de scheepvaart. De vaart naar Indië was in April weer door het kanaal van Suez gelegd, daar bunkeren op de Kaaproute niet mogelijk bleek. Het gerucht liep, dat Hollandsche schepen in de Engelsche havens geen kolen meer zouden mogen opdoen tenzij dertig procent van de laadruimte voor Engelsch vervoer-werd beschikbaar gesteld; dat Duitsche steenkolen in neutrale schepen door Engeland en de Geallieerden als contrabande zouden worden beschouwd.

Dat was geweest in April, maar langs officieelen weg werd van dit besluit geen kennis gegeven, en met de uitvoering ervan werd de hand gelicht. ‘Voorloopig tenminste,’ zei Cloese tegen Leedebour, die het kolenprobleem zwaar inzag.

Het was overal misère, waar je heenkeek. In Juli werden de Hollandsche visschersvaartuigen naar Engelsche havens opgebracht, en

[p. 827]

niet eerder losgelaten, eer de Nederlandsche visscherij zich had verplicht haar uitvoer naar Duitschland te beperken.

Zorg drukte de stad - al waren er genoeg die nog zij sponnen bij de omstandigheden. Leedebour liep te betoogen hoe het toenemend gebrek aan scheepsruimte - hoeveel schepen verzonken er iederen dag spoorloos en de Duitsche handelsvloot lag stil in eigen havens - de vrachtprijzen enorm opjoeg. En de visscherij beleefde een goeden tijd. In Duitschland waar alles schaarsch werd - méér dan iemand scheen te weten - werd de Hollandsche visch duur betaald.’

‘En we kunnen geen schepen bijbouwen,’ zei Cloese. ‘We kùnnen niet. Er is geen materiaal. Onze scheepsbouw wordt bijna geheel met Duitsch staal en ijzer gedreven, en 't is weer 't zelfde liedje: de Duitschers willen niet dat schepen met Duitsch materiaal gebouwd varen ten behoeve der Geallieerden. Hoe je het draait, het eind is voor ons altijd vrijwel doodend.’

Ze waren oude mannen geworden, op wie de zorg om land en toekomst hoog lag. Zij zagen verder dan de meesten, en dat verre stond als een zware onweerswolk aan den einder. Zij zochten evenals Frederik Craets in al dien druk, de schoonheid in muziek, hoorden in de zomeruitvoering van de Wagnervereeniging Tristan und Isolde. Wonderlijk schenen die klanken, eenmaal nieuw opgevangen in een gelukkigen onbezorgden jongen tijd, thans terug te voeren naar een onwezenlijk geworden land. En ook Mahlers hartstochtelijke stem, die ze wat moeielijk hadden leeren genieten, schonk hun schoonheid op een reeks avonden in het Concertgebouw. Maar ach - het oude! Daar was nog eens de zware leeuwenkop van Wüllner met zijn machtige voordracht, romantiek uit een vroeger tijdperk. Toch, zij kregen al luisterend en genietend het pijndoend besef, dat het jongste geslacht dit alles niet meer genieten kòn. Dat zij geen echo meer vonden van hun bewondering en deze zich maar stil in zichzelf begraven moest.

Want andere muziek was geboren, die door de oudere generatie soms nauwelijks als muziek werd erkend. Maar de jongen luisterden op, als een snaar tot trillen gebracht door den grondtoon. Dit was de klank, het rhythme dat tot hèn sprak, waar zij de schoonheid in vonden. Het was de klop van den tijd die er ging in de Franschen Debussy, Ravel, Milhaud - in de Russen Rimsky Korsakoff, Moessorgsky, - in Schönberg, La Falla.... Soms was het bij de allermodernsten een heksenketel alsof de komende hel op aarde er zich reeds van te voren in gespiegeld had - een rauwe, verwarde, afgebroken stemmenchaos. Maar ook zeer dikwijls verbijsterend schoon van gansch nieuwe

[p. 828]

klankeffecten, door een suggestieve werking van het rhythme....

Zij spraken erover op grijze stille lente-avonden, in den ouden tuin der Craetsen. Nog leefde in hen de herinnering aan Bellincioni's schoone vertolking van Salome - hoe hadden zij Strauss toch eenmaal ook wel schokkend modern gevonden - Strauss die meer dan veertig jaar de eerste plaats in het Europeesch muziekleven had ingenomen. Het was te begrijpen dat deze tijdsperiode ook de kunst tot excessen dreef, die later weer zouden verdwijnen als luchtbellen....

‘Want,’ zei Frederik, en zijn oogen zochten verlangend terug naar de oude garde - ‘zal deze kunst ooit den mensch geluk om schoonheid geven? Immers niet.’

‘Je vergeet dat Beethovens tijdgenooten de zevende Symphonie onzedelijk noemden en zijn laatste Sonaten en strijkkwartetten verstandelijke bedenksels,’ wierp Leedebour tegen.

‘Maar dit wijkt af van alle normen van schoonheid!’

‘Wat is de norm van schoonheid? Zullen niet de sterksten uit alle tijden telkens een nieuwe schoonheid scheppen? Die altijd moeielijk zal worden verstaan door een vorige generatie.’

‘Kijk naar het jonge vrouwengeslacht dezer oorlogsperiode en zie of je daàr de schoonheid van verstaat,’ smaalde Cloese.

‘Wel,’ zei Leedebour, en zijn oude inconsequentie verloochende zich niet, ‘ik vind dat we wat de litteratuur betreft, aan den groei van de vrouw merkwaardige producten danken. Meisje-studentje, Herinneringen van een Onafhankelijke Vrouw, Heleen.... Hoe sterk steken al deze af tegen vrouwen als Geertje, Liesbeth, de vrouw in Moeder. Onevenwichtig zoekenden, wroetenden, en toch niet anders willend of kunnend. Zij waren slechts bezeten door één gevoel, blind en doof voor al 't andere.’

Cloese kwam van Amstelzicht, waar hij haast uitsluitend verbleef de laatste jaren, naar de stad en keek er over een nieuwe samenleving. Er gingen de vrouwen van het veranderde type der laatste paar jaren. De overwinning was behaald. De vrouwen ook hier getreden in de opengelaten plaatsen der mannen zoogoed als in de oorlogslanden.

Cloese, in zijn geest gebrand altijd de eene vrouwenfiguur die met haar zilverblond haar gestaan had op het bordes van Amstelzicht, zag dezen en taxeerde ze: ‘Het waren de jonge vrouwen die vroeger dienstbode werden - zij leerden gemakkelijk het kunstje van typen. De gezinnen waaruit ze stamden, ontgroeiden ze. Ze liepen met zijden kousen, in dure mantels, want ze hielden hun salaris alleen voor hun kleeren. Zij waren de eenigen in deze oorlogsjaren die goed gekleed gingen. Ze waren een horde zonder ontwikkeling, zonder beschaving, die de kantoren, de bureaux vulde. Zij leken allen op elkaar. Zij

[p. 829]

kleedden zich als vrouwen uit den gegoeden stand, maar hun accent verried hen. De oorlog had de vrouwenbeweging dit onverwacht en onvermoed succes in den schoot geworpen: de vrouwen waren met één slag onmisbaar in alle gelederen.’

Maar degenen die er de rechtmatigheid en rechtvaardigheid van hadden ingezien, wisten thans: dit was niet het resultaat dat eens de voorvechtsters had voor oogen gestaan. Dit was een uitwas dat woekerend de oude moederplant begon te overschaduwen.

In de Hartenstraat op haar kamer zat nog altijd de oude Annebet Kooistra en keek naar beneden in de apotheek. Etha de Jong regeerde er met harde hand. Zij had haar lach verloren, en haar oogen staarden onder een diepe plooi in haar hoog blank voorhoofd verstrooid voor zich uit. Als zij overwipte naar haar buurvrouw, was niet meer het zorgeloos overtuigde in haar. Een gemelijke vermoeidheid teekende haar krachtige jonge lichaam, en bij de oude juffrouw zat zij soms zonder dat zij het wist, tijden te zwijgen. En die stoorde niet. Die zweeg ook, maar de nog altijd heldere oogen observeerden scherp en snel. Ook hier was niet de bevrediging, het geluk. En zij peinsde verwonderd, dat het niet geworden was wat zij zelf eenmaal zoo hartstochtelijk geloovend had verwacht. Waar lag dat aan?

Een enkelen keer nog sprak zij Truida Leedebour. ‘De oude juffrouw Leedebour,’ zeiden de kleinkinderen Craets. Zij vonden het curieus te hooren vertellen over den fellen verbitterden strijd in de jeugd van hun ouders. Hoe de mannen er zich tegen gekant hadden - grootvader fel en hatelijk tekeer ging tegen de suffragettes, die manwijven....

‘Grootvader? Die goede, altijd hoffelijke grootvader? En alleen omdat de vrouwen een baantje wilden?? Neen toch!’ Ze lachten vermaakt en ongeloovig. Hoe die oude menschen van zulke dingen een storm in een glas water maakten! Die brave oude juffrouw Leedebour met haar kort geknipte grijze haren. Mocht dat ook al niet? Nu, fraai was 't niet zoo'n mannenhoofd, maar in dien tijd scheen 't een misdaad te zijn. Net als dat zij zoogenaamde reformkleeren droeg, jurken die aan bretels hingen, om je dood te lachen - en op vergaderingen sprak - altijd maar over dat vrouwenkiesrecht.’

In hun oude huiskamer waar den laatsten tijd Jacob veel thuis bleef - een lichte attaque had in 't voorjaar hem getroffen en hij bewoog zich niet makkelijk meer - zat ook Truida menigen avond rustig en stil met een boek. Maar haar gedachten gingen daaroverheen den eigen ouden weg.

Als zij bij Annette kwam, ontmoette zij er het jongste vrouwengeslacht. Zij luisterde naar hun gesprekken, zag hun gansch ver-

[p. 830]

anderd type.... Dit was nu de toestand in de vrouwenmaatschappij, waarvoor zij eenmaal gevochten had in haar sterke jonge jaren. Blijmoedig en dapper smaad om had gedragen. Want een groote gedachte had haar over allen hoon, die toch moeielijk te verdragen was geweest, heengetild:

‘Ik ben een moeder, zoo goed als die anderen. Ik geef aan een gansch opgroeiend geslacht alles van mijzelf, mijn overtuiging, mijn kracht, mijn geestelijk goed. Mijn oogst zal eenmaal zijn hun liefde, als ze vrij zijn.’

Maar zoo was het niet gekomen. Wat zij en haar tijdgenooten deden, het was nu al door deze generatie vergeten. Ze begrepen het niet, het interesseerde hun niet. Ze beseften, nu de vrijheid voor hen was bevochten, niets van de gevangenschap waar een oudere generatie onder zuchtte.

‘Oude juffrouw Leedebour....’

Het gezicht van Truida Leedebour werd den laatsten tijd bleek en smal. Het kwam niet van haar vele werk, niet van de vermoeienis, niet van het slechte eten. Zij was een sterke vrouw die dat wel verdragen kon. Maar het besef, dat ze nu in haar ouderdom toch eenzaam kwam te staan.

En dan nog iets, wat zij nooit voorzien had: ‘zij kende en begreep deze meisjes, deze jonge vrouwen niet meer. Het nieuwste geslacht, dat de handen vrijmoedig strekte naar al wat haàr oogen nooit gezien hadden: den zoo vrijen omgang tusschen jongens en meisjes; een toon onbeschaafd, ruw, ongeneerd. Niet nemend de rechten der mannen en deze heffend tot iets schooners - maar zichzelf verhaspelend tot halve mannen; méér dan eenmaal de gesmade manwijven, zich mannelijke eigenschappen toe-eigenend: rooken, drinken, fuiven, vloeken, praten in jongenstaal. En - dat was het ergste - maar al te dikwijls de jongens neerhalend tot hùn laagte.’

Neen, dit was het niet, waarvoor zij gevochten had, wat zij had zien lichten als een schoone toekomst. Den laatsten tijd, als zij meisjes zag gaan naar hun colleges, kantoren, bureaux, ging zij niet meer rond met het trotsch gevoel: mijn werk. Want er was tegelijk het vele, vele andere, en zij dacht moe: ‘zóó heb ik het niet bedoeld. Ik heb iets ideaals gewild, en het is me uit mijn handen gevlogen als een ding boven mijn macht.’

Naar de oude vriendin kwam zij soms, en haar vroeg zij een keer dat zij te zamen zaten:

‘Annette - jij die zelf kinderen hebt, en kleinkinderen - ben jij tevreden over je nageslacht?’

Annette poosde. Zij dacht aan Francine, Sophie. Zij had haar doch-

[p. 831]

ters opgevoed in wat Frederik en zij als het beste hadden leeren zien. Waren zij daar genoegzaam voorbereid voor 't leven mee uitgekomen? Sophie die haar leven bedorven had in jaloezie, drift, wrok en bekrompenheid. Francine die zoekend en geslingerd hun zorg was geweest.... Zij had indertijd haar schoonzusters voor oogen gehad als waarschuwend voorbeeld - het veilig gevonden dat haar meisjes vroeg trouwden....

‘Ik denk,’ zei ze eindelijk, ‘als ik mijn kleindochters zie in hun vrijen omgang met mannen van hun leeftijd, dat deze kinderen in elk geval een ruimer keus hebben. Dat zij beter zullen leeren onderscheiden misschien, en het ideaal “vroeg geëngageerd” zal een verloren kwaad zijn. Wij zelf, onze meisjes, zagen mannen alleen op een bal of op het ijs; deze jongens en meisjes zien elkaar in hun werk. Je houdt je eigenaardigheden, je humeur, je heele natuur wel een balavond, maar niet dag aan dag achter een masker. Ze praten met elkaar letterlijk over alles. Dat vinden wij ouderen choquant. Zeker, het wonder is eraf, de sluier, het geheim. Maar ik vraag me af tegenwoordig, geeft dit verlies van den eersten tijd niet een winst voor het heele leven?’

‘Nu ben je afgegleden op een ander chapitre,’ zei Truida, en zij dacht:

‘Nooit kan een getrouwde vrouw, al is zij oud, het laten op huwelijksmogelijkheden terecht te komen. Dit alleen trekt tenslotte nog al haar belangstelling.’

‘Er is méér in 't jonge leven van dezen tijd dan huwelijk. Er is ook 't werk,’ zei ze met den geïrriteerden klank dien de jonge Annette van de jonge Truida had gekend. ‘Het wèrk; waarin de vrouw nu absoluut gelijk is aan den man. Waarin ze ook bewezen heeft onmisbaar te zijn.’

‘Neem me niet kwalijk, ik ben maar een huismusch en dacht daàr het laatst aan.’ Annette glimlachte. ‘Per slot Truida, wordt in dat werk waarin de vrouw naast den man treedt toch weer de huwelijksmogelijkheid gezocht. In al die jonge huwelijken tegenwoordig, waarin man en vrouw beiden werken, zoekt de vrouw alléén het werk om te kunnen trouwen.’

‘Toch niet als middel enkel,’ wierp Truida tegen.

De andere keek op.

‘Ik geloof inderdaad van wel,’ zei ze koeltjes, ‘en ik neem het ze niet kwalijk.’

‘En dàn,’ ging ze onverhoeds voort, en dit was zoo geheel de oude Annette die haar welgepunten pijl voor 't laatst bewaarde: ‘en dàn, nu we dit geconstateerd hebben, en de vrouw dus langs dien

[p. 832]

weg tot het gezinsleven terugkeert, geloof ik niet dat jullie veel reden hebt om trotsch te zijn. Want wat er van een gezin terechtkomt in dat geval.... wat de kinderen hebben aan een werkende moeder...!’

Truida Leedebour stond op. ‘We worden het op dat punt niet eens,’ zei ze met een moe lachje, ‘en ik heb geen lust meer om bij mijn vrienden nog over die dingen te strijden.’

Ze dacht, wat ze niet zei:

‘Ik ben te arm geworden om nog te risqueeren een vriend te verliezen in dien strijd.’

terug  begin  verder