terug  begin  verder
[p. 833]

XL

BIJ Verdun gaat de strijd voort; en sinds Juli worstelt er het groote offensief aan de Somme. Een enkel voordeel den eenen dag dat den anderen weer verloren gaat. Nog altijd lijkt Duitschland onoverwinnelijk. En er is bij de Geallieerden een nieuwe vrees: de duidelijk blijkende, toenemende afkeer van Rusland in den oorlog. Het militairisme heeft er na de zware nederlagen in Oost-Pruisen en Galicië een onherstelbaren knauw gekregen. Geruchten beginnen door te druppen van een stijgend gebrek aan ammunitie - van groote leemten in de oorlogsindustrie. En de zwakke bleeke figuur van Tsaar Nicolaas, die na grootvorst Nikolai Nikolajevitsch het opperbevel voert, staat daar wankel en geslingerd door allerlei invloeden in de branding van elkaar verdringende gebeurtenissen; een hulpelooze, niet opgewassen tegen de donkere schaduw van Raspoetin, die de bigotte keizerin vasthoudt in de klauw van geloof en onderwerping, om de ondermijnde gezondheid van den Tsjarewitsch.

Nog eenmaal, in een geheel nieuwe generatie, temidden van een totaal veranderde verhouding tusschen man en vrouw, is een man geklommen op het oer-standpunt; zinken vrouwen gelijkelijk uit den hoogsten en laagsten stand terug, blind gehoorzamend aan wonderlijk onnaspeurbare wetten; willoos gehoorzamend en aanbiddend een vuilen moeijik, die eet met zijn handen, maar begaafd is met groote occulte kracht. Zóó nauw verbonden met aardsche oer-krachten waaruit hij een geheime macht put die de beschaving heeft verleerd, dat hij als een dier uit de wildernis door ongeweten instincten gewaarschuwd wordt bij elk gevaar dat hem beloert. En de Russische ziel, mystiek, kinderlijk, wreed, liefderijk, onbewust en wijs, geleid door merkwaardige bewustheden, bukt in de vrouwen, in de omgeving van een ten doode gedoemd verdorven hof, voor de natuurkracht van dezen intrigant,

[p. 834]

Bezorgd zien Engeland en Frankrijk toe. Sasonov is vervangen door Stürmer, die een neiging vertoont om met de Centralen vrede te sluiten. Ontrust worden de Geallieerden; zij waarschuwen den Tsaar zijn ministerie samen te stellen uit mannen die het vertrouwen der Doema hebben!

De Tsaar, laatste op een vermolmden troon, laatste van vorsten, die eenmaal met oosterschen praal als alleenheerschers hebben gezeten in het Kremlin - de Tsaar blijft doof. Maar aan het hof stijgt de haat tegen Raspoetin. In een winternacht wordt uit het huis van den prins Fedor een zak gesleept met Raspoetins lijk, van de besneeuwde brug over de Newa geworpen. Vertwijfelde poging van wanhopige vastberaden aristocraten om den troon, om dierbaar Rusland te redden uit den ongelukzaligen invloed van een misdadig machtsmisbruik....

Maar aan het front - de Tsaar, wankel, geslingerd, niet begrijpend, blijft doof.

En aan de fronten in het Westen gaat de verbitterde stompzinnige hardnekkige strijd voort.

De geestdrift is lang verschaald bij wie daar strijden. En weet iemand hoè lang reeds in de Duitsche harten? Er is geen vechten. Er is: wachten op een dood die altijd loert. Er is geen uitzicht meer en geen gedachte. Er is niets meer dan het zich zoo goed mogelijk dekken, te weer stellen tegen de moorddadige shrapnells - de gierende granaten. Er is.... ergens vèr weg - maar dat is eeuwen geleden - een huis, vrouw, kinderen, ouders. Er is.... vaag, verloren - een leven dat te leven waard was - onwaarschijnlijk nog als een fantasie, een koortsdroom. Er is.... soms ja een verlof, een thuiskomen - een staan als een vreemde tusschen bekende gezichten, in een omgeving die je niet meer herkent als bij je te behooren. Luisteren naar woorden, voelen hun liefkoozingen - maar er is aldoor dat ééne, waar je naar kijken moet over en door dit alles heen: zij hier, waar jij niet meer hoort. Jijzelf daar in die hel, waar niemand hier van weet. Waar ze over bazelen en niets van begrijpen. Er is.... eindelijk - na lange onverschillige dagen - weer het heengaan, en in je geschroeide hersenen alleen eigen ellende om de hel die altijd wacht. En de stompzinnige vage verwondering dat die anderen schreien.... schreien kunnen....

Dan - voor hen die achterblijven de dagen weer, de eindelooze, donkere. Want al lang kromt zich in het groote Duitsche land alles onder de meedoogenlooze uithongeringsblokkade - het wapen van Engeland, dat de Hunnen te gronde wil richten. Waarvan langzaam maar zeker in alle standen de beteekenis en de omvang begint door te dringen.

[p. 835]

Annette Craets, als zij alleen zat in de reeds zoo lang stilgeworden uren van den middag - het was ook onbehagelijk koud met het sterk verminderd kolenrantsoen - onderging met de oude hartstochtelijke helderheid den tijd. Tweemaal had haàr de dood een kind geroofd, en haar hart leed naast de duizenden moeders die hun kinderen wisten sterven. Van de vrouw in haar groot huis weefde zich een sterke band naar die verre ongekende vrouwen, kwam in haar het besef der saamhoorigheid met al die zusteren; het vaste weten dat zij niet meer alleen ging, maar naast die allen. En haàr kreet van opstand eens, de geweldige bittere strijd in haar eigen hart: ‘Heb ik daàrvoor mijn kinderen geboren en grootgebracht om ze te zien sterven,’ vond haar echo in de zusterkreet van een Amerikaansche vrouw, nu in Amerika de wil die den oorlog begeerde, groeide in kracht en tal - het verontwaardigde wanhopige verzet van een moeder:

 
‘I have not born my son te be a soldier,
 
To kill an others mothers darling son.’

Annette voelde dien kreet haar hart binnendringen, en er langzaam uitsterven als de galm van een zware klok. Een klok, alarm luidend in den Tijd.

De brieven van Stance De Block kwamen, en spraken van honger, van moeielijkheden - het leven was zoo ingewikkeld geworden. Nu voelde je ook plotseling het bezwaar een vreemdeling te zijn. Van 't begin af had de oorlogsgeest haar diepen weerzin gewekt - en nog kon je niet verdragen dien aanmatigenden toon: God die aan ònze zijde strijdt.... Maar er was geen enthousiasme meer als een overwinning werd bekend gemaakt. Er was maar één verlangen, dat het tot een einde kwam, en al de overwinningen schenen daar niet toe te leiden....

Annette dacht: Nog eenmaal hadden zij zoo gezeten, Frederik en zij als jonge menschen in de opwinding om den Fransch-Duitschen oorlog. Maar hoe klein verzonk die oorlog en zijn beroering thans bij deze, welke groeide tot een wereldramp. Een sneeuwbal van onheil die rolde en zich vergrootte. Maar ook: uit dézen ontzettenden chaos zou misschien een begrip, een erkentenis worden geboren en omhoog gestooten, die in den anderen oorlog latent was gebleven. Frederik Craets, smal en vermoeid in zijn stoel gedoken, sprak het op een avond uit: ‘In zeventig vond ieder den oorlog wel vreeselijk, maar aanvaardde het als een om de zooveel jaren onvermijdelijk iets. Oorlog was een deel van de wereldorde, zoo goed als leven en dood. Maar in dézen duivelschen strijd ontkiemt verzet tegen den menschen

[p. 836]

moord. Dat zal dan de duurgekochte vrucht zijn die ons nageslacht plukt.’

Annette wendde haar hoofd naar hem om. Hij had haar een leven lang bemind en zij was gelukkig geweest in die liefde. Maar zelden had zijn geest intens den haren geraakt. Nu plotseling, als een pijl die doorschoot tot diep in haar hart, waren zijn gedachten die de hare wekten.

Dien avond, op het punt naar boven te gaan, zei ze - en ongeweten sprak zij uit, waar haar kinderen in ziekte en stuurlooze eenzaamheid om hadden geworsteld: ‘Alles te kunnen zien als noodzakelijk in een groot verband....’

Hij keek haar zacht aan:

‘Het leven is den laatsten tijd zwaar voor je geweest.’

‘Jij - voor jou.... toch ook?’

Hij keek op in het licht.

‘Niet ieder draagt hetzelfde even zwaar. Ik kan niet helpen, met alle vreeselijk leed dat ons getroffen heeft, dat ik het leven nog zoo liefheb. Ik denk nu dikwijls, en ik denk het 't meest als ik onze lieve Jetje heel dicht bij me voel: het is een zegen oud te mogen worden. Het is een zegen het leven te mogen leeren zien met oude oogen. Onze tranen hebben ze helder gewasschen; het leed en de jaren samen. Ik ben dankbaar dat de dood zoo lang geduld met me heeft.’

Plotseling was ze vlak bij hem - haar twee handen om zijn arm geklemd. Op haar lippen beefde het woord dat ze niet uitsprak.

Hij leidde haar behoedzaam de trap op naar boven.

Pieter, die van kantoor de gang inkwam, zag hen gaan. Een oude man en vrouw, die langzaam, tree voor trede naar boven gingen - dicht naast elkaar. Hij stond er nog te staren toen hij reeds lang de deur had hooren sluiten - een kleine eenzame gestalte in de hooge witte gang.

Het was laat toen hij de deur van zijn eigen huis eindelijk opensloot. Er lag een briefje op het tafeltje onder den spiegel met Hesters schrift:

‘Niet sluiten. Heb geen sleutel.’

Hij fronste. Hoe dikwijls gebeurde dat tegenwoordig. Sinds zij studeerde, zijn oudste muis, ging zij haar eigen weg. Een dien hij niet goed keuren kon. Het was van de week de derde keer dat zij zoo laat uitbleef. Plakken op de kamer van een vriendin - jongens en meisjes - een gezelschap waarvan hij den ruwen toon proefde uit de verhalen.

Hij was er laatst plotseling tegen Li over uitgevallen - Li die een bevlieging had voor maatschappelijk werk en nooit meer thuis was.

‘Dat vind ik niet goed, dat wil ik niet!’ had hij geraasd in een

[p. 837]

zeldzame drift. Ze was naar hem toegekomen en had hem aan zijn eor getrokken.

‘Middeleeuwsche vader. Patriarch! Je bent roerend hoor.’

‘Ik maak geen grappen!’ snauwde hij.

‘Neen, neen, 't is ook waarachtig geen grapje: een dochter op het slechte pad.’

Hij had haar weggeduwd. Den laatsten tijd verdroeg hij slecht den toon, dien de muizen sinds hun meisjestijd ook tegen hèm hadden aangenomen. Bij Eugénie kwam hij binnen:

‘Eugénie, dat wordt te gek. Die dingen tolereer ik niet.’

‘Ach,’ zei Eugénie, ‘ik heb mijn jonge jaren in gevangenschap verzucht - laat je kinderen toch hun jeugd genieten.’

Hij dacht ook nu aan het Feest, waaraan zijn heele huiselijk leven te gronde was gegaan. En bleef zitten wachten, verbolgen ongelukkig. Tot hij bij eenen gejoel en gelach hoorde; even later Hester in de vestibule stond.

‘Hè?’ zei ze, haar wenkbrauwen hoog optrekkend -‘zóó laat aan 't werk Paps? Of ben je uit bed gevallen?’

‘Ik heb op jou gewacht.’

‘Ik waardeer 't niet. Je ziet zoo bleek, je hoorde al lang onder de wol.’

‘En jij?’

Ze moest lachen, zooals ze sinds hun kinderjaren gelachen hadden.

‘Paps zeg, 't stáát je niet dat gezicht! Nee, wat is er nou?’

Ze was ineens naast hem, om iets zieks in zijn doodvermoeide oogen.

Sigarettenlucht kwam hem uit haar mond tegemoet; hij duwde haar terug.

‘Is dit.... vrouwenleven?’ zei hij, met de ijzige scherpte van zijn vader. Hij keek haar aan, verslapte meteen in zijn armoede. ‘Kunnen wij geen avond meer een huiselijk leven hebben? Met elkaar? Moet ònze huiskamer per se een woestenij zijn van ongezelligheid en verlatenheid? Ik ga naar opa en oma voor wat huiselijkheid....’

Ze lachte.

‘Je bent allemachtig onredelijk Paps,’ zei ze goedmoedig. Hij moest denken: met het gemoedelijke redeneeren van een man die wat veel gedronken heeft. ‘Wanneer, vraag ik, hebben wij kinderen die hooggeroemde huiselijkheid en gezelligheid bij ons thuis gevonden? Moeder lag in bed of was uit. Jij op kantoor. Wij hingen om bij Rosa, die maakte er nog wat van, toen we klein waren. Wou je dat Li en ik nu samen daar gingen zitten met een breikous? En jij met de krant erbij en een pijp?’ Ze lachte, rekte zich uit, gaapte

[p. 838]

achter haar bleeke bejuweelde hand. ‘Goeienacht Paps, we gaan hoor. Kinderenbedtijd.’

Boven keek Li uit bed.

‘Waar bleef jij zoo lang?’

‘Paps was nog op.’

‘Ja,’ zei Li. ‘Paps heeft wat. Hij wil onzen levenswandel verbeteren. Schattig.’

‘Ja, de dot.’

Ze zei niets meer. In bed lag ze en dacht in een afkeer dat ze om negen uur college had. En ineens ook dacht ze terug aan 't gesprek dat ze met Mies Melgers gehad had dien middag. Mies die haar in den groentijd zoo goedig geholpen had, maar ineens stug en kattig was geworden den laatsten tijd.

En vanmiddag was Mies bij haar gekomen en had gezegd:

‘Waarom heb je eigenlijk biologie willen studeeren?’

Hes had moeten lachen.

‘Och - zoo maar. Ik hou nogal van plantjes. Een probeersel. Bevalt 't me niet, ga ik wat anders doen.’

Toen was Mies driftig uitgevallen.

‘Als je geen belangstelling voor je studie hebt, wat doè je dan bij ons! Dan hoor je hier niet.’

Hester had zich slap verweerd.

‘Ach heilige onnoozelheid! Dacht je heusch dat al die kinderen liefde hadden voor hun studie?’

‘Veel wel ja. En de anderen hooren er niet, evenmin als jij. Jullie zijn het, die het voor ons bederven. Bij de proffen, bij de jongens, op de colleges die jullie overvol maakt....

‘Dacht je dat die jongens allemaal zoo houden van hun studie?’

‘Neen, dat denk ik niet. Maar dàt gaat me niet aan. Wat me alleen aangaat zijn de studeerende meisjes. Zoo licht is er een sneer over ons - en ik kan niet uitstaan als je daar reden voor geeft. Jullie maakt het voor de ernstig willenden noodeloos moeielijk.’

Hester Craets lag hieraan te denken. Ach, 't was allemaal immers niets. De studie niet - en dansen niet. Zij zuchtte, een vermoeide smartelijke zucht zonder dat zij het wist. Ze wou wel eens heelemaal iets anders. Ze dacht aan den oorlog.... Als je verpleegster was.... Er moest wel iets in zijn om daar naar Frankrijk te gaan, in de hospitalen te werken - een emotie in elk geval - maar ze was vies van bloed. En van wonden. Er zouden wel veel heel onsmakelijke dingen ook zijn.... Neen verpleegster had ze heelemáál nooit willen wezen...

Toen stond weer voor haar geest een ontmoeting; zooeven met een troepje meisjes naar huis loopend, opeens bij het Rembrandtplein uit

[p. 839]

het plantsoen komend, alleen, klein, een vagabonde: oude tante Caroline.

Op zoek naar zwervende beesten - hemel ontzettend! Ze moest er aan denken, een vrouw toch ook, eenmaal zou ze wel niet zoo malgeweest zijn - dat je zóó verworden kon.... Te denken, dat je zelf zoo.... neen nonsens....

 

Caroline Craets drukte het natte verregende hondje dat ze op haar avondtocht had opgevischt, in haar arm. De Decemberwind woei de gelig grijze piekharen om haar hoofd vanonder het pothoedje. Terwijl ze den langen thuisweg ging, langs den Amsteldijk in den motregen, - als een vreemd, verschrikkend visioen was een oogenblik voor haar opgedaagd het vroolijke drukke troepje meisjes, waarvoor ze schuw was uitgeweken - voelde ze thans weer alleen als een warm geluk den kleinen heftigen hartslag tegen haar beschuttende hand.

Toen ze den sleutel in 't slot stak, klonk luid gehuil en gejank op - een benauwde stank golfde uit de gang aan, maar dat merkte ze niet. Tegen haar kleine vuile verwaarloosde gestalte kwamen ze opspringen, zich aanvlijen. De honden onstuimig dringend, likkend - de bedaarde katten spinnend en onderwijl snauwend tegen de honden, zich schurend en kopjes gevend tegen haar beenen. En van den standaard brabbelde Klingsor, de papegaai, zijn praatjes die alleen zij verstond. Haar gezicht verloor het onwijze, afgetrokkene - keek met een teederen glimlach neer op de dieren, ontlook onder hun woeste liefdes betuigingen. Tot zij eindelijk den kleinen nieuweling op een stoel zette, en de heele jankende, dringende, springende bende om haar heen, koers zette naar den hoek bij de kachel, waar de aap Joko zijn oud-mannetjesgezicht bezorgd met de oogen knippend boven den wollen deken stak.

Ze knielde bij hem neer.

‘Weg jullie allemaal - weg! Stil kinderen, nou koest hoor.’

Ze gehoorzaamden. Op haar stem wonderlijk teeder en liefkoozend diep, luisterden ze gespitst, dropen af, legden zich neer, haar niet uit het oog latend. Met hijgende bekken, de tongen lang, en sentimenteel blikkerende oogen.

‘Joko, mijn diertje, klein beest, ben ik daar dan weer? Heeft ie 't alleenig gehad? Moet ie dan op mijn schoot hè?’ Ze ging op den grond zitten, haar rug gesteund tegen den schoorsteenmantel; nam het zieke dier in zijn dekentje gewikkeld op haar schoot, hem koesterend in haar arm.

‘Dieven! Schurrrken!’ krijschte de papegaai jaloersch.

Ze lachte gelukkig, maakte met één hand boven haar hoofd reikend, den ketting los, liet den vogel op haar vuist klimmen.

[p. 840]

De honden gromden, de twee voorste katten zetten de rugharen op, trokken met dikken staart terug - blazend, op stijve pooten.

Onder zijn dekentje uit grijnsde Joko, de tanden bloot. Met gebogen kop liet de groote papegaai zich krauwen.

‘Liefje - liefje - liefje....’ brabbelde hij.

Ze glimlachte. In de warmte der omringende dierenlichamen koesterde zij zich in een lijfelijk welbehagen.

terug  begin  verder