IK moet eens naar Sophie,’ dacht Annette. Om de beurt zagen de kinderen haar trouw verschijnen. En wel waren er tijden dat Sophie haar moeder geweldig vervelen kon over al haar werkzaamheden - maar hoe moe en afgevallen had zij er laatst op een avond uitgezien - zij trok zich de kwestie van Els blijkbaar aan...
Annette kwam ongemerkt boven. Op de trap al hoorde zij Hartonius' stem donker van ingehouden drift, en daartegen Sophie's schelle woorden klaterend als een waterval. 't Woord brief klonk er tusschen op.
‘In 's hemelsnaam,’ schrok Annette, en zij legde even een zwartgehandschoende hand tegen haar borst - ‘ze zal toch niet nòg zijn brieven openmaken!’ In een wanhopige bui jaren geleden had Sophie haar dat eens gebiecht.
Geen van beiden had haar bemerkt. Zou zij maar weer stil teruggaan? O maar Sophie moest ophouden! Ze moest tot zichzelf komen!’
Opeens vastbesloten opende zij de deur.
‘Kinderen....’
Ze schrikten allebei, keken geprikkeld om.
‘Moeder - u?’
‘Ja neem me niet kwalijk, ik kon zóó hard niet loopen dat jullie me hoorden.’
‘U teekent de situatie vernietigend juist,’ zei Hartonius bitter. Hij reikte zijn schoonmoeder de hand, lachte zijn kort smadelijk lachje. ‘Nu, ik gun u het voorrecht deze conversatie verder voort te zetten - excuseer dat ik u geen beter erfdeel laat.’
Sophie was wit tot in haar lippen. Zij stond afgewend voor 't raam tot zij de deur hoorde sluiten.
‘Sophie,’ zei Annette heesch, ‘moèt dat zoo?’
Toen barstte Sophie uit in tranen.
‘U kènt hem niet. Nu nog na al die jaren kent u hem absoluut niet. U vindt hem kalm, verdraagzaam, verstandig omdat hij me niet tegenspreekt, en u begrijpt niet dat hij mij daarmee dol maakt! Daar heeft hij mijn zenuwen mee geknauwd. Hij zwijgt bij alles wat ik zeg, wat ik doe. Vroeger als hij onredelijke dingen zei had ik verweer, tegen woorden kan je je verdedigen - maar tegen stilte - tegen dat zwijgen heb je niets. En dan verlies ik alle zelfbeheersching. Het is of hij den grond onder me uittrekt, of ik val in een diepte. En ik begin dingen te zeggen, dingen te zeggen die ik weet dat niet waar zijn - alleen maar om hem uit zijn zwijgen te lokken. Maar 't geeft niet; hij zwijgt eindelijk zelfs mijn woede, mijn ellende dood. En zóó ben ik geworden - zóó.... ben.... ik....’
Ze snikte, schreide, met een bevende onderlip. Die lip van een kind, van het kleine Sophietje eenmaal, rukte in Annette alle teederheid, alle verdediging naar boven.
‘Phietje - arm kind.’
Ze was opgestaan haastig, op haar onwillige voeten half naar Sophie toegestruikeld, en ze trok Sophie's beschreid gezicht tegen haar borst. Dit was het onverwachte. Moeder beklaagde niet licht, moeder sprak verstandig, meelevend, begrijpend over dingen; maar het beklag waarnaar Sophie haar heele huwelijksleven had gehunkerd - was nooit gekomen. Nu knakte ze in elkaar, gaf zich over. Ze schreide toorneloos haar gekwetstheid, haar eenzaamheid, haar misvormde liefde uit.
‘Ik ben zoo alleen, altijd zoo alleen. Hij heeft me altijd alleen gelaten. Een ander heeft vriendinnen, die zoekt daar troost, of thuis. Dat kan ik niet. Ik hou van jullie, maar ik leef toch alleen om hèm - ik wil alleen alles van hem! En hij geeft me 't gevoel of ik net precies altijd 't verkeerde doe. Hij draait het om. Wat ik goed bedoel, daar stelt hij zich tegenover zoo dat het dadelijk iets verkeerds schijnt. Dat kan u niet begrijpen - u die vader hebt, een zachte man die u altijd aangebeden heeft - u kunt het niet begrijpen wat mijn leven geweest is al die jaren. U, u is zoo lang u getrouwd was op de handen gedragen - ik ben verschopt mijn heele huwelijksleven. Toen ik met hem trouwde was ik nog half een kind - hoè dat weet ik nu pas. Ik hield nog stilletjes van mijn poppen, boven weggesloten in mijn kastje. Toen kwam hij, en ik was meteen van hem, heelemaal. En dadelijk heeft hij me alleen gelaten. Hij ging op in zijn werk. Waarvoor moest hij trouwen? Hij had voldoende gehad aan een huishoudster. Hij had nooit een vrouw moeten hebben, en geen kind. Dat arme kind, dat hij niet heeft kunnen kneden naar zijn aard en waar hij nooit om gegeven heeft. Van Els heeft hij gehouden, dat voel ik best. Maar ik
toch ook! Als van mijn eigen kind! Maar hij heeft me daarbij ook buiten weten te zetten. Hij heeft me gekwetst waar en wanneer hij kon. Met Els wandelde hij, voor Els had hij tijd, met Els praatte hij....
En nu - nu is dit gekomen - nu zal ze ons te schande maken gaan. Nu moest hij toch begrijpen hoe erg dat ook voor mij is. En als ik erover begin, snauwt hij me af. Hij verdraagt gewoon niet dat ik 't zelfde zou voelen als hij. En dat kind, dat kind waar ik toch zoo dol op ben.... O wat een huis is dit - wat een huis is dit! Mijn jongen is er uit gegaan, die verdroeg het niet, die liet me alleen. En dit kind gaat ook haar eigen weg - en ik leef tusschen hen allemaal in als een pop - als lucht, of ik geen hart heb en geen leven, zoo vechten ze langs me heen.’
Ze stokte uitgeput. Ze had onbewust het groote tragische gebaar, en de moeder zag haar in een vreemde bizondere schoonheid, in een grootheid van expressie, van ziel, die ze niet waarlijk bezat, slechts zich teekende in haar gebaar. Dan zag ze haar moeders klein gezicht, bleek en diep bedroefd om haar, de oogen rood gerand. En ze schreide opnieuw haar overvloedige groote tranen als van een kind.
‘Ik denk zoo dikwijls tegenwoordig: waarom ga ik niet heen! Hij zal me niet missen. Wat zal ik hier blijven bij een man die me niet ziet, bij kinderen die me niet noodig hebben, me verlaten. Als ik morgen weg ben, wie zal 't merken? Ik zal minder eenzaam zijn bij vreemden dan in mijn eigen huis.’
‘Ach Phie - zoo iets doe je niet - dat doen vrouwen als wij niet.’
‘Ik weet niet. Soms kan ik Jetje benijden, die den moed had er een eind aan te maken.’
Annette hield Sophie's handen in de hare. Uitgehuild zat zij. Haar groote gebaar, haar schoonheid van expressie verdwenen. Zij zat er, ingezakt thans, een oudachtig vrouwtje.
En het was wat altijd in Annettes herinnering leven bleef: toen zij op straat nog eenmaal opkeek naar het mooie groote huis van de Hartoniussen, Sophie's beschreid gezicht, schuw even om de deur haar toeknikkend.
Annette ging vermoeid en langzaam in den vallenden avond. Zij hoorde Sophie's woorden: ‘Soms kan ik Jetje benijden die den moed had eruit te gaan.’
Annettes hart kwam heftig in opstand. Zij hield veel van Hartonius, maar een smartelijk diep verwijt was in haar dat hij Sophie, dat vieve, vroolijke Sophietje zoo rampzalig had gemaakt. Fransje.... dat was ook niet heel goed geweest, maar nu scheen die nog de minst ongelukkige....
Haar mond trok in een verbeten smalle lijn. De wond om Jetje
was door Sophie's noodkreet bloedig opengescheurd. Een angst rees in haar, een groote wanhopige angst: twee kinderen had zij verloren - niet nòg een! Had ze niet veel te veel Sophie aan haar lot overgelaten, Sophie die zoo eigengereid deed en nooit vertrouwelijk was - had zij niet dit kind verzuimd te naderen....
Zwaar lag de late sombere Decemberdag over de stad. Nog veertien dagen nauwelijks en het was Kerstmis. Wat zou het worden met deze Kerstdagen - de derde oorlogskerstmis al. Fred nog altijd aan de grenzen. De heele studie van zoo'n jongen verliep. De Melgersen zouden die komen? Wat moest zij met de Hartoniussen? En Eugénie die zoo minnetjes was den laatsten tijd....
Bekommerd ging Annette haar weg. Waar was de tijd dat zij vroolijk met Jetje het Kerstmaal aanrichtte, en Frederik voor allemaal zijn toast hield.... Wèl waren er soms schaduwen, maar ach wat beduidde het alles wanneer ze allen nog lééfden! Léven scheen eerst beteekenis te krijgen, als de schaduw van den dood erover gevallen was....
In de Vijzelstraat voor een sigarenwinkel dromden de menschen. Zij hoorde een woord dat haar plotseling een diepen schok gaf: Vrede.
Het zweefde tusschen de menigte, het werd meegedragen door de zich verspreidenden: Vrede. Tegen Kerstmis een trachten naar verzoening. Een nota van Von Bethmann Holweg tot de Geallieerden waarin hij verklaarde, dat Duitschland tot den vrede bereid was.
Toen Annette de deur van haar huis opensloot, stond in de gang Leentje Vinks kleindochter. Zij kwam de boodschap brengen dat grootmoe uit den tijd was....
----------------
Duitschland tot vrede bereid? Door de wereld gaat een verrast, verlost opstaren.... Geen hart in alle gelederen aan en achter het front - in oorlogvoerende en neutrale landen, dat niet zich ontspannen voelt uit den klemmenden greep en op te ademen waagt.
Een gansche week van twaalf tot achttien December worstelt een nieuwgeboren gedachte, hoe zwak ook en klein nog, zich los uit de windselen van verwarring en blindheid, en raakt aller zielen aan-
Vrede. Vrede.
Het schijnt een ander woord geworden; niet meer het oude veel gebruikte en versleten woord. Het is herboren, de drager van een gedachte, zóó verlossend, zóó zaligmakend, zoo diep en wijd, alsof het nog nooit bestaan heeft; nieuw ontdekt en heilig opstijgt uit den poel van Europa.
Want daar - op achttien December komt een andere stem de eerste tegemoet - van Wilson den droomer, die buiten het oorlogsgeweld staande, de dingen ziet in een groot verband, zuiver, groot, goed. Die gestuwd door een kracht, hem opheffend in een hoog en klaar begrip, zijn zending vervult en zijn nota over den vrede aan Duitschland zendt.
En op Kerstmis, dien derden donkeren Kerstmis voor Duitschland, gaat het Duitsche antwoord naar Wilson; verrassend door zijn gematigdheid. De bereidheid tot den vrede samen te werken. Houden in een korte spanne tijds twee mannen de vredesidee krampachtig vast - schijnt de geest van Von Bethmann Holweg in Duitschland te zullen zegevieren.
Aan het Kerstmaal zaten de Craetsen, een ingeslonken troepje. Want Eugénie had griep gekregen en lag te bed. Fred Melgers kon geen verlof krijgen, en van Philips gezin waren er alleen Annètje en Lou. Betsy had gezegd dat zij te moe was om uit te gaan, en Seb logeerde bij zijn jongen oom in Deventer.
Op Annettes vraag aan Pieter of hij kwam, en wie van de meisjes - had hij stil zitten kijken. Een moedelooze twijfel overrompelde hem zoodra hij niet te werken had. Wat deed hij thuis waar zijn kinderen uitliepen - maar wat deed hij hier, waar hij die nederlaag van zijn leven zoo hard voelde!
Op Kerstdag toen de meisjes uit waren, en de grauwe uren langzaam buiten vergingen naar den avond, zat hij bij Eugénies bed en morde: ‘Wie had in zijn jongensjaren het in zijn hoofd gehaald op Kerst niet thuis te zijn. Maar hun dochters gingen bedaard uit of 't vanzelf sprak.’
Eugénie antwoordde niet. In haar kanten zat zij gesteund in de kussens, grijsbleek het vroeger blank ivoor van haar sterk vermagerd gezicht. Een ontzettende moeheid hield haar in bed gevangen; de lichamelijke vermoeidheid waarmee ze sinds haar jonge vrouwenjaren gevochten had, en die haar nu de baas werd. Deze week ook had Bergema aangedrongen op een consult. Als het moèst zou zij toch nog zien te komen naar Zwitserland, in een hooge lucht....
Pieter morde door:
‘Wij - ik zie dat nu - wij hebben geen milieu gesticht waar we de kinderen in vastgehouden hebben. We zijn uitgegaan of hebben gasten gehad, maar we hebben nooit eens twee avonden achter elkaar met ons vieren om de groote tafel gezeten.’
Zij luisterde, met verbaasde aandacht. Zijn zelfverwijt raakte haar niet - zij vond alleen dat wroeten in de dingen curieus.
‘Ik weet niet hoe dat alles zoo gekomen is. Thuis was het anders. Ik weet ook niet waardoor ik het niet eerder ingezien heb, toen de kinderen nog klein waren.’
Zij zweeg ook nu. Er was een groote gelatenheid in haar. 't Was alles de moeite niet waard om zoo over te denken, te praten. Hoe kòn iemand. Ze had het leven nooit zeer lief gehad; misschien door haar altijd wankele gezondheid. Er was geweest het feest, het verzet tegen de verveling, de onbelangrijkheid, de alledaagsheid. Nu was er dat ook niet meer.
Zij dacht soms, dat zij misschien niet lang meer leven zou - zij had de meisjes graag getrouwd gezien. Of Hesje dien De Loeveene nemen zou, die haar al sinds den vorigen winter zoo in 't oogloopend het hof maakte.... Ze was nog wel heel jong, maar hij had een ouden naam, en zeer gefortuneerd was die tak. Haar energie voor glans en praal leefde op bij de gedachte hieraan. Het zou toch goed zijn als haar dochters weer terugkeerden in de eigen côterie. En rijk. Niet als zij eenmaal, arm.
De schemering viel om hen. Hij sprak al lang niet meer en zij merkte het niet. Zij vond het prettig, dat hij hier zoo bij haar zat - op haar koele, altijd vriendelijke wijze hield zij van hem, van zijn gezelschap, zijn gezicht.
In den grooten spiegel tegenover het bed, weerkaatste onduidelijk haar beeld, spookachtig wit in haar kanten, haar holle oogen groot in 't geelbleek gelaat.
Hij zweeg en wroette en zocht zijn leven af. Hij dacht niet eraan dat hij veroverd had wat hij eenmaal fel had begeerd - hij dacht dat hij zijn leven lang een ziekelijke vrouw had gehad, hij wiens verlangen was gegaan naar forsche bloeiende kleine vrouwen. Hij dacht, terwijl hij daar zat, aan dien eenen Kerstmis jaren geleden toen de kinderen klein waren en Rosa in huis gekomen was.
Langzaam onuitroeibaar als een sterke jonge woekerplant had zich het meisje in zijn huis genesteld, zich volslagen onmisbaar gemaakt. Verdroeg zij zonder een woord van verzet Eugénies slecht humeur dat alleen naar boven kwam tegenover dienstboden, haar aanmerkingen, haar hautaine onverschilligheid. Werkte zij nauwgezet in 't huis, dat meer het hare was geworden dan van Eugénie, waar geen voorwerp haar onbekend was - waar niets gebeurde meer zonder haar medeweten.
En toch, zonder schaduw, bleef Eugénie de onaantastbare meesteres. Heerschte zij onbeperkt in het huis waaraan zij nooit een zorg had gewijd - het huis dat om haar paste als een etui om een precieus juweel - waar zij Rosa beschouwde als onontbeerlijke ondergeschikte,
nauwgezet zorgend voor haar zoowel als voor Pieter en de anderen. Vermoedde zij nooit dat al die nauwgezetheid alleen zijn oorsprong vond in den wensch den man te verzorgen, hem ter wille te zijn in alles.
Haar stap op het portaal deed hen beiden opzien - even was haar tikje aan de deur, dan ‘Verzeih - darf ich?’ knipte zij het licht aan.
Zij stond in de deur in haar donker mantelpak. Haar gezicht was nog rond en blank - de oogen alleen waren niet meer jong. Die stonden wetend en hard bewust. Zij zag Pieter zitten voor Eugénies bed, gedrukt, bleek - zij zag de vrouw in het bed verminderd iederen dag. Haar jaloezie zocht snel alle mogelijkheden af:
‘Wàs hatte er mit ihr zu sprechen gehabt? Litt er in dem Gedanken dass sie dem Tode nahe war? Hatte er sie doch lieb? Wurde sie ihm jetzt lieb weil sie nun bald sterben würde?’
Maar zij zeide met haar stille stem:
‘Zal iek bouillon bringen?’
‘Neen,’ wenkte Eugénie af, ‘ik kan 't niet zien.’
‘Bitte, probiert u doch mal - Iek wiel het maken dat u het gut fient.... Sonst.... een ei.... oder Suppe....’
Zij was al weg. Het leek hem op eenmaal zonderling leeg in de kamer - om hem heen. Toen zei Eugénie plotseling:
‘Als Rosa eens weer naar Duitschland gaat voorgoed....’
Hij schrok onbeheerscht. Een seconde ontmoetten in den spiegel hun oogen elkaar.
‘Wat bedoel je - ze gaat immers niet weg.’
Ze lachte kort. ‘Ach dat volk. Gaat immers weg als 't hun voordeel maar is. Ik wou zeggen... we krijgen nooit weer een zóó goede meid.’
In den ouden spiegel waren hun twee gezichten vaal en mat, vlak bij elkaar; staarden uit het glas de luxueuse slaapkamer in als een geheim.
De deur ging open, Rosa kwam binnen met een kop soep. En één moment vaagde haar donkere silhouet als een schaduw over de twee gezichten en wischte ze uit.