OVER de wereld is Kerstmis voorbijgegaan, naar Oudejaar. In verwachting en hoop. Wie onder de duizenden die daar strijden een stompzinnigen redeloozen strijd, kàn den voortgang van den oorlog nog wenschen!
Eind Januari valt plotseling de felle vorst in. En de volken wachten. In ijskoude dagen en verstijvende nachten; naar den fonkelenden nachthemel klimmen de gedachten met één verlangen: vrede. En bijna bereiken ze hem - raakt hij hun verlangende hopende handen. Bijna. Maar Wilsons geest vermogen noch Lloyd George noch de oude Tijger te vatten. Hard en onverzoenlijk luiden hun vredesvoorwaarden. Zij duwen Ludendorffs partij opnieuw, en te vaster thans het wapen in de vuist.
En dàn - onverhoeds, alsof een duivel alles opnieuw in zijn klauw grijpt: op een-en-dertig Januari de afkondiging van een onbeperkten duikbootenoorlog. Ludendorffs zege.
Tegenover den aandrang van het militairisme, opgeprikkeld als nooit te voren thans, zakt de geest van Von Bethmann Holweg in de knieën. Europa dat even adem heeft geschept, een paar verlossende weken heeft durven hopen, schrikt wild op.
Een verscherpte - een onbeperkte duikbootenoorlog. De wateren om Groot-Brittannië en Ierland, en ten westen van Frankrijk tot op twintig zeemijlen van de kust van Spanje, en een groot deel Middellandsche Zee versperd gebied. De gruwel van de Lusitania, honderdvoudig herhaald.
Maar den derden Februari staat Wilson in het congres te Washington en deelt vastbesloten mee, dat hij de diplomatieke betrekkingen met Duitschland verbroken heeft.
Alle oogen en ooren - alle harten in Europa gespannen naar Amerika gekeerd, opstarend bij het hooren van deze stem die reeds
eenmaal zich heeft doen hooren met gezag. Maar daarginds in de Unie, stelt een groote, een sterke oppositie, ook van de vrouwen, zich tegen den oorlog. Het zijn de vrouwen uit wier midden dertien jaar later op het Wereld-Congres te Berlijn de stem zal opgaan:
‘How hypocritical to condemn the powder on a woman's face, and laud the gunpowder that mows down her sons!’
En als Wilson opnieuw wordt candidaat gesteld, is als verkiezingsleus aangegeven, dat hij de Unie buiten den oorlog houden zal.
Amsterdam zag gespannen uit. Nòg was de winter, waren de donkere droomerige dagen van November en December zacht geweest. Nu plotseling veegde de felle vorstwind de straten wit, en aan de grachten gaf in weinige dagen het ijs het bewegelijk tooneel van lang verleden winters.
En voor 't eerst kwam manend en waarschuwend een stem in ieder huis, die niet meer te verdooven was, die sprak van den meedoogenloozen duikbootenoorlog, een verbitterdst doorgevoerde blokkade, welke beide tezamen brachten thans waarvan vooruitzienden lang de nadering bespeurd hadden:
Kolennood - voedselnood.
Annette Craets zat bij het raam en keek naar de schaatsenrijders op de gracht. Sophie was bij haar geweest, en had een lang relaas gehouden van allerlei rantsoeneeringen waarbij het haar moeder duizelde. En zij tenslotte onwillig en verbijsterd had zitten staren op woorden, namen die zij nooit gehoord had.
‘Wat is dat voor goed: poon.... geep.... moet dat visch verbeelden?’ vroeg ze verontwaardigd met een vies gezicht. ‘Waarom zou ik dat eten? Dat wil ik immers niet!’
‘Omdat er geen ander eten meer is.’
‘Kom! Dan eten we toch rijst....’
‘Dat is er óók niet!’
Annette had wrevelig gezwegen. Zij wilde zich nu eenmaal niet laten opschrikken door al die dreigende voedselbezwaren van Sophie. Samen met Frederik praatte zij erover, maar een verzet was in haar zoodra een ander alarmeerde.
Zij keek weer uit het raam, en dacht als op een vlucht uit dezen tijd terug aan de jaren toen de kinderen klein waren, en Frederik hen leerde rijden. Toen haar moeder te popelen zat om nog mee te kunnen gaan, in gespitste aandacht de geluiden van 't vroolijke ijs opvangend.
Wonderlijk scheen thans, in deze gegeeselde, bloedende en ontwrichte wereld, het aloude onschuldige ijsvermaak in de Amsterdamsche grachten. Een lafenis!
Betsy Craets op Haar bovenhuis ademde een gaatje in de bevroren ruiten van de ongestookte voorkamer, en staarde mismoedig naar buiten. Zij stond daar als niemand haar ooit zag, ineengedoken met hangende schouders, haar afgewerkt vermoeid verwelkt gezicht zonder energie. Zij wist niet, hoè ze het nog leveren moest - en een eenzaamheid zoog haar kracht weg. De eerste jaren was alles nog gegaan onder de stimulans van haar heerschzucht, haar toen ongebroken kracht. Maar de oorlog met al zijn bezwaren werd haar te machtig. Annètje die altijd wel dapper en hartelijk naast haar voortgeploeterd had, werd den laatsten tijd stil en korzelig door de ontbering waarin alle verlangens van haar jeugd smoorden. Zij zag haar nichtjes Hes en Li uitgaan, hoorde van dansen, van toiletjes, van vroolijken omgang met vrienden en vriendinnen - ze hoorde van Mies Melgers die gezellig student was, en van Jenny op 't conservatorium. En zij dacht: ‘Ik heb nooit wat - ik kom nooit ergens - ik ben thuis de meid.’
Tegenover haar moeders scherp opgewonden betoogen dat zij toch onafhankelijk waren gebleven, dat niemand in de familie hun kon nazeggen dat zij genadebrood aten - dingen die toen zij jonger was indruk op haar maakten - bewaarde zij nu een wrokkend zwijgen. En eenmaal zei ze bot:
‘Ik wou dat u wèl hulp van opa en oma hadt aangenomen. Dan had ik nu wat aan mijn leven, had ik ook kunnen studeeren en in clubs zijn. Hier ploeter ik maar zonder dat we er iets verder mee komen - ik heb mijn handen bedorven met die ellendige kachels en dat kolensjouwen - ben ik daar jong voor!’
Betsy had geen verweer gehad. Ze was dof en ingekerkerd in duizend zorgen, alleen nog maar gespitst op de moeielijkheden van elk uur: als de oude heer niet genoeg warmte kreeg, ging hij weg. Als de oude dame niet heet stoken kon, maakte ze een standje. Zelf zaten ze in de kou.
Als Lou thuis kwam, was hij wel lief en goed, maar leek ook wat vervreemd. Nu zijn eerste trots: geld verdienen, gezakt was, voelde hij zich daar op die N.O.T. toch vernederd, als hij dacht hoe al zijn schoolvrienden eind-examen deden dit jaar en gingen studeeren, of in 't bezit waren van een einddiploma.
In Den Haag kwam hij veel aan huis bij vrienden van oom Pieter - een oud-deftig gezin, met jongens van zijn leeftijd en twee meisjes. Daar wist hij zich leven in de sfeer van opa en oma - en als hij thuiskwam vond hij alles burgerlijk en jammerlijk. En dan was er iets in zijn jarenlange verhouding met Els, zijn vriendinnetje, dat hem somber stemde. Zij had hem verteld van haar strijd met
vader Hartonius en hoe moeielijk alles nu tusschen hen was.
‘Maar wat wil je dan ook!’ had hij gezegd, in zijn eenvoud erbij voegend, wat voor hem als een paal boven water stond:
‘Wat hoeft 't ook! Over een paar jaar als ik genoeg verdien, trouwen we toch.’
Ze glimlachte naar hem, op haar zachte droomerige ontwijkende manier - en hij merkte voor 't eerst dat hij haar blik niet vangen kon. Alsof ze uitkeek naar iets heel vers waar zij alleen naar toe leefde. Maar dan begon zij weer te praten - Lou was toch altijd dezelfde trouwe lieve vriend uit haar schooljaren - en hij vertelde van Den Haag, van de Dirxens, waar 't zoo gezellig was. En ook klaagde hij, wat hij zelfs tegen oma nooit gedaan had, over zijn eigen thuis, over moeder die maar hardnekkig volhield en zelf geen leven had.
‘'t Zou voor ons allemaal - en ook voor jou en mij heel wat beter geweest zijn als moeder hulp had willen aannemen van opa. Maar Els, ik ga nòg naar opa als 't zoo ver is; hij zal ons willen helpen natuurlijk.’
‘Denk je....’
Zij ging uit gewoonte in op zijn gepraat, maar zij betrapte er zich op dat het woord ‘ons’ haar vreemd viel, als iets dat plotseling niet meer paste in haar denken. En ook sprak zij niet meer over haar dansen, in de vaste overtuiging dat Lou er niets van begreep.
Toen zij scheidden, zei hij: ‘Je hebt dit keer lang gewacht met antwoorden - schrijf je nu weer gauw? Ik kijk er den heelen dag naar uit, en dan is 't dikwijls nog maar zoo'n kort briefje. Ik heb jou altijd zooveel te schrijven.’
Ze keek in zijn knap trouwhartig gezicht met de blauwe Craetsenoogen - dacht opeens dat hij wel een zeldzaam knappe jongen was geworden; en haar jeugd, haar heele verlangende warme jonkheid vloog hem een oogenblik tegemoet.
Plotseling ook had hij zijn armen om haar heen geslagen, en haar op den mond gekust. Zij gaf zich over, in een weekheid die haar wegvoerde van alles, wat haar nog een oogenblik te voren het gewichtigst in haar leven had geleken. En toen hij eindelijk ging, zag hij haar voorovergebogen hem nazien, een gloed in haar mooi gezichtje.
Aan de fronten woedt de strijd onverflauwd hardnekkig. En in het oosten, in Rusland wankelt het oude rijk. De moord op Raspoetin, vertwijfelde poging van den adel om Rusland te redden, heeft den zwakken Tsaar niet kùnnen wakker schudden uit zijn lethargie in het hoofdkwartier. De Doema zonder vertrouwen meer, heeft verwijten
gericht tegen de regeering, en is eindelijk eenvoudig verdaagd.
De Geallieerden verontrust, zien naar Rusland. Een voetstap is daar plotseling gehoord: de aanzwellende wanhopige vastbesloten voetstap van een volk dat honger lijdt, door de straten van Petersburg, van Moskou. En een kreet uit duizenden kelen: Voedsel! Tot daar eindelijk in de dagen van elf tot vijftien Maart de opstand is tegenover de troepen die weigeren te vuren.
En dan gaan in Rusland, in het oude Tsarenrijk de gebeurtenissen verbijsterend snel: een uitvoerend comité van de Doema, aanvaardt de regeering, gesteund door een overgroote meerderheid van volk en leger. De ministers en hoogwaardigheidsbekleeders zijn gevangen genomen. En in het hoofdkwartier komt een man vastbesloten, bleek, en legt den Tsaar de oorkonde voor van den afstand.
Afstand....
Eeuwen wentelen voor zijn zwakken geest: zijn voorvader, de groote Peter, die met den knoet in de ijzeren vuist de macht hield. Onbetwist. Een sterke zonder weifeling, zonder wroeging, zonder vrees, zonder pijn om de onnaspeurbare dingen die zijn ziel hebben aangevreten. De woeste oude Tsaren, die in 't Kremlin in oostersche pracht, als alleenheerschers over leven en dood regeerden. De krankzinnige Paul, die den afstand niet teekenen wil - geworgd. Alexander, verminkt stervende onder de bommen der nihilisten - de lange lange reeks der Romanovs, die vertwijfeld gingen door waanzin en vrees, door het rad der tijden; onwetend, blind, verbijsterd, gedreven en redeloos; een stem hoorend soms, maar niet wetend hoè te gehoorzamen - de stem weer in zich verliezend en vertrappend in wanhoop van onmacht. Hij ziet de lange reeks, en zijn eigen leven aan 't einde daarvan: onbewust, geslingerd, moe - zonder hoop, zonder verweer. Onder een dreiging - altijd een dreiging. Zijn moede Keizerin in angst om den teeren zwakken knaap die nooit misschien een troon zal bestijgen - zijn dochters weerloos - allen tezamen geschoold tegenover den dreigenden rooden stormloop van een eindelijk losgebroken volk. Onder dien oorlog, dien hij niet begrepen heeft, niet overzien zoo min als de fantast Wilhelm - dien hij gevoerd heeft even machteloos en onwetend als hij erin gesleept is. De oorlog die hem verplettert vóór zijn rijk.
Hij staat er, in zijn bleeke waardigheid. Hij is niet bang. Hij onderwerpt zich - en hij blijft de majesteit. Hij weet den doodsangst dien zijn hart aangrijpt om de zijnen - zijn Keizerin, zijn kinderen - te verbergen voor de oogen, die hem dwingen tot de vernedering....
Hij teekent....
----------------
Maar den zesden April trilt Europa onder een nieuwen schok - keeren zich oogen, harten verwachtend over den oceaan.
De Unie verklaart Duitschland den oorlog.