EUGÉNIES toestand was in de familie geen geheim meer. De specialist, in consult geroepen, had ontraden de verre vermoeiende reis naar Zwitserland, in verband ook met den heerschenden voedselnood. Maar tegen Pieter had hij ronduit gesproken: er was geen hoop meer, de beide longen waren aangetast, het hart zeer slecht. Het was onbegrijpelijk hoe dit ondermijnde lichaam nog zóó voor 't uiterlijk gewoon voortleefde.
Pieter verzweeg het voor de meisjes. Hij zei alleen, dat moeder ernstig ziek was. Zij hoorden het aan - hun heele jeugd had ziekte in huis gekend - zelf waren ze niet sterk. En de vreemde navrante levensverachting, die hun jonge jaren als een gif had doortrokken, deed hen deze dagen de moeder zoeken, aan wie zij zich - hoe zij hun vader liefhadden - het meest verwant wisten.
Eugénie, in de wonderlijke onbewustheid van haar toestand, leefde voort in de gebeurtenissen van het oogenblik. Het huwelijk van Hester met De Loeveene wenschte zij thans bepaald en zij sprak er ronduit het meisje over.
Hester Craets, koel practisch, overdacht de toekomst. Studiehoofd had zij niet, noch eenige belangstelling ervoor. Dit wist zij nu zeer wel. Eeuwig fuiven kon je niet. Iets beters wist zij niet. Met De Loeveene zou zij rijk zijn, in elk geval een vooraanstaande positie hebben.
Pieter, somber, zag het met afkeer en verzet.
Eenmaal zei hij: ‘Ben je van plan dien jongen te accepteeren?’
En zij zei: ‘Wellicht.’
‘Maar bedenk toch....’
‘Dat ik weer scheiden kan, ja.’
Zij lachte, kuste hem, maar hij hield haar van zich af, bezeerd en verdrietig.
‘Je bent nog zoo jong. Waarom doe je nu al zoo cynisch en onverschillig.... Waarom bederf je je leven?’
‘Wie zegt dat ik het bederf?’
Hij had willen zeggen: ‘Ik. Ik zie het, want ik heb eens hetzelfde gedaan.’
Hij zei enkel: ‘Je kent jezelf nog niet.’
‘Wie weet of ik mezelf later wèl kennen zal?’
‘De kans is er.’
‘Ik kan niet wachten op die kans.’
Zij lachte: ‘Laten we niet zoo zwaar doen Paps. Ieder zijn leven. Leve de vrijheid.’
Pieter trok zich in deze dagen terug als nooit te voren. Wanneer hij 's morgens aan 't ontbijt kwam op de Keizersgracht, sprak hij niet over Eugénies toestand, die hem toch geen oogenblik losliet. Tegen Rosa liet hij zich evenmin uit, koel opeens tegenover haar uitvorschenden blik. Hij ontweek haar, en haar zorgen nam hij alsof hij het niet opmerkte. Maar naar zijn eigen kamer klom hij voor 't eerst weer sinds langen tijd. En keek naar de boomen voor 't raam en 't oude behangsel. Zijn felle late begeerte ebde uit hem weg; hij wist hoe met Eugénie het gansche tegenwoordige leven hem ontvallen ging. Dan stond hij alleen. Dan ontgleed hem alles, waarmee hij verbonden was. Zijn oudste zou 't huis uitgaan. Li - zou hij die houden nog?
Hij voelde zich oud en moe, en hij was vier-en-veertig. Hij dacht aan Eugénie. Er was geen bizondere band van begrip en meeleven tusschen hen geweest. In deze dagen zag hij haar weer als in den eersten tijd....
Hij dacht aan den oorlog, en wat het nog brengen zou. Als in Rusland de revolutie doorzette, gingen alle fondsen naar den kelder - wie wist waar het eindigde....
De vorst, de felle, die pijnlijk invrat in de huizen, verminderde niet. De Amsterdammers sloten hun groote kamers af, schoolden te zamen in het kleinste vertrek, bij een potkachel die met turf te stoken was. Heimelijk werden in den donkeren avond bij de Craetsen manden turf naar boven geheschen, op den zolder haastig neergesmeten - twee mannen stonden later gejaagd in de gang, slopen omzichtig de stoep af.
Maar met zorg en verbittering dacht men hoe zeven Hollandsche schepen deels met graan, deels bestemd voor Indië te Falmouth door de Engelschen werden vastgehouden. Nu Amerika in den oorlog kwam, hoe zou dat weer nieuwe verwikkelingen voor Holland meebrengen!
In haar kamer ontving Eugénie op de rustbank haar kennissen
en familie. Vrienden telde zij niet; zij had een glimlach om het woord, Zij zat er spookachtig bleek in haar gratie, die haar nooit verliet, Niemand wist of zij zelf iets vermoedde.
Haar schoonvader had zij het liefst bij zich. Hij, die haar ook werkelijk liefhad, kwam trouw, vertelde haar op zijn lichte wijze kleine gebeurtenissen, en zij luisterde geamuseerd. Soms stak zij haar magere bejuweelde hand naar hem uit:
‘Wanneer gaan we weer samen tea-en papaatje?’
En hij zei: ‘Ja mijn kind, wanneer je maar wilt.’
Ze voerde met hen allen het gesprek, op haar uiterst voorkomende wijze die haar absolute overschilligheid maskeerde.
Slechts begon de oude begeerte naar het feest nog eenmaal haar grenzenlooze vermoeidheid te bekampen. Begeerte, die langzamerhand obsessie werd.
Zij zei het niemand dat zij dikwijls benauwd was - een kramp in haar borst. Zij hoorde aan in haar kamer de verhalen van oorlog, lijden en dood - van vrees voor alle ellende die nog komen zou. En haar geest, die altijd gevlucht was in het feest voor het leven, werd voor 't laatst gegrepen door den overheerschenden harden wil: tegenover al wat de kranten meldden - tegenover al de zorg en vrees voor gebrek, kou, duisternis, waarvan een ieder vervuld was, te stellen nog eenmaal in haàr huis het Feest - als een uitdaging aan het miserabele leven! Dat alles te verdrinken in een zee van vroolijkheid, overvloed, lach, dans, en licht....
Als een brand verteerde haar het verlangen naar dit. In huis ontstelde Pieter, zweeg Rosa, zagen de meisjes, haar lach verstild, de moeder aan. Zij merkte het niet. Zij had zich opgewonden in een spookachtige lugubere energie tot de voorbereidselen van een klein bal.
Met Rosa overlegde zij hoestend, hijgend, duizelend in een koorts, dagen lang. En opnieuw ging Rosa rond door het huis, bedacht, bestelde, regelde, veranderde, naar Eugénies prikkelbaren wensch. Maar soms ook dreef zij door, handelde op eigen gezag, waar Eugénie de practische werkelijkheid niet kende. Doorworstelde zij honderd moeielijkheden: verlichting, verwarming. Er lag nog een kleine voorraad kolen in den kelder, die werd opgeëischt voor den grooten haard - in de kleine salons werden kachels gezet. Eugénie had in het begin van den oorlog een groote hoeveelheid kaarsen opgezameld. En in de zaal werd thans weer de vroegere kleine oude kaarsenkroon gehangen, met haar intiem warm licht. Het werd zorgvuldig uitgedacht tot in de kleinste bizonderheden, een exquis geheel; slecht waarschuwde Rosa: als dies alles ward aufgebrannt, hat mefrou nicht mehr voor später.... Maar Eugénie werd plotseling driftig, zie scherp,
dat was haàr zaak niet, hoestte, hijgende teruggevallen in de kussens.
Over haar heen keken de donkere oogen strak. Ze wist, ze zou zorgen dat kolen overbleven, ‘dass er keine Kälte erlitte....’
In de familie wekte het ontsteltenis, ergernis. Was dit een tijd voor een bal! Maar Pieter zweeg. En kleine Annètje Craets stond op haar ijskoude kamertje te stampvoeten van spijt bij de invitatie van oom Pieter en tante Eugénie. Hoe kòn ze met zulke kloven in haar vingers en gebarsten nagels naar een bal - en zij had immers geen jurk ook...
Maar toen was oma gekomen, en had haar voor haar verjaardag een beeldig toiletje laten uitzoeken. Oma zelf was met haar gegaan. En met glansjes van voldoening hadden de bruine heldere oogen gekeken naar het jonge bloeiende figuurtje....
Het huis van Pieter Craets ontving zijn gasten in glans en gloed. Hoe Eugénie gekomen was aan zóóveel kaarsen, dacht Sophie, die even kwam kijken.
Er was warmte, er was licht. Er was de illusie één avond lang van een oude vroolijke wereld - alsof niet in elk der wegglijdende minuten menschen stierven bij honderden, en wanhopige gedachten uitzonden in den zwarten gevloekten nacht.
Pieter Craets zelf - naast Eugénie die gezeten, haar gasten met haar onverzwakte betooverende gratie ontving, glimlachte en praatte - moest denken aan den Dood, die al verder zijn grauwe vlerken strekte, wiens zeis in al breeder, wijder streken maaide. Hij zag de schaduw van dien arm vallen over zijn eigen huis, en hoorde den wiekslag. Hij zag hem in de oogen der gasten, waarin een lichte ontsteltenis schuw blikte van hem weg, over de gastvrouw, wier lach en stem onwezenlijk opklonken als van een uitgehold omhulsel.
Zijn moeder was niet gekomen; maar zijn vader, om Eugénie genoegen te doen, zat een poos bij haar. Hij wilde ook het jonge goed wel zien dansen. Maar het waren ook hier de nieuwe dansen, waarnaar de oude wereldsche man met een minachting en afschuw keek.
‘Pieter, dat je toelaat dat er in je huis zoo gedanst wordt! Het is niet meer of minder dan onzedelijk!’
En Pieter zei: ‘Wees blij vader dat u in dezen tijd geen dochters hebt.’
‘Maar ik heb kleindochters,’ zei de oude Frederik; een vurig kleurtje steeg in zijn vermagerd gezicht. Hij zocht ze, zooals hij vroeger als balvader zijn eigen schapen gezocht had. Hij zag Mies, vroolijk, blozend, frisch in haar rose jurk - hij zag Jenny, bleek, strak, cynisch in 't lichtgroen. Hij zag Hesje geraffineerd dansen met De Loeveene. Hij zag het kleine, uiterst teere gezicht van Li, het dol-
genietende mooie Annètje en Els Aden. Hij dacht: ‘Dat geen van deze jonge kinderen zich instinctief verzet tegen dit zedeloos dansen.’ En toen viel de volgende gedachte in hem:
‘Zijn ze nog jong?’
De oude Frederik Craets, mager, gedistingeerd in zijn rok, stond kaarsrecht. Nu en dan kwam een kleindochter naar hem toe, zei iets liefs, haalde hem even aan. En de oude man, gepijnigd en verteederd, keerde terug tot het eenige wat hem bleef in den wonderlijken verbijsterenden chaos van dit moderne leven:
‘Ik kan ze alleen maar liefhebben.’
Maar dan werden zijn oogen groot van stomme verbazing: daar bewoog een kleine gezette figuur tusschen de dansers: Frits!
Frits - in een rok - tiré - die danste met al de heel jonge meisjes - een ganschen avond door. Frits die zich plots was gaan verzorgen, die uit zijn eeuwig bruine pakken gekropen als uit een cocon, een zonderling soort avondvlinder was geworden. Die in een verjaarde jeugd de vermaken, den omgang najoeg, dien hij twintig jaar geleden verachtte.
Nu danste hij alweer met Els - dat was al de derde keer sinds hij toekeek. En hij praatte - Frits! Hij praatte aanhoudend en geanimeerd druk! Eenmaal ontmoette hij zijn vaders strak verbijsterden blik - en hij zei tegen Els - 't was als een ademstoot:
‘Ik wist nooit dat ik dansen kon!’
‘U danst heerlijk oom Frits! U voelt zoo sterk het rhytme.’
‘Ja - we dansen - heerlijk zoo.’
Plotseling dook voor hen op een lange, buitengewoon knappe jongen, en hij hoorde meteen terwijl hij naar hem keek, Philips stem:
‘Mootje....’
't Was of hij uiterlijk en innerlijk inschrompelde. Lou Craets, die in een geleenden rok uit Den Haag was gekomen om met Els te kunnen dansen, zei lachend:
‘Nu oom Frits, geeft u nu Els maar aan mij!’
Hij greep haar als een buit en samen cadansten ze weg. Frits Craets stond stil - hij veegde langs zijn voorhoofd en dacht hoe ellendig 't was dat hij zonder bril niets zien kon; zonder bril was hij minder leelijk....
Maar Lou Craets hield Els hartstochtelijk tegen zich aan.
‘Wat heb ik me gehaast!’ ademde hij vlak aan haar oor op haar neerziende, ‘om jou alleen ben ik gekomen. Ben jij ook blij dat ik er ben? Ik vond het een geruststelling dat ik je met oom Frits zag dansen - dat's niet gevaarlijk.’
Ze sloot de oogen. Ze had weinig aan hem gedacht den laatsten tijd.
Ze had veel met oom Frits gepraat over allerlei onderwerpen. Een nieuwe wereld was geleidelijk voor haar opengegaan bij het contact met dien fijnen, wonderlijk gevoeligen geest....
Maar nu opeens greep haar het andere: de knappe lange jongen met zijn dwingende oogen, zijn veroverenden lach, die haar in zijn armen hield.
‘Een màn -’ dacht ze verward, ‘en wat voor een man - ik weet niet meer....’
Haar jeugd, haar slapende gepassioneerdheid werd wakker. Zij hijgde licht - het verwarrende weeke, waarin zij zich meevoeren liet, kwam terug - een gevoel zich maar te laten gaan - waarheen deed er niet toe.
----------------
In de groote zaal, waar langzaam de gasten begonnen te vertrekken, scheen het Eugénie toe, of het licht duisterder begon te branden.
Op haar sofa, waar telkens een ander dien avond een oogenblik naast haar was komen zitten, zag zij den nacht zich langzaam opheffen naar den morgen. Zij zag terug het moment dat Hesje en De Loeveene samen bij haar gekomen waren. Het was heel goed, zij was tevreden. Je wist niet wat de oorlog nog brengen zou....
Zij keek met schemerende oogen uit haar oververmoeidheid in de zaal - rechtop in haar kanten, haar ivoren waaier in haar magere saamgeklemde handen.
Het begon te verloopen. Velen waren haar goedendag komen zeggen; slechts die nog niet scheiden konden dansten voort. Hier en daar stond een groepje te praten. Langzaam neigde het feest naar het einde, en het scheen haar eigen krachten mee te trekken in zijn langzamen val. Zij keek op met haar glimlach naar Mies, die haar kuste, innig bedankte voor het plezier - keek op naar anderen die zij nauw onderscheidde meer.... En de lach zweemde opnieuw om haar mond: nog waren er die het feest vasthouden wilden....
‘Waar was Pieter,’ dacht Eugénie op eenmaal. Zij had hem bijna den ganschen avond in haar nabijheid geweten - haar verlichtend in de conversatie, zorgend dat zij ijs kreeg, zich niet te veel inspande. Nu.... Oh zij wist het - na het souper was hij naar de tuinkamer gegaan waar een paar oudere heeren whistten....
Zij bedacht het in een plotselinge beklemming, die haar oogen star maakte.
Want daar was plotseling een schaduw, grauw en grijzig die het licht bijna geheel onderschepte van de kaarsenkroon. Het was de reusachtige wiekslag die aansuisde over de landen, slagvelden - en
en een oogenblik de vrouw raakte welke daar zat en zich hief in plotselingen angst kaarsrecht.
Eugénie hijgde in een kramp, of een vuist haar in den rug greep. Haar oogen zochten snel rond. Ze dacht hoe de tuinkamer vèr was - de heele gang en het trapje af.... Daar was Pieter, en zij voelde zich niet goed. Een nooit bewust geworden instinct dreef haar naar hèm toe.
‘Pieter....’
Zijn naam brak op haar droge brandende lippen. Ze staarde met wijde oogen over het feest - langzaam zonk de grauwe sluier dichter. In de kandelabres op den schoorsteen doofde hier en daar knetterend een kaars. Zij keek ernaar met een plotselinge walging, die zij proefde op haar tong: smaak van stof, parfum, wijn.... Zij keek star en ontzet over de zaal, terwijl haar gansche ziel zich afwendde in een vlucht:
‘Wèg! Zij moest wèg, hiervandaan! Pieter!!’
Haar verschroeide lippen prevelden onbewust herhaaldelijk zijn naam. Zij berekende: ‘Opstaan van de sofa, langs den wand, naar de deur. God, die kramp werd al erger! Weg van het feest! Wèg!! Want.... er wàs iets.... ze werd bang voor dat feest! Zij hoorde.... er... niet meer bij...’
Met inspanning van al haar krachten stond ze plotseling wankelend recht - schoof zij voort achter een paar dansende paren om. Slippen van jurken, vleug van heet bewogen adem, van haastig hartstochtelijk woord raakte haar. Als een besmetting. Zij walgde dieper - in een onzegbaar, onbegrijpelijk verterenden walg waarin al de vezelen van haar ziel terug te krimpen schenen. Waàr was de deur - waàr was... een open deur om door te ontsnappen!!
Toen zag Eugénie, zich steunend aan den wand, spookachtig bleek en rechtop, plotseling in de gang Rosa. En Rosa zag haar.
In een oogwenk was het meisje binnengevlogen en bij haar, en met haar laatste krachten, klampte zich de bijna stervende, in pijn krimpende vrouw aan den arm, die steunend om haar heen geslagen haar snel wegsleepte. In de gang, waar zij de deur van de balzaal meteen dichtdrukte, ving Rosa haar op, droeg haar langzaam, moeielijk, maar vastbesloten in haar krachtige armen de trap op naar de slaapkamer.
Toen zij, hijgend onder den last, haar neerlegde op de kanten sprei, brak zich een kreet uit den bleeken mond, wrong zich een moment het tengere lijf in doodsnood op - viel toen terug.... plotseling stil.
Huiverend, koud tot in haar hart, staarde het meisje een oogenblik neer op de roerloos ingezonken gedaante. Met bevende handen maakte zij het lijfje los, de onderkleeren, dekte het onbewegelijk liggende lichaam met een van Eugénies weelderige jakjes.
Toen zij weer rechtstond, zag zij zichzelf in den grooten spiegel, en de bleeke gedaante achter haar. Zij beefde, boog zich voorover...
‘Ist sie tot? Aber... er darf sie so nicht auf einmal finden! Ich musz warnen.... Das Abscheuliche, die Fremden im Haus. Wenn sie es nur dem alten Herrn sagen konnte!’
Zij ging, aarzelend omziend naar 't bed, de deur uit, boog zich over de trapleuning. Daar zag zij plotseling Frederik de gang uitkomen in zijn pels, gekleed om heen te gaan.... Ze gleed katsnel naar beneden.
‘Mainheer!’ Haar sidderende ademlooze stem aan zijn oor deed hem geschrikt omzien.
‘Es ist etwas geschehen. Mainheer soll es nicht wissen.... Die genädige Frau liegt.... is sehr krank - ich glaube.... es ist sehr schlimm.... - wenn nur die Fremden fort wären....!’
De oude Frederik Craets verbleekte: snel liep hij met bevende beenen de trap op - bij de deur schopte zijn even struikelende voet een corsagebloem voort - stond op den drempel hijgend.
In de doodstille kamer, tegenover den grooten spiegel, lag Eugénie op het bed, roerloos, onveranderd.
Zijn oud hart bonsde met geweld op. Hij keek om naar Rosa - en zij zagen elkaar stom aan, haar donkere oogen wijd in de zijne.
‘Iemand dokter Bergema opbellen - jij of een ander - ik blijf hier,’ beval hij.
Hij ging zitten, zijn knieën knikten; voelde dan plotseling, dat hij zijn hoed nog ophad, zette dien haastig af. En nam voorzichtig de koude gele bejuweelde hand in de zijne.
‘Mijn kind. Eugénie....’
Ze bewoog niet. Weggeblazen als een uitgevallen bloem van het Feest.
Beneden klonk muziek op door de blijkbaar geopende deur.
‘Dat's afschuwelijk, dat moet ophouden,’ dacht de oude man hevig ontsteld. ‘Hier ligt een doode.’
Een enkele trage traan gleed langs zijn bleeke wang.
‘Waar was Pieter. Waar had hij Pieter het laatst gezien? En waàr waren de meisjes?’
Frederik Craets stond moeielijk op, bevend van een kou die zijn merg doorschokte. ‘De kinderen dansten, terwijl hun moeder hier stierf. Het moèst dadelijk ophouden daar!’
Hij keek neer op de roerlooze gestalte, die lag in haar kanten en juweelen. Hij meende een ooglid te zien trillen, een lichte ademhaling.
De muziek zweeg plotseling. In de gang klonk gepraat op, gelach. Tot het laatste verstierf. Frederik Craets luisterde, gebogen naast het bed. Het feest was gedaan....
Toen riep iemand luid in de gang:
‘Rosa!’
Zoo had Pieter geroepen, mechanisch haast, iederen avond als de gasten weg waren en hij haar noodig had.
Hij kwam langzaam aanloopen. Toen opeens midden op de trap zag hij zijn vader staan. Die probeerde, ontdaan, hem iets te zeggen.
In twee stappen was hij bij hem. ‘Eugénie,’ hoorde hij hem zeggen. ‘Eugénie.... niet goed geworden.’
Op bet bovenportaal stond hij wankelend, zijn vaders hand steunend om zijn arm - voor de open slaapkamerdeur.
In de kamer heerschte een geweldige - een alles vervullende stilte.
En op het bed zag hij Eugénie. Zij had zich recht gerekt - de kin iets op - de oogen gebroken.