[p. 30]
December
Het lijken wel oude mannen
die laatste dagen van 't jaar,
heel oude, vermoeide mannen
als ganzen achter elkaar.
In grijze, loodgrijze jassen
sjokken ze voort door de mist
en het sjokkesjok van hun passen
wordt daadlijk weer uitgewist.
Voor één zijn verhaal kan beginnen
is het al oud en al uit.
Ik roep ze maar niet meer naar binnen
ik kijk naar ze achter de ruit.
De zesde, de achtste, de elfde
- het nummer doet er niet toe -
ze lopen en zeggen hetzelfde
en allemaal kijken ze moe.
Maar dan rek ik me hoog op m'n tenen,
Wat zie ik daar blinken van ver?
Ik weet het wel. Daar komt die ene
die blinkt als een zilveren ster.
Door mensen en kinderen samen
wordt de kerstdag naar binnen gehaald,
waar straks, door deuren en ramen
zijn licht in de duisternis straalt.
[p. 31]