[p. 8]
De schapen
In hun wollen winterjas
staan de schapen in het gras
dag en nacht te dromen.
Dromen... dromen... dromen maar:
katjes in de hazelaar,
blaadjes aan de bomen,
boterbloemen langs de weg,
vogelnestjes in de heg.
's Morgens kom ik er voorbij
en dan kijken ze naar mij.
Ik zeg: wat een winter hè.
Bè, roepen de schapen, bè.
[p. 9]
Maar vanmorgen...
Enkel oog en enkel oor
waren ze. Waarvoor? Waarvoor?
Toen ik goeie morgen zei,
keek niet eentje op naar mij.
Midden in de schapenkring
stond een klein wit wollen ding,
zonder mutsje, zonder jasje,
zonder sokjes, zonder dasje
huppelde het in het rond
op de hardbevroren grond.
Lammetje bè, lammetje mè,
dat was een verrassing, hè.