[p. 14]
Pinksteren
Met Pinksteren, met Pinksteren
is er geen boom meer kaal.
Van top tot teen staan ze in 't groen,
de bomen allemaal.
De beuk, de berk, de eik in 't bos,
de iepen in de stad,
de wilgen langs de waterkant:
alles zit dik in 't blad.
Met Pinksteren, met Pinksteren
hoor je van nest tot nest,
met uithalen en trillertjes,
een schitterend orkest.
De vogelmoeder tsjilpt maar wat,
de vogelvader fluit
en in dat huisje vol muziek
komen de eitjes uit.
Met Pinksteren, met Pinksteren
als alles openbreekt,
is ieder kind een pinksterbloem,
die blij zijn hoofd opsteekt.
En al die kindren bij elkaar
maken één groot boeket.
Het allerkleinste hummeltje
wordt middenin gezet.
De andren dansen er omheen,
ze dansen hand in hand.
't Is Pinksteren, zingt iedereen,
de zomer is in 't land.
[p. 15]