[p. 26]
[p. 27]
November
De regen klettert op het dak,
de wind blaast zijn bazuin,
geen bloem blijft heel in onze tuin,
geen blaadje aan zijn tak.
De berkeboom treurt op één been,
haar natte haren los,
net als Roodkapje in het bos
kijkt ze bang om zich heen.
Ze vraagt waar al die kindren zijn
die ze hier altijd zag
en die nu, als bij toverslag,
verdwenen zijn van 't plein.
Het speeltuinpaard ligt op zijn zij,
de ijstent is op slot,
de wip verroest, de glijbaan bot.
De zomer is voorbij.