[p. 28]
De kerstboomkoning
Er kwamen naar het bomenplein
wel duizend dennen, groot en klein.
De eerste dag zeiden ze niets,
maar 's avonds, tòen gebeurde er iets.
Ze vormden met elkaar een laan
en gingen op hun tenen staan.
Wie 't aller-allerhoogste kwam
en 't allermeeste plaats innam,
zou van de dennen groot en klein
de kerstboomkoning zijn.
‘Ik’, riep er één, die langs een dak
zijn takken in de hoogte stak.
De andren keken naar hem op
en bogen voor zijn hoge top.
‘Ik praat met niemand meer’, zei hij,
‘jullie zijn veel te klein voor mij.
Ik word het eerste uitgezocht,
ik word het allereerst verkocht.
Wees blij als je wordt weggehaald,
maar ík, ik word met goud betaald.’
Maar wat gebeurde er bij dag
toen iedereen de koning zag?
[p. 29]
Haast alle mensen bleven staan
en wezen hem hun kindren aan.
Ze riepen och en ooh en hé,
maar niemand nam de koning mee.
‘Als die in onze kamer staat,
dan staan we zelf met Kerst op straat’,
zei iedereen en koos daarbij
een kleiner boompje uit de rij.
De kerstboomkoning merkte 't pas
toen er niet één meer over was.
De koopman zou naar huis toe gaan,
daar kwamen zeven kindren aan.
‘Toe, zeven boompjes, bomenman,
maar zeven kleintjes als het kan.’
De koopman keek eens rond, maar och,
daar stond alleen de koning nog.
‘Een kleine boom? Die heb ik niet.’
De kindren huilden van verdriet.
En toen - ze wilden het zo graag -
toen greep de koopman naar zijn zaag.
De kindren stonden om hem heen:
in zevenen viel de boom uiteen.
In zevenen viert de boom straks feest.
Was hij maar niet zo trots geweest!