[p. 169]
Opdracht
Weêr schermt de Zomer met zijn zijden luchten
Mijn daaglijksch landschap dat de stille jaren
Verinnigden tot kamer van vertrouwdheid,
Waar de even reeks der reizende getijden
Kijken door sneeuw en bloemen, zon en regen
Met eendre vriendschap van beurtwisslende oogen,
Sinds het in stâgen omgang ligt doorwaterd
Van stroom die zomer koelt en zoelt den winter,
Liefde die springt uit God en keert tot God.
Niet enkel, nu, met arme eenzaamheids schaamte
Ontvang ik koninklijksten mijner gasten,
Maar in zijn pracht van uitgekeurde verven
En windrimplende gratie van bewegen
Wordt hij bij oogeblikken bleek van aandacht,
Als in die koele spiegels van genade
Zijn eigen beeld hij huiverschoon verdiept ziet
Met licht dat vóor hem was en na hem blijft. -
En als zijn oogen uit hun zwijgen rijzen,
Zeggen zijn heusche lippen hare erkenning
In blanken toon van heer-lijke gelijkheid,
En over-weêr praten ons lichte woorden
Van 't schoon gebeur der zonbestraalde wereld
In effen majesteit die stijgt noch daalt.
Zoo waaien al de rijke dagen over
Als teêre wolken door den zomerhemel, -
En menigmalen ga ik 't oudbekende
Pad door mijn wildernis van schermend pijpkruid
Manhoog boven de paarse koekoeksbloemen;
En zie langs banen van onzichtbre vlieten
De verre schepen door de weiden wandlen
Als blankgevlerkte scheer-zeilende vooglen;
[p. 170]
En zie de fijne zonbesneden lijnen
Van 't stadsprofiel waar 't middaglicht op regent;
En al de wanden die uit zee opspringen
Over de duinen die de kim beglooien,
Waden kniediep door het maairijpe hooiland
En zingen hoog voorbij door groene weelden
Invallend en uitruischend in de verten
Tot een oneindig en veelstemmig lied.
Maar in den avond als de schemeringen
De aarde overbloeien met haar witte velden,
Drijft in rood bloed van blijgeklaarden hartstocht
Herinnring op door al die blanke bedden,
Als witte tulpen die in nabloei rooden, -
En verzen worden in en uit de stilte
En liggen zwaar als dichtgestikte bloemen
Op 't donkere brokaat der vroege nacht.
Zoo scheep ik met de winst van elken dag
Mij in op droomen die u achterhalen
Door het maanzilvren zog van verre zeeën,
Die van mij zijt gegaan om weêr te zien
Landen en bloemen die ik nimmer zag,
Gij zachte minnaar van het Goede Leven, -
En bloode bied ik 't weinge dat ik heb
Uit meengen jaarbloei van genegenheden
Bewaard met arme zorg van bijen die
Zetten veel honing om in weinig was...
Zoo beeldt zich eindeloos dezelfde ziel,
Omdat zij haar gelaat onbeeldbaar weet,
Achter het masker van het oogenblik;
[p. 171]
En immer meerdren zich in blanke rij
Haar zuivernaakte marmerstille standen,
Totdat uw voet op den gezetten tijd
Door boomenluwte en zondoorwenkte schaûw
Den ouden weg hervindt naar dees haar kluis,
Nu zomers open voor al zon en winden
Als een Spaansch huis bedolven onder rozen.