[p. 181]
Branding
Daar is meer rust in uw rusteloosheid, glansbewogen spiegel, diepe
hartontroerde zee,
Dan in avondlijk-bezonde groene landen, dan in windelooze
zomernachten onder sterbezeilde steê.
Aan wat donzen schoon van stilte-koele peluw ziel haar hoofd
naar ruste neigt, -
Maar onstuimger bonst haar hart-van-onrust, adem van haar nooit
gestild begeeren heescher hijgt.
Niet naar levens starre polen haakt zij, niet-te-onthouden
niet-te-ontkomen vreemd-vertrouwden dood,
Meer dan al haar dagen naar den avond, dan geluk-doorwaakte
nachten uitzien naar het morgenrood!
Als ze in wanhoops windestilten aan de hooge sneeuwen kimmekusten
weerloos naderstreek,
Zonder vrees, zonder verlangen zag haar oog de middernachtzon
glansloos-hel en schitterbleek...
Maar de rust, zee, van uw onrust, die om kortste kalmte langsten
wreedsten storm vergeet,
Die in éen helle' oogopslag en hartediep de' oneindgen hemel, wolk
en zon en maan en sterren weet,
Onder adem-rimpelenden spiegel diepten dekt van rust die geen
orkaan beroert,
Die in de eevne dalen van uw branding 't wilde schuim tot
oogenblikklijk, onbewogen marmer vloert!
Dat ziel niets weet wat u meer nabijkomt, niets in hemel of op aarde,
niets in wijde rijk van leven of van dood,
Dan haarzelf in liefdes zon en stormen, dan haar tranen en haar glimlach
boven 't wondere gebeuren in haar eeuwigzwangren schoot, -
[p. 182]
Is het een belofte dat zij zal beminnen mogen, tot, in even breeden
majesteitelijk-voldragen psalm, o zee,
Welkom winters westerstormen spiegelbruisen over veilige
schatkaamren grondeloos bezonken vreê?