[p. 183]
Openbaring
Het wolkverstilde leven splijt,
Daalt roerloos om ons, tastbaar, glansgebroken, -
Wat lippen nimmer hebben uitgezeid,
Dingen door oogen niet stamelgesproken,
Wordt woordelooze helderheid:
't Effengestrookte landschap van de zee,
De breede monding van den welbekenden stroom,
De windelooze vloten op de reê,
De groenbevolkte overe zoom
Lichten in werklijkheid-doorzichtgen droom.
Zoo wist totnu herinnering
Onder de zon éen verren landekring
Die lag een lentedag zoo na belicht
Van liefdes brandend aangezicht,
Dat ziel daar nimmermeer voortaan
Dorst gaan.
Nu niet een enkle kam die licht,
Maar elke golf die breekt,
Ontsteekt -
Het oog dat straalt, de stem die spreekt -
In schoonheid zich als simple plicht.
Hoe dragen menschen naar den dood
Zoo rustig-zeker door den dag
De klaarheid van hun zonbeschenen lach,
Hun oogen stil te branden als altaren? -
Uit schuwe vreemden openbaren
Zich zielen schoon en groot...
[p. 184]
Geen schrik,
Geen kreet,
Een welkom teêr en zacht,
Als in deze' eigen oogenblik
Van over hemels wering schreed
De jonge en schoone god dien de aarde wacht.