[p. 185]
Storm
Wolk-overweende maan
Lacht open af en aan,
Bevloeit met zilverkanten vorm
Het sombre park waar om
Den val van vijverkom
Het rank geboomt zwiept in den najaarsstorm.
De wind schalt onvermoeid
Als donder tong-ontboeid,
Die gierde uit volle keel zijn langgesmoord geheim;
Door 't lange loeien jagen
De korte regenvlagen
Als telkens keerend kletterhelder rijm. -
Heeft dan geluk gebloeid,
Is het zoo hoog gegroeid,
Dat storm het met zijn luiden ondergang bespeel'?
Behoeft die luchten hoon
Tot vollen diepen toon
Het zoete leven als gestemde veêl? -
Tot goddelijke aandacht,
Uit zachtgeheven klacht
Om levens klein verlies, verstomt mijn mond: -
Over mijn landen dood
Ruischen de vleuglen groot
Van voller schoonheid dan hun zomer ooit verstond!
Hoog achter wolken wanen
Van eigen lage tranen
Vinden mijn oogen de' ouden kinderlach:
Die is den storm ontstegen,
Die uit den storm den regen
Van eeuwge schoonheid op zijn oogleên vangen mag.