[p. 187]
Liedje
Van onder hooge boomen
Schijnt de avondzon,
Toch zal mijn lief niet komen
Over gouden gazon.
Wel drinken al de bloemen
Aan heimelijke borst,
Maar mijn ziel zal niet roemen
Van haar geleschten dorst.
De kleuren koelen ernster
In avondhof,
Onder hel hemelvenster
Ligt aarde droef en dof.
Alleen het zuivre water
In vijver-nis
Spiegelt den hemel klaarder
En dieper dan hij is.
Zoo span, ver lief, u boven
Ziels donkre mijn,
Dan breekt uit alle kloven
Duister in fellen schijn.