[p. 189]
Harts testament
Ik laat haar huis en hof
En 't scheemrend goud in de' eiken schrijn,
Al wat mijn trots eens roemde mijn,
Eer haar ooglicht rees en scheen het dof:
Het werd en bleef haar eigendom
Vandat zij 't vond, een waardloos ding,
En hief het tot een effen ring
Haar tengerblanken vinger om.
Die drong de wereld keer op keer
Met flikkering van gulden nuk
Van streng en stroef gebiedend heer
Tot willig dienaar strak en stom
Op de' achtergrond van ons geluk.
Want schoon van den droom die weegt op hun leên,
Mijn oogen hopen haar eeuwig beeld
En door geen aardschen schijn verheeld,
Liefdes puurnaakten edelsteen -
Ik weet haar ziel is een van die
Wandlen op eigen melodie
Met steeds naar God gekeerd gezicht, -
Een bloem die neigt met 't zonnelicht, -
Door hoogen en door lagen staat,
Die dragen kroon en aardsch sieraad
Met glimlach van gelaten plicht
In diepste schoonheid 't leven door
En treden onveranderd voor
Gods oogen zonder schrijn of spoor
Van werelds goud en zijn wreed wicht. -
Ik laat haar huis en hof en goud.
Hoe kan ik nemen wat zij houdt
Enkel om mij, éen stamelblijk
Uit liefdes bodemlooze onzegbaarheid,
Schat die maar schijnt zoolang hij zij
[p. 190]
Uit dat verre overzielsche rijk
De bare cijns die 't oog verblijdt,
Op levens zuivre maat mins fonkelgulden ijk?...
Eén vingerdruk - en 't ligt in 't slijk
Dat haar voeten treden, o weldra zonder mij!
Ik laat haar heel Gods aard
Tot waar de hemel staart
Blind-blauw diep achter roos en ruiten.
Het is maar een kleine heerschappij
Haar te besluiten,
Doch hoogste koningin is zij
Wier majesteit vult even vorstlijk breed
Elk tijdlijk wisselkleed...
En vrij
Om mij
Laat onder menschen zijn haar gaan en keeren!
Ik mag niet tusschen doode handen weren
Van anderer levenden nood
Het levenlengend brood
Dat 'k altijd met ontroering heb gegeten
En nimmer mijn geweten. -
Dit oogenblik alleen is smart:
Mijn eenzame oogen naar het kille nachtezwart
Te wenden van de feestverlichte ramen,
Deze eerste stap alleen en niet meer samen.
Maar duur' het blijde leven ongestoord!
En zal éen toon tot verre stilte reiken,
Laat het zoo zuivre vreugd zijn als ik heb gehoord
Buiten de stad verstrijken
Door stilt van groene weî en morgenzon
Glashelder kariljon
Dat leek een luchten vreugd over de weerld gehangen,
En mengde met het stadsrumoer zijn bronzen zangen,
[p. 191]
En gleed den cirkel van geruchten uit
Als een verpuurd geluid...
In schoorsteenmantels duistren hoek,
Binnen den lichtkring van haar hand,
Liet ik in ritselenden band
Het gele veelgelezen boek
Dat wij vulden saam met een leven van zangen:
Wie weet zal nimmer haar verlangen
In mijmerende scheemring gaan,
Een oudbekende wijs zich op te slaan
Bij nieuw geluk;
Of roos van smart-die-zich-niet-uit-laat-zeggen
Bloedwarm en heimlijk weg te leggen
Tusschen der bladen donkerkoelen druk?