terug  begin  verder

[p. 192]

Solus in aedibus amoris

 
Daar steekt de nacht op en de zwarte wind -
 
En open vind
 
Ik als mijn eigen
 
Uw woning wier beveiligd zwijgen
 
Me omvat als een verloren kind?
 
 
 
In schemerdonker doofden uit gezicht
 
De oogen wier licht
 
Mij trok de diepe steile wegen
 
Naar dit hoog huis van dagelichten zegen
 
En sterreheldren plicht.
 
 
 
Hoe keer ik na zoo rijk begin
 
Arm tot u in
 
Naar mijn klein erfdeel onder uwe zonen:
 
't Is beter, Liefde, alleen bij u te wonen
 
Dan in der menschen liefdeloos gezin.
 
 
 
Hier kan ik aadmen waar de oneindigheid
 
Alom zich breidt
 
Tot levengolvend plein dat alzijds heemlen vloeien,
 
Eén zee van onrust onder 't roerloos bloeien
 
Der sterrenflonkrende eeuwigheid.
 
 
 
Hier naar de stilten van uw troon
 
Stijgt in éen toon
 
't Veelstemmig wee dat bruist in de aardsche holten;
 
En elk gelaat dat tot u opziet uit de volten,
 
Is oogenblikklijk schoon.
 
 
 
Hier ook gaat om door tijds verstarden nood
 
Het spel van morgenrood
 
En dag en nacht en avond in zoo glorierijk bewegen.
 
Dat hier alleen een ziel ontwaken kan en zeggen:
 
Een uur geleden sloeg de dood!

terug  begin  verder