[p. 194]
October
Getij van Westerstorm en stille wolkedagen,
Van zondoorvloeiden nevel, mistvergulden dauw, -
Alleen de blijdschap van een god kan lachend dragen
De zijden weelden van uw weemoeds kleurgen rouw.
Geen mensch doorproeft zoo zoet als de eerste roode kersen
Der lenten in wier eeuwigheid hij had geloofd,
Den rijpen wijn die gist in uwe volle persen,
De koele blanke vleezen van uw meluw ooft.
Om ons en in ons zijn zoovele jarekeeren
Zomer en lente en liefde ontloken en verdord:
Om tegelijk den dood en de eeuwigheid te leeren
Lijkt leven eerst te lang, is leven haast te kort.
Wij dolen, onvervulde stoffelijke schimmen,
Door den verluchten brand van hof en tuin en laan,
En breiden moeizaam vochte vleugelen tot klimmen,
Als heemlen in uw laaiende' avond opengaan.
Om 't helle sterven van wat niets verstond dan leven,
En nu niet verder dan zijn schoonen dood vermoedt,
Zouden wij reede als vreemd en onbegeerlijk goed
De zekerheid van alle komend voorjaar geven.