terug  begin  verder

[p. 195]

Aan de schoonheid

 
Kom niet, Schoonheid, eer we u zijn bereid
 
In ons huis, in ons te ontvangen;
 
Kom niet vóor de wereld openleit
 
Breede bedding uwer heerlijkheid;
 
Kom niet eerder: ons verlangen
 
Is sterker dan de tijd!
 
 
 
Niet zoolang aan aardes blonde brood
 
Wij ons vloek en smaadheid eten;
 
Niet zoolang met maat van veler nood
 
De overvloed der enklen wordt gemeten;
 
Niet vóordat ons aller jeugd den dood
 
Om het blijde leven kan vergeten!
 
 
 
Als een zuivre zelfverlichte
 
Zegenzware wolkkolon
 
Doemt gij in de diepe vergezichten
 
Achter zeeën maan en zon:
 
Geen gedachte die met felste schichten
 
Ooit uw glans bereiken kon,
 
Maar geen hart dat zich naar simple blijdschap richtte
 
En uw milden dauw niet won!
 
 
 
Van al templen u gebouwd
 
Uit de marmeren gedachten
 
Van de schooner levende geslachten,
 
Is er geen die u besloten houdt:
 
Als voor steen en goud
 
U de volkren offer brachten,
 
Vond en zong u 't eenzaam smachten
 
Van een kind in lentewoud!
[p. 196]
 
Alwier oogen smartverklaard
 
Aan den einder hunner dagen
 
Uw bestendig weêrlicht zagen,
 
Vreugdes morgen over schemeraard,
 
Hebben vrij en onbezwaard
 
't Donker menschenhart gedragen: -
 
Al hun lijden is melodisch klagen
 
Dat gij niet voor allen waart.
 
 
 
Bidden niet en handenwringen
 
Lokt de goôn; -
 
Waar een hart het uit moet zingen,
 
Daalt het ongebeden loon,
 
Neigt de naaste van de hemelingen
 
Zich tot Haar bestemde woon.
 
 
 
O wij weten wel wat lentedag
 
Al de stille sneeuw die gadert,
 
Van uw bergen dooien moet;
 
Dat zijn uur door de eeuwen nadert,
 
Dat geen hart ontbreken mag
 
Tot zijn gloed!
 
 
 
Vochte koelte zoeft door 't bruine riet;
 
Sappen gisten in het dor geraamte -
 
Overval ons niet in onze schaamte:
 
Schoonheid, kom nog niet!

terug  begin  verder