[p. 201]
Zwerverslied
Moest zoovele zonnedagen
Zich mijn hart onnoodig plagen,
Met Verlangen meê te jagen
In haar zwerven en haar klagen
Om een tijdlijk huis?...
Achter open hartedeuren
Noodden duizend bonte keuren...
In der kaamren klare kleuren,
In der hoven zwoele geuren,
Nergens vondt ge u thuis!
Langs de late schaarsbeschaûwde
Lanen huivert de eerste koude,
Dieper schijnt de teêrbeblauwde
Hemel in doorzichten gouden
Avond van het jaar:
Ruimer haalt de ziel de luchten
Der oneindige genuchten,
Als de donkere geruchten
Van voorbije vogelvluchten
Roepen boven haar.
Onbezwaard en ongebogen,
Vleugellicht omhoog getogen,
Die haar schatten ongewogen
In den afgrond veler oogen
Gul en gaarne liet,
Zweeft ze uit doolhof van Verlangen
Waar in diamanten zangen
Haar versteende tranen hangen,
Weêr het oud Geluk te vangen
In het nieuw verschiet.
[p. 202]
Zij wier jonge en onbewuste
Blijde heimwee niet berustte,
Nooit van werelds halve lusten
Bloedelooze lippen kuste
Aan der wegen rand,
Vindt zich uit haar lange zwerven,
Na de blinde koorts van derven
Eindeloozer toekomst erve,
Komend leven, komend sterven
Stijgendhellen brand.
't Oog uit eigen droom geheven,
Na zijn eerste blinde beven,
Groet den andren droom van Leven
Onveranderlijk gebleven,
Even diep en groot;
Ziet in 't licht van voller jaren
Raadslen die gescheiden waren,
Zich in schooner eenheid paren,
't Lichte leven zich verklaren
In den donkren dood.
Rapper raapt zij gouden stonden,
Luchtger streelt zij langs de blonde
Haren, kust de roode monden;
Eerder wordt het woord gevonden:
Welkom of vaarwel;
Rijker trouwer oogen sonden,
Heelen gaver liefdes wonden
In haar eeuwige verbonden;
Weinige uitgezette ponden
Meerderen zich snel.
[p. 203]
Uit den breeden diepen vrede
Van de horizontsche reeden,
Uit de sterdoorstraalde steden
Van Gods blauwe oneindigheden
Luidt de zoete wijs:
Al de wonderen van schoone
Lichtgeklaarde zuivre tonen
Die den stouten zwerver troonen...
O alleen de dooden wonen,
Maar het leven is op reis!