terug  begin  verder

[p. 204]

Morgen-nachtegaal

 
Het dunne zand van sluimering
 
Waarmeê de koele nanacht overblies
 
Mijn stilgewoelde wanhoop-van-verlies
 
Midden in de eindelooze rekening,
 
Verstuift -
 
Mijn oogen oopnen over 't gladde dek
 
Door 't vreemd-herkende slaapvertrek
 
Naar venster en halfneêr gordijn
 
Waardoor de melken morgenschijn
 
Naar binnen luift.
 
 
 
Een vogel tjilpt de stilte stiller nog,
 
Drinkt dauw en dagbegin
 
Met zachte halen in.
 
Ik roer niet uit bloeds blij bedrog
 
Dat leven nieuw en ongerept te herbeginnen slaat
 
Met elken dageraad...
 
 
 
O stil, als stortvloed uit een blauwe lucht
 
Slagregenen van klank,
 
Hemeldoorbraak die ruischt de wereld blank
 
Met hagelkletter-parelen koraalgerucht.
 
Springtij van puur geluk
 
Bonst sluizen stuk,
 
Van hoorbaar vloeiend wonder
 
Loopt alle leven onder.
 
 
 
Ik weet, daar nest een nachtegaal
 
Diep in het hout aan de' overkant,
 
En vaak uit verren hoek van avondzaal
 
Hoorde ik dien knetterenden brand
 
Van koele vlammen als in vreemde taal
 
Een schoone vrouw wel zingezeit
 
Van liefde en jeugd zoo blij verhaal,
 
Dat ge om zijn loutre lieflijkheid
[p. 205]
 
Een enkel woord verstaat,
 
Maar het geheel ontgaat -
 
 
 
Dit is geen vogels keel.
 
Ik hoor uit strakken hemelwand
 
Stortbeken
 
Van overluchtsche vreugde breken,
 
Vullen de holle hemelen met effen stand
 
Van roerloos-schuivend vlak tot waar het heel
 
In dit diep dal
 
Ombruist in steilen tonenval.
 
 
 
Het stille witte licht zwelt open in geluid,
 
De hemel weent door waterklare ruit
 
Zijn tranen van verklankten dauw
 
En kleurgebroken gloed -
 
Ik heb het altijd wel vermoed
 
In nacht van smart en rouw,
 
Nu weet ik morgenlijk- en zielgewis,
 
Dat leven blijdschap is
 
En anders niet,
 
En moog' zijn vreugde mijn
 
Niet zijn,
 
Niets dan zijn vreugd erkenn' mijn lied!
 
 
 
Ik heb zooveel gelachen en geschreid,
 
Maar nimmer zelfs als kind
 
Heeft deze klare lach van tranen blind
 
Ziel overblijd.
 
Daar staat op aard geen luchtge berg gegrond,
 
Daar ligt geen donker dal,
 
Geen kloof gegroefd,
 
Waar 'k niet op deze wellen woon,
 
En boren zal
 
Totdat mijn mond
[p. 206]
 
Haar smaakloos water proeft
 
En zingt zijn loon.
 
 
 
'k Zal niet meer wanken door den dag
 
Langs jonger oogen helderopen lach,
 
Die kijken: gij die weet, zing ons het gulden rijm
 
Van levens schoon geheim -
 
Maar spreken zal ik in dit blank gezag:
 
 
 
Lacht vrij naar 't gouden hart
 
Van levens openende roos;
 
Want ik vond wel min vreugd dan smart,
 
Maar alle smart is eindig, alle vreugd is eindeloos...
 
 
 
Geef mij een blik, een handedruk,
 
Een teug geluk,
 
En daadlijk hoor ik aan uit prilste levensstreek
 
Het murmlend lachen van die beek,
 
Die breed of smal,
 
Die diep of snel of traagverzand
 
Glijdt overal
 
Door 't groen en mistig land...:
 
 
 
Zoo lacht dan vrij naar 't gouden hart
 
Van levens openende roos;
 
Want daar is wel min vreugd dan smart,
 
Maar alle smart is eindig, al geluk is eindeloos!

terug  begin  verder