[p. 208]
In de sneeuw
Diepe blanke stilten halen
Snaren van verreind verlangen
Aan tot hooger luchtger talen
Van toekomstige gezangen.
Schermt haar in omveilgend bloeien,
Al mijn witte en roode droomen,
Dat geen ademtocht haar moeie
Vóor de jonge koning kome!
... Zullen, ziel, nog eenmaal zaalge
Vingerspitsen u bebeven?
Zal nog eens uw sterrestraalge
Lied door al zijn heemlen zweven?...
Lijd in uw versneeuwde tenten
Langer niet om 't lang verloorne;
Morgen dooit een andre lente,
Morgen komt de nieuw verkoorne!