[p. 209]
Meeuwen
Rond wak golfdonker in ijsblink kanaal
Sneeuwt uit het open tintelblauw
De vlucht der meeuwen, een verdoolde praal,
Met schreeuwen scheller in de gouden koû.
Daar, voor het wintergrauwe land,
Ruischt avondlijke zomerzee,
Vervuld geluk breekt met de branding meê:
Ik heb u weêr aan haar ontijdig strand. -
Dit weet ik wel van kind afaan,
Dat dood of leven nooit zoo diep verstillen zal,
Of ik zal hooren bij den avondval
Den roep der meeuwen over donkerbloede waterbaan...
En zal bewustzijn dan als nu
Uitschieten als een ranke plant
En vangen ver in levens land
Haar bloem in u?