terug  begin  verder

[p. 219]

Inferiae

 
Dien avond viel de late gouden straal
 
Der zon door de bewogen schemering
 
Als altijd op het dagestarre beeld
 
Van uw twee oogen aan den rossen wand.
 
Toen was het of uw zeldne glimlach riep,
 
Of riep uw glimlach mijn verjongde vreugd
 
Die langen langen tijd niet tot u trad
 
Op 't uur der wijding, want zij had geen traan.
 
En schijn van traan of lach is nimmer tusschen ons.
 
 
 
Toen kwam ik en ik bood u wat ik had,
 
Der aarde bloemen en de erinnering
 
Aan zomerzon die langs de weiden streelt
 
En stem van wind die in de boomen luwt -
 
Mijn heelen blijden dagoogst gaf ik u.
 
 
 
En toen ik de oogen opsloeg, liet de zon
 
Uw oogen stil en duister aan den wand.
 
Maar in den nacht toen slaap de zielen bond,
 
En al de wegen lagen vrij en open,
 
Tegen den morgen, kwaamt gij zelf en hieft
 
Met eigen hand drooms purpren voorhang weg,
 
En stondt ten voeten in uw glimlachs kleed,
 
En in uw handen en uw hareblond
 
Maakten der aarde bloemen geur en kleur,
 
En om uw hoofd streek als geluwde wind,
 
En langs uw voeten gleed als zomerzon...
 
Hoe rijk heeft in dien droom geluk geweend!

terug  begin  verder