[p. 220]
Zij
- ‘Gij hebt haar gekend als kind?
- Gij als jongen haar bemind?
- Gij hebt haren mond gekust?
- In uw arm heeft zij gerust?
- Gij hebt haar in 't graf geleid;
Als een jonge bleeke meid?
- Met u was zij jaren saam;
En zij droeg uw eigen naam?
- U heeft zij een zoon geboren?
- Allen hebt gij haar verloren?...
Wel ik zweer u, al dien tijd
Heeft zij hier met mij gebeid.
Ieder dag- en avonduur,
In den tuin en hier bij 't vuur.
In de buurt is ze altijd en
Vindt mij waar ik eenzaam ben;
En zoo zit zij uren daar
In haar lijst van blonde haar
Met de blank besneden handen,
Met de zuivre lipperanden
Door haar stillen lach bewogen,
Met de heemlen van haar oogen
Waar de lichte droom in drijft,
Juist zooals gij haar beschrijft...
Maar wat zijn mijn rechten dan,
Die ik niet bewijzen kan?
Geene, - toch, van heel de rij
Bleef zij enkel trouw aan mij.’