terug  begin  verder

[p. 227]

Rustige vaart

 
Omdat leven,
 
Dit wellend bloed, dit eenig klimmend water,
 
Niet wezen kan dan in verlangen,
 
Verlangen tot verlangenloozen dood -
 
Is alle rust die 'k heb gekend
 
En weet en weten wil,
 
Dit oogenblikkelijk kristal,
 
Dit vlakgevlijde vuur:
 
De rust van 't zeker, onvervuld verlangen.
 
 
 
Luttel in haar ontelbaarheid
 
De eilanden van 't verleên, de sterrestippen
 
Van levens fonkelgouden daden,
 
Maar eindeloos
 
Van ster tot ster,
 
Van horizon tot horizon
 
De diepe zee van 't grondeloos verlangen.
 
 
 
Wie zag het eindge, die
 
Niet met oneindigheid,
 
Wie zag het tijdlijke,
 
Die niet met eeuwigheid
 
Zijn oogen bett'e? -
 
Wie heeft liefgehad tot den dood,
 
Wie is opgeklommen tot God,
 
Wie omzeilde werelds vastland
 
Dan op verlangen?
 
 
 
Gelukkig die in levens volheid
 
Blij om blijder,
 
Schoon om schooner kan versmaden:
 
In de diepe duizeling
 
Van zijner oogen verrukking
 
Dringen te spieglen zich
 
Hemel en aarde.
[p. 228]
 
Nimmer kan leven
 
Verlangen verlies zijn,
 
Maar dubble winst.
 
Met elke nevelvlek
 
Die openbloeit in
 
De velden van 't onbereikte,
 
Licht in de harten der bloemen der aarde,
 
Licht in de bloemen der oogen der menschen
 
Een nooit gespeurd geheim;
 
Naar elke schoonheid
 
Wier stralende heimlijkheid
 
Rijst aan den nieuwen einder,
 
Welt uit den afgrond
 
Van eige' onbewustheid
 
Schoon evenwaardig...
 
 
 
O rust, o rechte vaart
 
Van onafzienbare eindge mijlen
 
Naar 't duister punt, licht van mijn ziel,
 
Waar onze wegen kruisen,
 
Dat er geluk ontvonke in eeuwge lamp
 
Van vaste ster...
 
En achter 't gouden zand dier eevne haven
 
En 't helder afscheid uwer wijkende oogen -
 
Gods onverkorte oneindigheid,
 
De diepe zee van 't grondeloos verlangen!

terug  begin  verder