terug  begin  verder

[p. 234]

Goede dood

 
Goede Dood wiens zuiver pijpen
 
Door 't verstilde leven boort,
 
Die tot glimlach van begrijpen
 
Alle jong en schoon bekoort,
 
 
 
Voor wien kinderen en wijzen
 
Lachend laten boek en spel,
 
Voor wien maar verkleumde grijzen
 
Huivren in hun kille cel, -
 
 
 
Mij is elke dag verloren,
 
Die uw lokstem niet verneemt;
 
Want dit land van most en koren
 
Is mij immer schoon en vreemd;
 
 
 
Want nooit beurde ik hier te drinken
 
't Water dat de ziel verjongt,
 
Of van dichtbij hief te klinken
 
't Verre wijsje dat gij zongt:
 
 
 
Alle schoon dat de aard kan geven,
 
Blijkt een pad dat tot u voert,
 
En alleen is leven leven
 
Als het tot den dood ontroert.

terug  begin  verder