[p. 239]
Veilig
Die enkel wonen veilig voor 't gebeuren
Van al getij,
Die, lief, voor nacht noch storm hun vensteren en deuren
Te sluiten hoeven zooals wij.
Ons die geen woningen op aarde grondden,
Ons werd dit huis
Hier waar der aarde stemmen, storm en stroomen monden
In 't groot en rustigend geruisch
Van deze oneindge zee wier melodieuze ontroering
Ons droomen wiegt,
Die met den morgen stem en woorden geeft aan ziels vervoering,
Het lied der vreugde die niet liegt.
Elk aardling die het open pad wil vinden
Naar dezen borg,
Zal zijn gelijk aan een van ouds beminde
In onze liefde en zorg,
Welkom ten samenzijn dat niet dan schoon kan wezen
Waar de onbegrensde tijd
Uitligt voor Liefde die voor god noch dood moet vreezen,
Eén wijde blijde mooglijkheid.