terug  begin  verder

[p. 241]

In den vreemde

[p. 243]

Na den overval

 
Ontwaakt van zoo nabij den dood,
 
Vind ik in kring en wacht gewend
 
U aller oogen kleur- en glansbekend,
 
En in uw handen blank en rood
 
Van wijn en brood?
 
 
 
Breekt niet, maar schaduwt en ontdicht
 
Een korte poos den klaren ring,
 
Legt op mijn oogen uwer handen zegening -:
 
Ik schroom te zien mijn eigen bleek gezicht
 
In zooveel licht.
 
 
 
Tusschen uw jonge hoofden schijnt de blanke dag,
 
Weldadig-kleurelooze droom...
 
Vreemd, door zoo roode droomen als ik zag,
 
Redd'en mijn oogen nog hun teêren schroom
 
En reeden lach...
 
 
 
Zij namen al den leeftocht dien ik had,
 
Maar, meer dan 'k hopen dorst,
 
'k Voel in den buidel van mijn borst
 
Kloppen veel rijker voller schat
 
Dan ik omvat.
 
 
 
Zoo laat, zoolang wij zijn op 't pad,
 
Me uw stillen gast in de' armen schijn,
 
En ik zal eens uw gastheer zijn
 
Bij ander brood en andren wijn,
 
Wanneer wij komen in de groote stad.

terug  begin  verder