[p. 244]
Avond te Zürich
Op het meer, op 't avondwater
Vouwen winderanke schepen
Witte zeilevleuglen samen.
Dicht aan blinkende oeverkaden
In het koele somberhelle
Staan op roerelooze vinnen
Stomme flikkergladde visschen.
Naar den wolkeloozen hemel
Rijzen zilverblauwe neevlen,
Dekken al de verre bergen
Tot de sneeuwen toppen hangen
In den windeloozen avond
Als een rij gestilde wolken...
Dien de goden en de menschen
Boven god en menschen zeegnen,
Nachtlang ademzacht aanbidden:
Koele trooster Slaap,
Rijs aan wolkeloozen hemel,
Dek het bonte dageleven,
Dek ziels brandendwonde voeten,
Laat alleen de sneeuwen toppen
Waar de boden van de goden,
Waar de lichte droomen wandlen,
Laat alleen de stilste toppen,
Laat haar heel met God.