[p. 245]
Morgen in Meran
Ben 'k zooveel rijker dan ik was, ineens?
Dan gistren en eergistren toen de zon
Vanachter de' eigen donkren bergwand sprong
En overgoot ditzelfde lentedal
Met gloriën van kleur en morgenstond;
En liet mij eenzaam maar en onbedeeld
En bleek-afgunstig in den gouden dag
Naar 't eenig ding dat ik nooit heb benijd,
Den overvloed die mensch en vogel dringt
Zingen of stamelen naar Gods oneindigheid -
Wat macht beroerde in stilte van den nacht
Met wonderstaf den strakken starren wand,
Dat overal waarheen ik de oogen open,
Schoonheid uit alle dingen straalt en weent,
En regent, koele wolkgegaêrde dauw,
Naar diepe dorstge bedding van mijn ziel,
Zooals de beken in dit vreemde land
Door boom- en wijngaard al den nacht en dag
Murmelend haasten naar de kloof van 't dal
Tot blijden breeden kolkbebloemden stroom?
Ik weet het niet; want stil en onbemerkt
Als onze tranen zijn is onze heerlijkheid.
Maar blij bedenk ik in dit morgenvolle licht
Hoe ieder wezen niet zijn diepste zelf
Versluiten kan en openen naar keur,
Maar lichter handen doen dat goddlijk werk,
En voel den klaren glimlach van mijn oogen
Als koele wolk over den fellen glans
Waarlangs onwetend-veilig in doorzonde schaûw
De schoone stille blijde menschen gaan,
Mijn eigen volk, en dat ik weêr kan minnen.