[p. 246]
Ontmoeting
De wolken trekken van de bergen op.
Vanuit de witbedoekte tent van 't dal
Zie 'k halverwegen tusschen voet en top
Door wolkescheur onder den steilen val
Van stralenregen uit onzichtbre zon
Als hemellandschap. Binnen lagen wal
En beek-besproeid en overbloeid gazon
Van voorjaarsboomgaard schemert oude steê
Met muren blank om paarsbebloemd balkon.
De smalle paden voeren tot den vreê
Van de open huisdeur en zijn diep portaal.
'k Ga zonder weten of verwondring meê
Door oude gang naar donkerkoele zaal
Waar in den schemer van het kamerlicht
De meubels glimpen, en de zonnestraal
Glijdt als een glimlach langs een streng gezicht...
Ik wist niet dat gij hier verborgen zat
Zoo ver van huis, dat als een zacht gedicht
Ik hier u heb als ik u altijd had
Ver en nabij, zoo even en zoo heel,
Bewustzijn van onmetelijken schat,
Vluchtig en eeuwig als elk ding dat deel
Aan schoonheid neemt en hier op aarde leeft,
Als dageraden, als de klank der veêl
Die uitzingt, als de kleur en geur die beeft
Uit bloem en avondlucht, - zoo even en zoo heel!